Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 35668 nr. N |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 35668 nr. N |
Vastgesteld 15 maart 2022
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 hebben kennisgenomen van de brief2 van 15 december 2021 van de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie in reactie op de brief met vragen van de commissie van 10 december 2021 inzake het (ontwerp)besluit houdende regels met betrekking tot vergoeding van schade van exploitanten van kolencentrales in verband met de beperking van de CO2-emissie. De leden van de PvdD-fractie hebben, mede namens de fracties van GroenLinks, PvdA en SP, naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding hiervan is op 25 januari 2022 een brief gestuurd aan de Minister voor Klimaat en Energie.
De Minister heeft op 15 maart 2022 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.
De waarnemend griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Van Luijk
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT / LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT
Aan Minister voor Klimaat en Energie
Den Haag, 25 januari 2022
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief3 van 15 december 2021 van de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (EZK) – Klimaat en Energie in reactie op de brief met vragen van de commissie van 10 december 2021 inzake het (ontwerp)besluit houdende regels met betrekking tot vergoeding van schade van exploitanten van kolencentrales in verband met de beperking van de CO2-emissie. De leden van de PvdD-fractie hebben, mede namens de fracties van GroenLinks, PvdA en SP, naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De antwoorden van de toenmalige Staatssecretaris van EZK – Klimaat en Energie in de brief van 15 december 2021 geven de leden van de PvdD-fractie aanleiding tot het stellen van een vervolgvraag die betrekking heeft op de voorzienbaarheid in het kader van de toepassing van het fair balance-beginsel van artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: artikel 1 EP EVRM). De toenmalige Staatssecretaris van EZK – Klimaat en Energie schrijft in de brief van 15 december 2021: «Voorzienbaarheid kan niet worden afgeleid uit de doelstelling uit zichzelf, wanneer de uitvoering van het Urgenda-vonnis met verschillende maatregelen kan worden gehaald.» Deze leden kunnen zich niet goed voorstellen dat deze overweging in het antwoord van de toenmalige Staatssecretaris van EZK- Klimaat en Energie betrekking heeft op het, in het kader van de toepassing van artikel 1 EP EVRM, gehanteerde criterium van de voorzienbaarheid in zijn algemeenheid. Weliswaar wordt door de bestuursrechter naar huidige rechtspraak bij toepassing van het nadeelcompensatie-recht vaak onderzocht of er een concrete beslissing van de overheid kan worden gevonden waarop de voorzienbaarheid kan worden gegrond. Echter is het goed mogelijk dat de bestuursrechter de opvatting zal huldigen dat zowel het akkoord van Parijs (2015) als het Urgenda-vonnis relevant moeten worden geacht voor het bepalen van een «fair balance», in het kader van artikel 1 EP EVRM, voor de voorzienbaarheid van klimaatmaatregelen waartoe dat akkoord en dat vonnis naar algemene verwachting redelijkerwijs zouden kunnen leiden. Deze leden nemen aan dat de toenmalige Staatssecretaris van EZK -Klimaat en Energie met zo een rechtsontwikkeling rekening heeft gehouden, maar dat die kwestie voor de vraag van de schadevergoeding waarop het besluit betrekking heeft door haar niet van toepassing werd geacht.
Zo beschouwd dient de hiervoor geciteerde passage uit het antwoord van de toenmalige Staatssecretaris van EZK – Klimaat en Energie beperkt te worden opgevat, namelijk in die zin dat de vraag of het Urgenda-vonnis tot voorzienbaarheid dient te leiden in het onderhavige geval buiten beschouwing kon blijven om de volgende reden. In een eerder stadium was de wet Verbod op kolen bij elektriciteitsproductie tot stand gekomen, waarbij op dat moment ook productiebeperkende maatregelen voor de overgangsfase in die wet hadden kunnen worden opgenomen. Dat is echter niet gebeurd. In het licht daarvan kan dan worden geoordeeld dat het later, bij wijziging van die wet, alsnog invoeren van die maatregelen niet tot het normale bedrijfsrisico mag worden gerekend. De leden van de PvdD-fractie vernemen graag of u de interpretatie van deze leden van het antwoord van de toenmalige Staatssecretaris van EZK- Klimaat en Energie onderschrijft.
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 18 februari 2022.
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR KLIMAAT EN ENERGIE
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 maart 2022
Hierbij zend ik u de antwoorden op de nadere vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het (ontwerp)besluit houdende regels met betrekking tot vergoeding van schade van exploitanten van kolencentrales in verband met de beperking van de CO2-emissie.
De Minister voor Klimaat en Energie, Jetten
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De antwoorden van de toenmalige Staatssecretaris van EZK – Klimaat en Energie in de brief van 15 december 2021 geven de leden van de PvdD-fractie aanleiding tot het stellen van een vervolgvraag die betrekking heeft op de voorzienbaarheid in het kader van de toepassing van het fair balance-beginsel van artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: artikel 1 EP EVRM). De toenmalige Staatssecretaris van EZK – Klimaat en Energie schrijft in de brief van 15 december 2021: «Voorzienbaarheid kan niet worden afgeleid uit de doelstelling uit zichzelf, wanneer de uitvoering van het Urgenda-vonnis met verschillende maatregelen kan worden gehaald.» Deze leden kunnen zich niet goed voorstellen dat deze overweging in het antwoord van de toenmalige Staatssecretaris van EZK – Klimaat en Energie betrekking heeft op het, in het kader van de toepassing van artikel 1 EP EVRM, gehanteerde criterium van de voorzienbaarheid in zijn algemeenheid. Weliswaar wordt door de bestuursrechter naar huidige rechtspraak bij toepassing van het nadeelcompensatie-recht vaak onderzocht of er een concrete beslissing van de overheid kan worden gevonden waarop de voorzienbaarheid kan worden gegrond. Echter is het goed mogelijk dat de bestuursrechter de opvatting zal huldigen dat zowel het akkoord van Parijs (2015) als het Urgenda-vonnis relevant moeten worden geacht voor het bepalen van een «fair balance», in het kader van artikel 1 EP EVRM, voor de voorzienbaarheid van klimaatmaatregelen waartoe dat akkoord en dat vonnis naar algemene verwachting redelijkerwijs zouden kunnen leiden. Deze leden nemen aan dat de toenmalige Staatssecretaris van EZK – Klimaat en Energie met zo een rechtsontwikkeling rekening heeft gehouden, maar dat die kwestie voor de vraag van de schadevergoeding waarop het besluit betrekking heeft door haar niet van toepassing werd geacht.
Zo beschouwd dient de hiervoor geciteerde passage uit het antwoord van de toenmalige Staatssecretaris van EZK – Klimaat en Energie beperkt te worden opgevat, namelijk in die zin dat de vraag of het Urgenda-vonnis tot voorzienbaarheid dient te leiden in het onderhavige geval buiten beschouwing kon blijven om de volgende reden. In een eerder stadium was de wet Verbod op kolen bij elektriciteitsproductie tot stand gekomen, waarbij op dat moment ook productiebeperkende maatregelen voor de overgangsfase in die wet hadden kunnen worden opgenomen. Dat is echter niet gebeurd. In het licht daarvan kan dan worden geoordeeld dat het later, bij wijziging van die wet, alsnog invoeren van die maatregelen niet tot het normale bedrijfsrisico mag worden gerekend. De leden van de PvdD-fractie vernemen graag of u de interpretatie van deze leden van het antwoord van de toenmalige Staatssecretaris van EZK- Klimaat en Energie onderschrijft.
Antwoord
In het kader van de toepassing van artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) kunnen voor de voorzienbaarheid van klimaatmaatregelen zowel de Overeenkomst van Parijs als het Urgenda-vonnis inderdaad een rol spelen. Ten aanzien van het verbod op kolen bij de elektriciteitsproductie zoals geregeld bij de Wet verbod op kolen bij de elektriciteitsproducties is aan de exploitanten van de kolencentrales een overgangsperiode tot 2030 geboden om een fair balance te verzekeren. Door de aanvullende maatregel van de tijdelijke productiebeperking wordt de mogelijkheid om te produceren gedurende die overgangsperiode aangetast en deze aantasting was niet voorzienbaar, waardoor om opnieuw een fair balance te verzekeren het verlenen van nadeelcompensatie is geboden. Dit wil niet zeggen dat wanneer de wettelijke productiebeperking al bij de totstandkoming van de Wet verbod op kolen bij de elektriciteitsproductie zou zijn geïntroduceerd, zou kunnen zijn volstaan met de overgangsperiode. De fair balance zou dan wellicht anders zijn geweest en er zou in dat geval wel degelijk sprake kunnen zijn geweest van een verplichting tot het bieden van nadeelcompensatie.
Samenstelling:
Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), Vendrik (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en N.J.J. van Kesteren (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35668-N.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.