Aan de vice-president van de Raad van State
Den Haag, 7 februari 2023
Bij de Eerste Kamer is momenteel aanhangig het voorstel voor de Wet uitbreiding bestuurlijk
instrumentarium onderwijs (Kamerstukken 35 920). Het voorstel wijzigt onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair
onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs,
en introduceert bepalingen die de Minister de bevoegdheid verschaffen (spoed)aanwijzingen
te geven aan het bevoegd gezag indien sprake is van wanbeheer. De behandelende commissie
voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap constateert dat het wetsvoorstel is gewijzigd
naar aanleiding van het advies van de Raad van State, en vervolgens verder is gewijzigd
door een nota van wijziging en door amendementen van de Tweede Kamer. De wijzigingen
vormen voor de Eerste Kamer aanleiding de Afdeling advisering van de Raad van State
om voorlichting te vragen op grond van artikel 21a van de Wet op de Raad van State.
In onderstaande vraag wordt verwezen naar de voorgestelde artikelen in de Wet op het
primair onderwijs, maar de vraag is mutatis mutandis ook van toepassing op de gelijkaardige
artikelen van de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra en de Wet
op het voortgezet onderwijs.
Vraag
Op grond van het voorgestelde artikel 153 van de Wet op het primair onderwijs kan
de Minister het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen
geven, indien sprake is van wanbeheer. Volgens het tweede lid, onder g, is onder meer
sprake van wanbeheer bij «het structureel of flagrant handelen in strijd met de burgerschapsopsdracht (...) dat leidt of dreigt te leiden
tot ernstige aantasting van een of meer basiswaarden van de democratische rechtsstaat».
Op grond van het voorgestelde artikel 153a is een spoedaanwijzing mogelijk indien
uit het tekortschieten van het bevoegd gezag «een wezenlijk vermoeden van wanbeheer» volgt.
De Eerste Kamer ontvangt graag van de Afdeling advisering een beschouwing over hoe
de gecursiveerde begrippen flagrant en wezenlijk zich verhouden tot de in het bestuursrecht gebruikelijke terminologie, wat de gevolgen
zijn voor de uitvoerings- en handhavingspraktijk alsmede wat de betekenis hiervan
is voor de rechtszekerheid voor betrokken scholen.
De Eerste Kamer ziet met belangstelling uit naar de gevraagde voorlichting.
De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, J.A. Bruijn