35 830 XV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2020

Nr. 6 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 juni 2021

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 27 mei 2021 voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij brief van 8 juni 2021 zijn ze door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Peters

De adjunct-griffier van de commissie, Kraaijenoord

Vraag 1

Wat is de reden dat er vanuit de subsidie voor Nederland leert door € 10,4 miljoen minder verstrekt is dan geraamd?

Antwoord 1

Voor de tijdelijke subsidieregeling Nederland leert door met inzet van scholing was in 2020 € 34 miljoen gereserveerd. In oktober en november 2020 stond de subsidie open voor aanvragen. In de regeling is aangegeven dat ongeveer 60% procent van de subsidie via voorschotten verleend wordt en de overige 40% na afronding van de activiteiten. Omdat een deel van de activiteiten uit 2020 in 2021 wordt afgerond, is het beschikbare budget in 2020 gedeeltelijk (€ 10,2 miljoen) doorgeschoven naar 2021.

Vraag 2

Wat is de reden dat de subsidie Nederland leert door is achtergebleven bij de raming?

Antwoord 2

Zie het antwoord op vraag 1

Vraag 3

Wat is de reden dat de verplichtingen en de uitgaven met betrekking tot de subsidies voor duurzame inzetbaarheid en Nederland leert door minder zijn dan geraamd? Wat is gedaan om toch het volledige subsidiebedrag uit te geven en waarom is dat niet gelukt?

Antwoord 3

Voor duurzame inzetbaarheid is in 2020 verplichtingenruimte vanuit latere jaren naar 2020 geschoven om verplichtingen te kunnen aangaan met betrekking tot de paritaire ondersteuning van duurzame inzetbaarheid. Deze ruimte bleek in 2020 maar voor een klein gedeelte nodig. De paritaire ondersteuning van duurzame inzetbaarheid heeft namelijk een andere vorm gekregen, waarbij de verplichtingen meer gespreid over de jaren zullen worden aangegaan.

De verplichtingen en de uitgaven met betrekking tot de subsidie NL Leert Door zijn in 2020 lager uitgevallen, maar zullen in 2021 grotendeels alsnog tot uitkering komen (zie ook antwoord op vraag 1 en 2). In de systematiek van de regeling kunnen aanvragers vooraf inschrijven op de regeling voor een bepaald bedrag, terwijl uitbetaling pas plaatsvindt nadat de trajecten daadwerkelijk zijn afgerond.

Vraag 4

Welke projecten in artikel 2 zijn niet gestart? Wat is de reden hiervoor?

Antwoord 4

Op het subsidiebudget artikel 2 waren middelen beschikbaar gesteld (€ 2,8 miljoen) voor twee beoogde subsidieverleningen aan de Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarder (SNG) en de Koninklijke Beroepsvereniging voor Gerechtsdeurwaarders (KBvG). Deze beoogde subsidieverleningen hebben geen doorgang gevonden, omdat in plaats daarvan einde 2020 tot opdrachtverleningen is besloten in plaats van het toekennen van een subsidie.

Daarnaast waren er middelen vrijgemaakt voor subsidietoekenningen rond Breed Offensief.

Bij de daadwerkelijke toekenningen was het kaseffect daarvan wat lager dan aanvankelijk was geraamd (€ 0,5 miljoen), ook is er voor een aantal subsidies sprake van vrijval van kasmiddelen in 2020 (€ 1,6 miljoen) in verband met gehonoreerde wijzigingsverzoeken tot verlenging van de projectperiodes in verband met opgelopen vertraging ten gevolge van de COVID-19 maatregelen (en daardoor een doorschuif van kaseffecten van 2020 naar 2021). Daarnaast is voor een aantal subsidies bij vaststelling het toegekende bedrag lager vastgesteld (€ 0,3 miljoen), waardoor er een deel van het openstaande kaseffect in 2020 vrijviel.

Vraag 5

Waarom is de Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)-crisisdienstverlening in 2020 niet van start gegaan?

Antwoord 5

De uitvoering van de crisisdienstverlening door UWV hangt samen met de inwerkingtreding van de Tijdelijke regeling aanvullende crisisdienstverlening COVID-19, welke op 26 maart jl. in werking is getreden. De voorbereidende werkzaamheden zijn met eigen middelen uitgevoerd.

In de beoogde aanpak staan vakbonden, werkgeversorganisaties, UWV en de gemeenten samen met de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en het regionale onderwijs aan de lat om de crisisdienstverlening naar werk vorm te geven door middel van regionale mobiliteitsteams (RMT’s). Voor de start van de RMT’s en daarmee de crisisdienstverlening naar werk zijn samenwerkingsafspraken benodigd tussen alle partners. Een individuele partij kan dus niet alleen de crisisdienstverlening leveren, omdat elke partij afhankelijk is van deze samenwerking en de bijbehorende afspraken. De samenwerkingsafspraken dienen te voldoen aan de Tijdelijke regeling aanvullende crisisdienstverlening COVID-19.

Momenteel werken partijen in de arbeidsmarktregio’s de samenwerkingsafspraken en begrotingen uit op basis van de regeling. De eerste definitieve samenwerkingsafspraken zijn inmiddels gesloten en wordt in een aantal regio’s door de partijen dienstverlening geboden.

Vraag 6

Wat gebeurt er met de onderuitputting van de scholing-Werkeloosheidswet (WW) bij het UWV?

Antwoord 6

Budget ten gevolge van onderuitputting vloeit terug in de algemene middelen van het Rijk.

Naar boven