Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 januari 2025
Tijdens de behandeling van het wetvoorstel vaststellingsprocedure staatloosheid in
de Eerste Kamer heeft mijn ambtsvoorganger, naar aanleiding van vragen van de toenmalige
leden Stienen (D66) en Talsma (ChristenUnie), toegezegd jaarlijks een rapportage op
te stellen van het aantal mensen (uitgesplitst in verschillende criteria als leeftijd,
geslacht en waar mogelijk land van herkomst) bij wie door deze wetgeving staatloosheid
is vastgesteld. Daarbij wordt tevens informatie meegenomen van de Nederlandse bestuursorganen
met betrekking tot eventuele problemen met de limitatieve opsomming van het begrip
evidente staatloosheid.
Het wetsvoorstel en het Besluit evidente staatloosheid (Bes) zijn op 1 oktober 2023
in werking getreden. De resultaten van de invoering van dit wettelijk instrument om
staatloosheid vast te stellen zijn tot nog toe mager. Er zijn in de periode 1 oktober
2023 tot heden 30 verzoeken binnen gekomen bij de rechtbank. In minder dan 10 gevallen
heeft de rechtbank inmiddels tot staatloosheid geconcludeerd. Een aantal verzoeken
is ingetrokken. In de overige zaken is nog geen uitspraak gedaan. Een uitsplitsing
naar leeftijd, geslacht en land van herkomst is nog niet gemaakt.
Indien uit het verzoek blijkt dat er sprake is van evidente staatloosheid, wordt contact
opgenomen met de betreffende gemeente, zodat de zaak waar mogelijk buiten rechte wordt
afgedaan.
Het is te vroeg om enige conclusie te kunnen trekken op grond van de nu beschikbare
gegevens.
Het Bes wordt met name uitgevoerd door de afzonderlijke gemeenten. Landelijke cijfers
van de mate waarin gebruik gemaakt wordt van deze wijze van vaststelling van staatloosheid
zijn er daarom niet. Grote problemen met de uitvoering lijken zich niet voor te doen.
Van de zijde van de gemeenten is slechts een gering aantal vragen binnengekomen die
betrekking hadden op de uitvoering van het Bes.
Er was een vraag over artikel 1, lid 1 onder a van het Bes (staatloosheid vastgesteld
in een ander land) over welke documenten als bewijs mogen worden gebruikt dat een
ander land staatloosheid heeft vastgesteld omdat het Besluit zelf dit niet nader toelicht.
Mijn opvatting is dat het moet gaan om een document dat is verstrekt door het vaststellende
orgaan van het desbetreffende land, oftewel het brondocument, waaruit de zorgvuldige
vaststelling blijkt.
Er zijn verschillende vragen geweest over artikel 1, lid 1, onder e (staatloos indien
uitsluitend in het bezit van de nationaliteit van een land dat Nederland niet erkent).
Het wordt als een gemis ervaren dat het Besluit niet toelicht welke landen door Nederland
niet worden erkend. Het is niet mogelijk hier een uitputtende lijst van te geven.
De benodigde informatie moet uit andere bronnen, waaronder de Handleiding bij de Rijkswet
op het Nederlanderschap worden gehaald.
Tenslotte is er in de praktijk discussie ontstaan over hoe vastgesteld kan worden
dat betrokkene uitsluitend in het bezit is van de Palestijnse nationaliteit. Hierover
vindt momenteel afstemming plaats tussen IND en het adviesbureau van de Nederlandse
Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) bij de gemeente Amsterdam.
In het belang van eenheid van beleid zijn er verschillende initiatieven ontplooid
op het gebied van samenwerking met gemeenten. Voorbeelden hiervan zijn:
-
– afstemming met de gemeenten Amsterdam over de passage in hun Handboek ten aanzien
van Palestijnen;
-
– afstemming met de NVVB over het up to date houden van hun ledenadvies betreffende
het Bes;
-
– deelname van de IND aan een regiocongres van de NVVB voor het geven van een presentatie
over de uitvoering van zowel de wet vaststellingsprocedure staatloosheid als het Bes;
-
– deelname van de IND aan de landelijke Expertgroep Staatloosheid, een initiatief vanuit
de gemeenten.
De Minister van Asiel en Migratie, M.H.M. Faber-Van de Klashorst