Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135740 nr. 3

35 740 Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2021 (Zesde incidentele suppletoire begroting inzake extra middelen voor het Nationaal Programma Onderwijs in verband met COVID-19)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 juni 2021

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 12 mei 2021 voorgelegd aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Bij brief van 4 juni 2021 zijn ze door de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Tellegen

De adjunct-griffier van de commissie, De Vrij

1

In hoeverre worden vooraf voorwaarden gesteld aan verstrekking van gelden voor het Nationaal Programma Onderwijs aan scholen? Worden de middelen automatisch aan alle scholen uitgekeerd en vindt achteraf verrekening plaats als bijvoorbeeld geen gebruik is gemaakt van de menukaart, of wordt vooraf getoetst of aan de voorwaarden is voldaan?

Alle scholen ontvangen automatisch extra middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs via aanvullende bekostiging. Voor de inzet van deze aanvullende bekostiging dienen scholen een keuze te maken uit de «menukaart» met bewezen en goed onderbouwde interventies, op basis van hun eigen probleemanalyse. Scholen beslissen zelf, in samenspraak met hun schoolbestuur, welke maatregelen ze nemen om de vertragingen van hun leerlingen aan te pakken. De overheid vertrouwt erop dat scholen de extra middelen effectief willen besteden en hun leerlingen zo goed mogelijk hun vertragingen willen laten inlopen. Dit vertrouwen is extra geborgd door de expliciete rol van de medezeggenschapsraad bij de inzet van de middelen (instemmingsrecht). Bovendien moeten schoolbesturen zich achteraf verantwoorden in het jaarverslag over de besteding van middelen. In XBRL (DUO-portaal) wordt scholen gevraagd zich expliciet te verantwoorden over de instemming van de MR en aan welk soort interventie zij de middelen hebben besteed.

2

Onderkent u dat de opties uit de menukaart nog veel ruimte laten voor uitwerking en op welke wijze wordt scholen zekerheid geboden?

Kan het gebeuren dat scholen die gebruik maken van de menukaart toch te maken krijgen met een terugvordering, omdat niet aan de wetenschappelijke standaarden voor de uitwerking zou zijn voldaan?

In de menukaart worden soorten interventies genoemd waarvoor scholen aanvullende bekostiging die zij ontvangen in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs kunnen inzetten. De scholen hebben dus veel ruimte, maar dit is wel aan voorwaarden verbonden. Ruimte is er met name voor uitwerking, passend bij de situatie op een school en de (onderwijskundige) visie van de onderwijsprofessionals die daar werken. Om hen daarbij te ondersteunen zijn praktijkkaarten ontwikkeld, die beschikbaar zijn via de website van het Nationaal Programma Onderwijs, www.nponderwijs.nl. De overheid vertrouwt op de professionaliteit van leraren en andere onderwijsprofessionals dat zij, indien gewenst met ondersteuning van deze praktijkkaarten of andere informatie, zorgen voor een effectieve uitvoering van de gekozen (soorten) interventies waardoor hun leerlingen zo goed mogelijk hun vertragingen kunnen inlopen.

3

Is de noodzaak van de gestelde haast wel zo evident nu uit het onderwijsveld veel signalen komen dat de uitvoering van het Nationaal Programma Onderwijs veel te snel gaat? Waarom is niet gekozen voor meer tijd, waardoor ook in het parlement niet overhaast te werk gegaan hoeft te worden?

Het belang van de leerlingen en studenten staat voorop. Het is in hun belang dat er zo snel mogelijk werk wordt gemaakt van het herstel van vertragingen, zowel cognitief, als op het gebied van mentaal welzijn en sociaal-emotionele vaardigheden.

Wij zijn ons er natuurlijk ook van bewust dat onderwijsinstellingen op dit moment veel voor hun kiezen krijgen. En dat we ook met het Nationaal Programma Onderwijs op korte termijn veel van hen vragen aan analyse en plan- en besluitvorming. Voor sommige scholen knelt dit, andere scholen zeggen echter de vertragingen al goed in beeld te hebben en willen zo snel mogelijk aan de slag. Wij hebben geprobeerd daarin een balans te vinden en hebben scholen daarom gevraagd om in de periode tot aan de zomervakantie de vertragingen van hun leerlingen in beeld te brengen (de schoolscan) en op basis van die analyse en de menukaart een schoolprogramma op te stellen. Scholen bepalen zelf hoe en wanneer binnen deze periode ze welke stap precies zetten.

4

Klopt het dat de 645 miljoen euro structureel voor grotere instroom leerlingen en studenten een aparte investering is die buiten de investering van 8,5 miljard euro voor het Nationaal Programma Onderwijs valt?

Ja, dat klopt.

5

Wat is de status van de schoolscan op scholen? Is voor de zomer van 2021 haalbaar? Wat gebeurt er indien blijkt dat dit niet haalbaar is?

Onder «schoolscan» wordt niets meer en niets minder verstaan dan een gedegen probleem- en behoefteanalyse die scholen zelf uitvoeren. De school brengt daarbij in beeld wat de impact van de coronacrisis is geweest op de ontwikkeling van leerlingen. Op basis van de schoolscan kunnen zij onderbouwde keuzes maken voor bij de populatie, context en visie van de school passende interventies. Om na de zomer van start te kunnen gaan met deze interventies is het vanzelfsprekend nodig dat de probleem- en behoefteanalyse (de «schoolscan» dus) daarvóór is uitgevoerd.

6

Kunt u in tabelvorm weergeven hoeveel geld er precies naar welke maatregel gaat?

Onderstaand staan de bedragen voor het Nationaal Programma Onderwijs die beschikbaar zijn gekomen middels de 6e ISB per maatregel weergegeven. In de memorie van toelichting van de eerste Suppletoire OCW-begroting, staat in tabel 3 weergegeven welke middelen bij voorjaarsnota naar de OCW-begroting worden overgeheveld.

Bedragen (x € 1 miljoen)

2021

2022

po/vo

503,2

 

Uitbreiden IOP-subsidie vve, po en vo

220,7

 

Uitbreiden regeling Extra handen in de klas

158,0

 

Extra nieuwkomersbekostiging po en vo

62,0

 

Ondersteuning/begeleiding examenkandidaten vo

37,0

 

Capaciteitentest brugklas en tweede klas vo

10,0

 

Scan/monitor per school

10,0

 

Focus op kerncurriculum

0,2

 

Organisatie, onderzoek, monitoring en uitvoering

5,3

 
     

mbo/ho

1.042,0

650,0

Uitbreiden IOP-subsidie mbo

35,0

 

Uitbreiden regeling Extra handen in de klas mbo/ho

82,0

 

Studenten financieel ondersteunen

350,0

650,0

Stages en praktijkleren

73,0

 

Verhoogde instroom studiejaar 20/21

489,0

 

Corona enveloppe (extra apparaten voor MBO Studenten)

10,0

 

Onderzoek, monitoring en uitvoering

3,0

 

7

Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de verdeling van de 240 miljoen euro over scholen voor primair en voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs?

Voor de verdeling van de middelen van de regeling extra hulp voor de klas is uitgegaan van het aantal klassen waarvoor naar verwachting vervanging of extra ondersteuning nodig is ten gevolge van de coronacrisis. Omdat in het primair onderwijs meer klassen bestaan, is het beschikbare subsidiebedrag in die sector het hoogst.

In december 2020 is de oorspronkelijke regeling extra hulp voor de klas po, vo en mbo gepubliceerd. De € 210 miljoen die voor de periode tot en met 31 juli 2021 beschikbaar werd gesteld kon tot en met 24 januari 2021 regionaal worden aangevraagd en is volledig uitgeput. Vanuit het po en vo is er voor 98% resp. 96% van alle leerlingen subsidie aangevraagd. Vanwege dit succes is er bij de verlenging van de regeling tot en met 31 december 2021 met opnieuw € 210 miljoen aangesloten bij de eerdere verdeling. Ook het hoger onderwijs is bij de verlenging van de regeling Extra hulp voor de klas met aanvullend € 30 miljoen meegenomen. Voor de periode tot en met 31 juli 2021 kon het hoger onderwijs een beroep doen op de regeling coronabanen.

8

In hoeverre staat de investering van 8,5 miljard euro voor het onderwijs vast? Kan hier niet meer in de formatie door een nieuw kabinet aan getoornd worden?

Met het Nationaal Programma Onderwijs stelt het kabinet de komende 2,5 jaar € 8,5 miljard beschikbaar voor het hele onderwijs, van funderend tot en met hoger onderwijs. Voor het po en vo komen vanaf schooljaar 2021/2022 middelen beschikbaar voor de scholen voor de uitvoering van de door de scholen opgestelde schoolprogramma’s. De aanvullende bekostigingsregeling in dit kader wordt in de zomer gepubliceerd. In het voorjaar van 2022 wordt de aanvullende bekostigingsregeling voor het schooljaar 2022/2023 gepubliceerd. Voor mbo- en ho-instellingen worden in de bekostigingsbrief in juli de middelen van de corona enveloppe voor 2021 beschikbaar gesteld. De middelen voor 2022 worden voor het mbo uiterlijk in september 2021 opgenomen in de beschikkingen over de bekostiging 2022. Voor het ho zullen de middelen voor 2022 worden opgenomen in de beschikking van oktober 2021. De middelen worden bij VJN nagenoeg geheel overgeheveld naar de OCW-begroting.

Het staat een volgend kabinet overigens vrij om over de gehele rijksbegroting te besluiten tot extensiveringen voor zover er geen verplichtingen zijn aangegaan voor het betreffende budget. Dergelijke besluiten dienen vervolgens te worden verwerkt in ontwerpbegrotingen waar de Tweede Kamer over stemt.

9

Is er een tijdsplan hoe de overige 6,3 miljard euro wordt geïnvesteerd in onderwijs?

Via de eerste Suppletoire Begroting wordt € 5,6 miljard overgeboekt naar de OCW-begroting. Hierover bent u geïnformeerd in de Kamerbrief over «Nadere uitwerking Nationaal Programma Onderwijs» (Kamerstukken II 2020/21, 35 570, nr 220) van 21 mei 2021. De overige € 0,7 miljard voor funderend onderwijs staat gereserveerd op de Aanvullende Post.

In tabel 3 van de eerste Suppletoire Begroting 2021 staat een opsomming van de middelen per maatregel. Voor funderend onderwijs en voorschoolse educatie geldt een tijdspad t/m schooljaar 22/23. De plannen voor mbo/ho lopen t/m kalenderjaar 2022.

10

Is de 255,7 miljoen euro extra voor uitbreiding en verlenging van de inhaal- en ondersteuningsprogramma's voor het gehele jaar 2021? Of voor een deel van het jaar?

Uit artikel 12 van de regeling Inhaal en ondersteuningsprogramma’s po, vo en mbo volgt dat – afhankelijk van de periode waarin subsidie is aangevraagd – de inhaal- en ondersteuningsprogramma’s in 2021 moeten worden uitgevoerd in de periode van 14 juni tot en met 31 december 2021, respectievelijk de periode van 26 juli tot en met 31 december 2021. Het gaat dus om een deel van het jaar. Voor deze regeling is € 245 miljoen beschikbaar.1

Voor de regeling Inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie (ve) volgt uit artikel 3 van de regeling dat een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve in de periode van 10 juli 2021 tot en met 9 januari 2022 moet worden georganiseerd. Voor deze regeling is € 10,7 miljoen beschikbaar.2

11

Wordt bij de extra 255,7 miljoen euro om op korte termijn achterstanden in te halen al gebruik gemaakt van de menukaart? Of is dit geld nog voor korte termijn achterstanden voordat de menukaart wordt gebruikt?

Deze middelen zijn ter beschikking gesteld om op korte termijn corona-achterstanden aan te pakken, de menukaart is echter pas sinds kort beschikbaar. Scholen dienen de interventies van de menukaart in het funderend onderwijs met ingang van het nieuwe schooljaar in te zetten. Het staat scholen uiteraard vrij om, wanneer die mogelijkheid zich voordoet, ook het lopende schooljaar de menukaart te benutten. Voor het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs kan er met ingang van het nieuwe studiejaar gebruik gemaakt worden van de keuzelijst met acties.

12

Is in beeld hoeveel ondersteuning al is aangetrokken met het extra geld voor ondersteuning in de klas? Over wat voor soort ondersteunend personeel gaat het? Wordt dat bijgehouden?

Hoeveel ondersteuning daadwerkelijk is aangetrokken, moet nog in beeld worden gebracht. Regioplan voert een monitorings- en evaluatieonderzoek uit, waarbij achteraf onder meer de besteding van de middelen en de verdeling naar categorieën in kaart worden gebracht. Wel is in beeld voor welke soorten personeel subsidie is aangevraagd. In onderstaande tabel is de verdeling naar categorieën weergegeven van het eerste tijdvak waarvoor subsidie is aangevraagd. Deze informatie is afkomstig uit de subsidieaanvragen van penvoerders van po-/vo-schoolbesturen en mbo-instellingen. Ook voor het tweede tijdvak van de regeling wordt deze informatie bijgehouden voor alle sectoren

TYPE

Het inzetten van leraren, onderwijsassistenten en instructeurs (in %)

Het laten geven van gastlessen (in %)

Het inzetten van studenten (in %)

De ondersteuning op logistiek en toezicht op de naleving van coronamaatregelen (in %)

Het inhuren van personen die toezicht houden in de klas, bijvoorbeeld bij digitaal onderwijs door een leraar (in %)

Het inhuren van ondersteuning en begeleiding ter ontzorging van leraren en ander personeel (in %)

Het werven, selecteren en organiseren van extra tijdelijke personele inzet (in %)

Totaal

PO

56%

5%

6%

5%

8%

15%

6%

100%

VO

41%

3%

11%

8%

16%

15%

6%

100%

MBO

51%

5%

2%

9%

8%

20%

6%

100%

Totaal

50%

4%

5%

7%

10%

17%

6%

100%

13

Aan welke voorwaarde moet de uitwerking van de maatregelen voldoen om van de Aanvullende Post op Financiën overgeplaatst te worden naar de OCW-begroting?

In het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» is besloten om intensiveringen die nadere uitwerking behoeven op de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën te boeken in afwachting van concrete en doelmatige beleidsvoorstellen.

14

Wordt er bij de verdeling van de middelen «ondersteuning in de klas» onderscheid gemaakt tussen scholen met en zonder een achterstandsscore of krijgt iedere school evenveel geld?

In het bedrag per leerling waar een regio (afhankelijk van het aantal deelnemende scholen) recht op heeft is geen rekening gehouden met de achterstandsscores. De continuïteit van het onderwijs als gevolg van de coronaproblematiek staat centraal bij deze subsidieregeling. Door te kiezen voor de regio als vehikel is maatwerk mogelijk en kan er binnen de regio worden gedifferentieerd. Middelen kunnen daarmee worden ingezet op die scholen waar (al dan niet tijdelijk) de noden het hoogst zijn.

15

Waarom duurde het zo lang eer de menukaart voor interventies beschikbaar was? Klopt het dat dit interventies zijn die overgenomen zijn? Zo ja, waarom kon dit dan niet eerder bekend worden gemaakt?

Het vertalen, uitbreiden en afstemmen van de menukaart met praktijk en wetenschap heeft tijd gekost. De basis voor de menukaart is de «Teaching and Learning Toolkit» van de Education Endowment Foundation (EEF), een Brits kennisinstituut. De Teaching and Learning Toolkit van de EEF is tot stand gekomen op basis van een meta-analyse van jarenlang internationaal effectonderzoek naar het inlopen van met name cognitieve achterstanden. Voor het Nationaal Programma Onderwijs is deze toolkit vertaald en uitgebreid. Zo is naast de interventies van het EEF een onderdeel toegevoegd over sociaal-emotionele ontwikkeling en welbevinden van leerlingen, door een aantal kennispartners op dat gebied, waaronder het Nederlands Jeugdinstituut en Trimbos. In samenwerking met leerkrachten en schoolleiders is gekeken naar volledigheid en uitvoerbaarheid van de maatregelen in de context van het Nederlandse onderwijs. Ook zijn er zogenaamde praktijkkaarten ontwikkeld om leraren te ondersteunen de interventies in de praktijk handen en voeten te geven. De menukaart is vervolgens met de sectororganisaties en veldpartijen besproken en aan wetenschappers voorgelegd.

16

Wat is precies de «capaciteitentoets» die wordt afgenomen bij brugklassers voor de zomer van 2021? In hoeverre verschilt deze toets met de eindtoets in groep 8?

We bedoelen hiermee een toets, waarbij de capaciteiten van elke leerling in beeld worden gebracht.

Gemiddeld genomen hebben leerlingen in 2020 – onder wie relatief veel leerlingen met een hogere kans op een onderwijsachterstand – een lager schooladvies ontvangen. Het wegvallen van de eindtoets in 2020 is daar een van de belangrijke oorzaken van: er ontbreekt een objectief tweede gegeven bij het schooladvies voor deze leerlingen. Daarom kunnen scholen als onderdeel van het Nationaal Programma Onderwijs bij alle brugklassers een capaciteitentoets afnemen. Dit kan ook bij leerlingen die nu in het tweede leerjaar zitten en vorig jaar ten tijde van corona met eventuele achterstanden vanuit de brugklas een niveaukeuze hebben gemaakt. Ook in schooljaren 2021/2022 en 2022/2023 worden capaciteitentoetsen beschikbaar gesteld.

17

Welke waarde kunnen brugklassers en leerlingen die nu in het tweede jaar zitten ontlenen aan de «capaciteitentoets»? Als hieruit blijkt dat ze op een lager niveau in het eerste jaar van het voortgezet onderwijs zijn geplaatst, worden ze dan te alle tijden op een hoger niveau geplaatst?

Nee, zij worden niet per definitie op een hoger niveau geplaatst, maar het is wel de bedoeling dat de school de uitkomsten van de toets gebruikt om leerlingen die op basis van de toets meer in hun mars lijken te hebben dan uit de prestaties op school blijkt, te begeleiden naar een passend onderwijsniveau. Overgangsnormen kunnen hiervoor worden aangepast.

18

Wat is precies een «schoolscan», waarbij eventuele leerachterstanden in kaart worden gebracht? Wat wordt er concreet met deze resultaten gedaan?

Scholen worden geacht om een schoolscanuit te voeren: een analyse van de impact van corona op de ontwikkeling van de leerlingen, zowel op cognitief gebied, waaronder praktijkvorming, als op sociaal-emotioneel gebied en welbevinden. De resultaten van de schoolscan zijn bedoeld voor scholen zelf, namelijk als basis voor de keuze van maatregelen die scholen maken uit de menukaart.

19

Geldt er, vanwege corona, geen bijverdiengrens voor studiefinanciering in het middelbaar beroepsonderwijs in 2021?

De bijverdiengrens voor studiefinanciering vervalt voor dit jaar (2021), zoals deze grens ook vorig jaar (2020) is vervallen.

20

Hoe is het de bedoeling dat internationale schakelklassen, nieuwkomersscholen en reguliere scholen nieuwkomersleerlingen over vier jaar gaan opvangen en de benodigde extra ondersteuning gaan bieden?

Gespecialiseerde nieuwkomersvoorzieningen en internationale schakelklassen ontvangen extra geld om langer onderwijs te verzorgen aan leerlingen voor wie het nodig is dat ze langer op de voorziening verblijven vanwege opgelopen leerachterstanden. Reguliere basisscholen krijgen extra geld om nieuwkomersleerlingen aldaar extra te ondersteunen. Internationale schakelklassen krijgen daarnaast ook extra geld om, voor de nieuwkomers die de overstap naar het reguliere middelbare onderwijs hebben gemaakt, hun expertise aan te bieden aan deze reguliere scholen. De schakelklassen kunnen zo de reguliere scholen ondersteunen bij het verzorgen van extra ondersteuning van nieuwkomers aldaar. Alle scholen kunnen hiervoor gebruik maken van de menukaart en de aanpak voor deze doelgroep opnemen in het schoolprogramma. De verwachting is dat de door COVID-19 veroorzaakte extra leerachterstanden binnen de periode van het Nationaal Programma kunnen worden ingelopen. Na de extra middelen voor nieuwkomers vanuit het Nationaal Programma geldt de nieuwkomersregeling weer voor één of twee jaar, en kunnen scholen de reguliere bekostiging en de onderwijsachterstandsmiddelen (primair onderwijs) of het leerplusarrangement (voortgezet onderwijs) inzetten om deze kinderen de extra benodigde ondersteuning te bieden, net als in de situatie voor de coronacrisis het geval was.

21

Is de extra capaciteitentoets verplicht voor scholen? Zo niet, is het niet oneerlijk als dit bij de ene leerling wel en de andere leerling niet wordt aangeboden?

Nee, er is geen wettelijke verplichting om de capaciteitentoets af te nemen. Gezien het wegvallen van de eindtoets in 2020 en de eventuele achterstanden waarmee leerlingen vanuit de brugklas een niveaukeuze maken, zal ik middels een subsidieregeling het gebruik van capaciteitentoetsen stimuleren. Zo kunnen scholen analyseren of leerlingen een passend niveau onderwijs volgen. Wij moedigen, in het belang van de leerling, scholen aan zoveel mogelijk gebruik te maken van deze mogelijkheid.

22

Wat voor acties volgen er uit de extra capaciteitentoets? Kunnen leerlingen hierdoor bijvoorbeeld een niveau hoger worden geplaatst als zij dit kunnen?

Zie antwoord op vraag 17.

23

Wordt de capaciteitentoets aangeboden vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of moeten scholen dit zelf ontwikkelen? Zo ja, hebben zij daar voldoende tijd, ruimte en mensen voor?

Scholen hoeven de toetsen niet zelf te ontwikkelen. Er zijn bestaande instrumenten beschikbaar om deze capaciteitentoets af te nemen. OCW zal een subsidie ter beschikking stellen om scholen te compenseren voor de kosten van de aanschaf en afname hiervan.

24

Is bekend hoe het staat met de schoolscan? Gaat het scholen lukken de scan op tijd te doen? Hebben scholen voldoende tijd, ruimte en mensen hiervoor? Zo niet, op wat voor manier worden scholen geholpen?

We hebben op dit moment geen afgerond beeld van de stand van zaken op alle scholen. Wel heeft de Algemene Vereniging Schoolleiders half mei een peiling gedaan onder schoolleiders. Bij deze «tussenstand» antwoordde bijna driekwart van de ruim 700 respondenten een schoolscan te hebben gedaan.3 Veel scholen monitoren altijd al de voortgang van hun leerlingen en hebben daardoor ook de vertragingen in beeld.

Voor scholen met ernstige risico’s voor de onderwijskwaliteit organiseert OCW expertondersteuning, die zich onder andere kan richten op het maken van een schoolscan. Deze expertondersteuning loopt deels via bestaande ondersteuningsprogramma’s die in opdracht van OCW of door sectororganisaties worden aangeboden.

25

In hoeverre mogen scholen zelf keuzes maken over het lesprogramma en het curriculum of worden deze keuzes door de Stichting Leerplan Ontwikkeling gemaakt? Als scholen zelf keuzes maken, is er dan geen risico op enorme diversiteit in niveau en kennis tussen leerlingen van verschillende scholen?

Net als in het reguliere onderwijsprogramma, is het de verantwoordelijkheid van de scholen om keuzes te maken in het curriculum en het lesprogramma indien het rooster en de beschikbare onderwijstijd dat noodzakelijk maken. De ondersteuning die de SLO biedt, is bedoeld als handreiking en inspiratie over welke inhoud later kan, of niet verplicht is. Daarbij is nadrukkelijk gelet op welke kennis en vaardigheden minimaal nodig zijn om de verschillende leerlijnen te kunnen vervolgen. Dit is in beeld gebracht voor de volle breedte van het curriculum, voor alle leergebieden: van Nederlands en wiskunde tot kunst en cultuur.

26

Hoe dwingend of vrijblijvend wordt de focus op kerncurriculum voor schoolbesturen?

We gaan ervan uit dat scholen het formele curriculum in de volle breedte kunnen blijven volgen en kritisch kijken naar welke inhoud later aan bod kan komen, of niet verplicht is en daardoor wellicht buiten beschouwing kan worden gelaten. Het gaat erom dat de beschikbare onderwijstijd zo wordt ingericht dat leervertragingen niet onnodig verder oplopen, en dat scholen weten welke keuzes zij kunnen maken om daarvoor te zorgen.

27

Hoe groot bedraagt de langere verblijfsduur van studenten in het middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en hoger onderwijs op dit moment onder invloed van de coronacrisis?

De langere verblijfsduur van studenten in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs onder invloed van de coronacrisis is op dit moment nog niet te bepalen.

Momenteel wordt voor het hoger onderwijs de Monitor Beleidsmaatregelen 2021 afgerond, die deze zomer naar de Kamer zal gaan. Daarin wordt ook de analyse van de studentenmonitor, inclusief vragen over studievertraging tot de zomer van 2020, meegenomen.

In de monitoring en verantwoording van het Nationaal Programma onderwijs zal verder ingegaan worden op de langere verblijfsduur onder invloed van de coronacrisis.

28

Wat bedoelt de toelichting met de opmerking dat kritisch naar het lesrooster en programma gekeken moet worden in relatie tot de tussenkop «focus op kerncurriculum»? Betekent het dat scholen alleen interventies mogen inzetten voor de kernvakken?

Hiermee wijzen we scholen erop dat zij hun beschikbare onderwijstijd zo inzetten dat de leervertragingen niet verder oplopen. Dit kunnen scholen doen door kritisch te kijken naar welke inhoud later aan bod kan komen, of niet verplicht is en daardoor wellicht buiten beschouwing kan worden gelaten. Gedurende het Nationaal Programma Onderwijs blijft het formele curriculum in de volle breedte van kracht: van Nederlands en wiskunde tot kunst en cultuur. De interventies op de menukaart mogen zo ingezet worden dat zij bijdragen aan het inhalen van coronagerelateerde vertragingen op cognitief en sociaal-emotioneel vlak, en dat kan op alle vakken van toepassing zijn.

29

Hoe realistisch is de verwachting dat scholen de schoolscan al voor de zomer afgerond kunnen hebben? Hoe reageert de regering op signalen van scholen dat zij de handen vol hebben om het onderwijs te continueren en dat ze veelal niet toekomen aan analyse van achterstanden?

Zie het antwoord op vraag 24. Scholen hebben hun handen vol aan het continueren van hun onderwijs, maar kunnen dat onderwijs alleen goed continueren als ze ook weten waar hun leerlingen staan. Scholen hebben sowieso een analyse van de opgelopen vertragingen nodig. De leerlingvolgsystemen die zij al gebruiken zijn hiervoor een belangrijk hulpmiddel.

30

Hoe wordt de 10 miljoen euro voor de schoolscan besteed?

Het uitgangspunt is dat scholen gericht kunnen werken aan corona gerelateerde cognitieve vertragingen en, sociaal-emotionele en executieve ontwikkeling vertragingen. Dat doen ze door een goed beeld te vormen van hoe de leerlingen er nu voor staan. Scholen worden daarom gevraagd om een zogenaamde «schoolscan» uit te voeren: een probleem- en behoefteanalyse op leerling- en schoolniveau. Op basis van deze schoolscan kunnen scholen vervolgens een beredeneerde en onderbouwde keuze maken voor passende bewezen effectieve interventies. Voor de schoolscan is € 10 miljoen budget gereserveerd voor 2021. Daarvan wordt circa € 4 miljoen besteed aan een kenniscommunity. De kosten bestaan uit onder andere het bouwen van een website, het maken van een stappenplan en handreiking voor de schoolscan en het opzetten van een landelijke kenniscommunity. Circa € 6 miljoen wordt besteed aan de expertondersteuning aan scholen. De kosten hiervoor bestaan uit onder ander het opzetten van een helpdesk voor scholen en gemeenten, specifieke ondersteuning aan scholen en het organiseren van netwerkbijeenkomsten voor regionale kennisuitwisseling.

31

Waarom wordt er 10 miljoen euro aan extra apparaten voor mbo-studenten4 beschikbaar gesteld, terwijl mbo-instellingen al de verplichting hebben om dergelijke onderwijsbenodigdheden, hoewel deze eigendom blijven van onderwijsinstellingen, aan studenten beschikbaar te stellen?

Door de gevolgen van de coronacrisis hebben instellingen grootschalig moeten overgaan op afstandsonderwijs. Uit het JOB-panel van januari 2021 blijkt dat ruim een derde van de mbo-studenten extra kosten heeft moeten maken voor school door de coronacrisis, bijvoorbeeld voor extra apparaten. Instellingen mogen aan studenten vragen te beschikken over devices (zie servicedocument schoolkosten). Niet iedereen heeft echter de middelen om die extra kosten te maken. Bovendien zijn devices essentieel geworden voor studenten door het afstandsonderwijs. Daarom ondersteunt de regering mbo-instellingen in 2021 wederom met € 10 miljoen euro voor extra apparaten, zodat alle mbo-studenten mee kunnen doen aan onderwijs.

32

Wat is het huidige tekort van stageplekken op het middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs?

In het mbo is er per 20 mei 2021 een tekort van 12.209 stages en leerbanen, volgens SBB5.

Voor het ho geldt dat er geen cijfers beschikbaar zijn over de grootte van de tekorten van de stageplekken omdat dit niet wordt geregistreerd. De VH en de NFU geven wel aan dat er stagetekorten zijn, met name in de sectoren die getroffen worden door de coronacrisis (zoals in de zorg, evenementenbranche, toerisme en kunst). Om meer zicht te krijgen in de stageproblematiek, heb ik via de Beleidsmonitor HO een aanvullende enquête uitgezet over stages, praktijkonderwijs en coschappen. Ik verwacht in september 2021 de resultaten van de enquête te kunnen delen met de Kamer.

33

In hoeverre biedt de tegemoetkoming stagekosten een oplossing voor de stagetekorten die op dit moment spelen in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs?

Voor leerbanen (mbo) en leerwerkplekken (hbo) is er een tegemoetkoming beschikbaar voor bedrijven via de subsidieregeling praktijkleren. Via het Nationaal Programma Onderwijs is de subsidie per student opgehoogd waardoor naar verwachting het maximumbedrag van 2.700 euro wordt uitgekeerd per aanvraag. Ook zijn er in het Nationaal Programma Onderwijs voor het hbo extra middelen beschikbaar gesteld voor de sectoren techniek, ICT en gezondheidszorg. Werkgevers die leerwerkplekken bieden aan studenten uit deze opleidingssectoren, kunnen een extra subsidie ontvangen. Voor het mbo waren al middelen beschikbaar voor een extra subsidie voor de sectoren landbouw, horeca en recreatie. Via een eerder steunpakket zijn bovendien middelen beschikbaar voor een extra subsidie in (andere) contact- en conjunctuurgevoelige sectoren. De verhoging van de subsidie en de extra subsidie moeten het aantrekkelijker maken voor werkgevers om een leerwerkplek aan een bbl- of deeltijd/duaal-student aan te bieden.

Het aantal aanvragen voor 2021 zal in het najaar van 2021 bekend worden. De Kamer zal dan geïnformeerd worden middels een brief.

Daarnaast heeft het kabinet in het Nationaal Programma Onderwijs middelen vrijgemaakt om de stageproblematiek op het mbo, hbo en wo zorg aan te pakken. Voor het mbo werd in eerdere steunpakketten al extra middelen uitgetrokken voor een actieplan stages (en leerbanen), welke nu wordt verlengd. Hiermee wordt ingezet op het creëren van zoveel mogelijk stageplaatsen en het in beeld brengen van knelpunten. Het tekort aan stages kent meerdere oorzaken. In sommige sectoren is er een gebrek aan begeleidingcapaciteit, in andere sectoren kampen bedrijven met financiële problemen of werken de coronamaatregelen belemmerend. Middels het actieplan wordt geprobeerd zoveel mogelijk oplossingen te vinden voor deze problemen.

34

Wordt bij het ondersteunen van stagebedrijven extra steun verleend aan het midden- en kleinbedrijf (mkb)?

Via de subsidieregeling praktijkleren wordt aan leerbedrijven in het midden- en kleinbedrijf een subsidie geboden voor het aannemen van een bbl-student of een deeltijd/duaalstudent. Deze subsidie is met gelden van het Nationaal Programma Onderwijs opgehoogd tot naar verwachting het maximumbedrag van 2.700 euro wat wordt uitgekeerd per aanvraag, en en in een eerder herstelpakket is er reeds 10,6 miljoen euro per jaar aan toegevoegd voor mbo-sectoren die geraakt zijn door de contactbeperkende maatregelen.

Voor het hbo geldt dat er € 5,5 miljoen voor 2021 en 2022 extra wordt vrijgemaakt voor werkgevers die leerwerkplekken bieden aan studenten die een opleiding volgen in de sectoren techniek, ICT of gezondheidszorg.

35

Waarom is gekozen voor een korting van vijftig procent voor het komende cursusjaar in plaats van een tegemoetkoming voor achterstanden die daadwerkelijk zijn opgetreden? Is het logisch om korting te verlenen aan studenten die nog geen vertraging hebben opgelopen en waarom neemt de regering het risico dat studenten die vertraging hebben opgelopen om allerlei redenen telkens buiten de boot kunnen vallen als het gaat om compensatie?

Voor volgend studiejaar geldt dat iedereen die volgend jaar studeert vooraf een korting van 50% op het college-, les-, of cursusgeld krijgt. Dat geeft wat financiële ademruimte in deze moeilijke tijd. Het met terugwerkende kracht halveren van het les-, cursus- of collegegeld levert grote problemen op in de uitvoering door DUO en de instellingen. Veel studenten hebben namelijk al een deel, of het geheel van hun les-, cursus- of collegegeld betaald dit jaar. Daarbij ontvangen ook studenten die in studiejaar 2020/2021 afstuderen met vertraging een tegemoetkoming in de kosten. Het gaat om een bedrag van maximaal drie maanden les-, cursus- of collegegeld. Voor een bbl-student in het mbo betekent dat een eenmalige tegemoetkoming van € 150. Een bol-student in het mbo ontvangt € 300 en een ho-student € 535. Deze tijdelijke coronaregeling is begin dit jaar verlengd tot en met augustus 2021.

36

Kunt u nader uitleggen waarom het hoger beroepsonderwijs € 243,0 miljoen euro en het wetenschappelijk onderwijs € 156,0 miljoen euro ontvangen vanwege de grote groei van de studentenaantallen als de verwachte groei van de studenten in het wetenschappelijk onderwijs voor het komend studiejaar groter is en het hoger beroepsonderwijs juist een daling verwacht?

De bedragen voor hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs houden verband met het verschil tussen de geraamde en de gerealiseerde inschrijvingen op 1 oktober 2020. Dit verschil was in het hoger beroepsonderwijs groter dan in het wetenschappelijk onderwijs. De Vereniging Hogescholen en de VSNU hebben onlangs informatie over de voorlopige aanmeldcijfers bekendgemaakt. In het hoger beroepsonderwijs zijn die gedaald en in het wetenschappelijk onderwijs gestegen. Van aanmeldingen is pas na 1 oktober duidelijk hoeveel aanmeldingen zijn omgezet in een inschrijving. Na 1 december 2021 worden de daadwerkelijke aantallen studenten bekend en is duidelijk hoe de verwachte groei of daling zich tot de daadwerkelijke inschrijvingen verhoudt.

37

Hoe wordt de 8,3 miljoen euro voor organisatie, onderzoek, monitoring en uitvoering precies besteed?

Deze middelen zijn gebruikt voor acties op korte termijn ten behoeve van het opstarten van het nationaal programma, zoals: de uitvoeringskosten van de korte termijn subsidieregelingen; het opstarten van verschillende activiteiten rondom monitoring en evaluatie; en data-ontwikkeling. Voor het funderend onderwijs en voorschoolse educatie betreft het € 5,3 miljoen euro. Voor het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs betreft het € 3 miljoen.

38

Op welke «eventuele tegenvaller» op de studiefinancieringsraming6 sorteert deze suppletoire begroting al voor?

De eventuele tegenvaller waar naar verwezen wordt betreft de tegenvaller op de studiefinancieringsraming en deze is verwerkt in de 8e ISB. Deze tegenvaller is grotendeels het gevolg van grotere instroom van leerlingen en studenten.

39

Waarom komt de meevaller van ruim 10,4 miljoen euro in mindering op de 29 miljoen euro voor de verlenging van de nieuwkomersbekostiging?

Binnen het instrument Bekostiging wordt de totale bekostiging po met € 18,6 miljoen verhoogd. Dat komt enerzijds door de verhoging van de nieuwkomersregeling met € 29,0 miljoen, anderzijds door de aanpassing op de nieuwe raming van het aantal leerlingen. Doordat het aantal leerlingen afneemt t.o.v. de vorige raming ontstaat er een meevaller van € 10,4 miljoen.

40

Hoe wordt het opdrachtenbudget van 12,6 miljoen euro besteed? Gaat dit geld naar scholen of andere organisaties?

Dit opdrachtenbudget wordt besteed aan opdrachten die bijdragen aan het tot stand brengen van het Nationaal Programma Onderwijs zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van de menukaart, de kenniscommunity, de helpdesk, communicatiemiddelen en monitoring.

41

Hoe wordt het opdrachtenbudget van 12,6 miljoen euro besteed? Gaat dit geld naar scholen of andere organisaties?

Zie antwoord op vraag 40

42

Wat wordt er met de verhoging van de middelen voor organisatie, onderzoek, monitoring en uitvoering van een een 0,5 miljoen euro concreet gedaan aan arbeidsmarkt- en personeelsbeleid?

De middelen zijn bedoeld voor de regeling extra hulp voor de klas. Een groot deel van deze middelen gaat naar de uitvoering van de regeling door DUS-I en de monitoring en evaluatie van de regeling. Er wordt bekeken of de regeling bijdraagt aan de continuïteit van het onderwijs en daarmee het zoveel mogelijk voorkomen en terugdringen van achterstanden. Ook richt het monitorings- en evaluatieonderzoek zich op de regiovorming die in het po en vo vereist is voor het aanvragen van subsidie.


X Noot
1

Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s po, vo en mbo, subsidieperiode t/m 31 december 2021: https://wetten.overheid.nl/BWBR0043564/2021-04-15.

X Noot
2

Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve (voorschoolse educatie), subsidieperiode t/m 9 januari 2022: https://wetten.overheid.nl/BWBR0043598/2021-03-27.

X Noot
4

Mbo: middelbaar beroepsonderwijs.

X Noot
6

Kamerstuk 35 797.