Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135657 nr. 2

35 657 Wijziging van de Wet financiering politieke partijen in verband met de evaluatie van deze wet (Evaluatiewet Wfpp)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de financiële transparantie van politieke partijen te vergroten en buitenlandse financiering van Nederlandse politieke partijen te verbieden om buitenlandse beïnvloeding van de politieke besluitvorming en het democratische proces in Nederland tegen te gaan;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet financiering politieke partijen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel f vervalt «een instelling voor buitenlandse activiteiten als bedoeld in artikel 4».

2. In onderdeel h vervalt «erfstelling of legaat».

3. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door een puntkomma worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

l. schulden:

geldschulden van € 25.000 of meer, anders dan bestuursrechtelijke geldschulden als bedoeld in artikel 4:85 van de Algemene wet bestuursrecht of geldschulden die veertien dagen na de peildatum zijn voldaan;

m. lidstaat:

een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

n. Nederlandse gever:

een voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer kiesgerechtigde persoon of een in het Handelsregister ingeschreven rechtspersoon of onderneming, die een bijdrage verleent aan een politieke partij.

B

Artikel 4 vervalt.

C

In artikel 5, eerste lid, wordt «ten bate van een politieke partij activiteiten of werkzaamheden te verrichten en de partij daar kennelijk voordeel bij heeft,» vervangen door «ten bate van een politieke partij of een op de kandidatenlijst van een politieke partij geplaatste kandidaat activiteiten of werkzaamheden te verrichten en de partij of de kandidaat daar kennelijk voordeel bij heeft,».

D

In paragraaf 2 wordt voor artikel 7 een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

Deze paragraaf is niet van toepassing op een politieke partij als bedoeld in de artikelen 16 en 17.

E

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. een basisbedrag van € 309.506 per kamerzetel van de politieke partij een bedrag van € 91.413 en per lid van de politieke partij een bedrag dat gelijk is aan € 3.333.389 gedeeld door het totale aantal leden van de politieke partijen die op de peildatum subsidie ontvangen;

b. Onderdeel c, komt te luiden:

  • c. indien de politieke partij op de peildatum een politieke jongerenorganisatie heeft aangewezen als neveninstelling als bedoeld in artikel 3, een basisbedrag dat gelijk is aan € 209.394 gedeeld door het aantal politieke jongerenorganisaties die op de peildatum in aanmerking komen voor subsidie, een bedrag per kamerzetel van de politieke partij dat gelijk is aan € 680.531 gedeeld door het totale aantal kamerzetels van de politieke partijen die op de peildatum een politieke jongerenorganisatie hebben aangewezen en een bedrag per lid van de politieke jongerenorganisatie dat gelijk is aan € 157.046 gedeeld door het totale aantal leden van alle aangewezen politieke jongerenorganisaties.

c. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel c door een punt vervalt onderdeel d.

2. Het tweede en derde lid vervallen, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot tweede en derde lid.

3. In het tweede lid (nieuw) en derde lid (nieuw) wordt «het eerste, tweede en derde lid» vervangen door «het eerste lid».

Ea

Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. een basisbedrag van € 252.364 per kamerzetel van de politieke partij een bedrag van € 74.080 en per lid van de politieke partij een bedrag dat gelijk is aan € 2.733.389 gedeeld door het totale aantal leden van de politieke partijen die op de peildatum subsidie ontvangen;

F

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot derde lid.

2. In het derde lid (nieuw) wordt «bedoeld in het eerste tot en met derde lid» vervangen door «bedoeld in het eerste en tweede lid».

G

In artikel 10, tweede lid, vervalt de tweede zin.

H

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «ambtshalve aan met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand, volgend op die waarin de stemming plaatsvond» vervangen door «gedurende één kalenderjaar ambtshalve aan op de eerste dag van ieder kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de stemming plaatsvond».

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De aanpassing van de subsidie bedraagt elk kwartaal een vierde deel van het verschil tussen de subsidie die aan een politieke partij is verleend op basis van het oude aantal kamerzetels en de subsidie gebaseerd op het nieuwe aantal kamerzetels.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «het eerste lid» vervangen door «het eerste en tweede lid».

I

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «is verleend ambtshalve aan met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand, volgend op die waarin de stemming plaatsvond» vervangen door «aan de politieke partij is verleend gedurende één kalenderjaar ambtshalve aan op de eerste dag van ieder kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de stemming plaatsvond».

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De aanpassing van de subsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt elk kwartaal een vierde deel van het verschil tussen de subsidie die aan een politieke partij is verleend op basis van het oude aantal kamerzetels en de subsidie gebaseerd op het nieuwe aantal kamerzetels.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «het eerste lid» vervangen door «het eerste en tweede lid».

J

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste zin, vervalt «, en komt deze vereniging als politieke partij voor subsidie in aanmerking met ingang van het eerste kalenderjaar na het jaar waarin de splitsing heeft plaatsgevonden».

2. Het tweede en vierde lid vervallen, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

K

In artikel 17 vervalt «en aan deze politieke partij subsidie wordt verstrekt op basis van kamerzetels in de Eerste Kamer der Staten-Generaal».

L

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na «de naam en het adres van de gever» ingevoegd «. Indien de gever geen natuurlijke persoon is, tevens de naam en het adres van de uiteindelijk belanghebbende, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme».

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt na «bijdragen van» ingevoegd «een Nederlandse gever van».

M

In artikel 23, eerste lid, tweede zin, vervalt het tweede «dan».

N

Na artikel 23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 23a

  • 1. Een politieke partij ontvangt geen geldelijke bijdrage of bijdrage in natura van:

    • a. een gever die geen onderdaan is van een lidstaat;

    • b. een gever die onderdaan is van een lidstaat, niet zijnde Nederland, maar die zijn werkelijke woonplaats buiten een lidstaat heeft; of

    • c. een gever, zijnde een rechtspersoon, die geen zetel heeft in een lidstaat.

  • 2. Indien een politieke partij een geldelijke bijdrage als bedoeld in het eerste lid ontvangt, maakt zij dat bedrag over op de daartoe aangewezen rekening van Onze Minister.

  • 3. Indien een politieke partij een bijdrage in natura als bedoeld in het eerste lid ontvangt, maakt zij de tegenwaarde van die bijdrage over op de daartoe aangewezen rekening van Onze Minister of vernietigt zij de bijdrage.

  • 4. Een op grond van het tweede en derde lid overgemaakte bijdrage komt toe aan de Staat.

O

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt vóór «gever» ingevoegd «Nederlandse».

b. In onderdeel c vervalt «van € 25.000 of meer».

c. Onder verlettering van de onderdelen c en d tot d en e wordt na onderdeel b een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. een overzicht van alle bijdragen die de partij in dat kalenderjaar van een andere dan Nederlandse gever uit een lidstaat heeft ontvangen, met daarbij de gegevens die op grond van artikel 21, eerste lid, zijn geregistreerd;

2. In het tweede en derde lid wordt «onder b en c» vervangen door «onder b tot en met d».

3. Het vierde en vijfde lid komen te luiden:

  • 4. Onze Minister maakt de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, tezamen met het financieel verslag, het activiteitenverslag en de overzichten, genoemd in het eerste lid, onder b tot en met d, openbaar. Persoonsgegevens die in deze bescheiden voorkomen, worden door Onze Minister maximaal tien jaar bewaard.

  • 5. Van de gegevens over het adres van een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, wordt uitsluitend de woonplaats openbaar gemaakt. Op verzoek van een politieke partij blijft in het overzicht, genoemd in het eerste lid, onder b en c, openbaarmaking van de gegevens over de naam en de woonplaats van de gever, zijnde een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, achterwege, indien dit naar het oordeel van Onze Minister gelet op het belang van de veiligheid van die persoon of belanghebbende is aangewezen.

Oa

In artikel 27, eerste lid, wordt «onder b en c» vervangen door «onder b tot en met d».

P

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt vóór «gever» ingevoegd «Nederlandse».

b. In onderdeel b vervalt «van € 25.000 of meer».

c. Na onderdeel a wordt onder verlettering van onderdeel b tot c een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. alle bijdragen die de partij in een kalenderjaar van een andere dan Nederlandse gever uit een lidstaat heeft ontvangen, met daarbij de gegevens die op grond van artikel 21, eerste lid, zijn geregistreerd;

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Onze Minister maakt het overzicht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de zevende dag voor de dag van de stemming, openbaar. Van de gegevens over het adres van een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, wordt uitsluitend de woonplaats openbaar gemaakt. Op verzoek van een politieke partij blijft in het overzicht, genoemd in het eerste lid, onder a en b, openbaarmaking van de gegevens over de naam en de woonplaats van de gever, zijnde een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, achterwege, indien dit naar het oordeel van Onze Minister gelet op het belang van de veiligheid van die persoon of belanghebbende is aangewezen. Artikel 25, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. Persoonsgegevens die in het overzicht voorkomen, worden door Onze Minister maximaal tien jaar bewaard.

Q

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «van een gever in een kalenderjaar bijdragen heeft ontvangen van in totaal € 4.500 of meer» vervangen door «in een kalenderjaar van een Nederlandse gever bijdragen van in totaal € 4.500 of meer of van een andere dan Nederlandse gever uit een lidstaat een bijdrage van meer dan € 0 heeft ontvangen», en wordt «is artikel 23» vervangen door «zijn de artikelen 23 en 23a».

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Onze Minister maakt het overzicht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de zevende dag voor de dag van stemming, openbaar. Van de gegevens over het adres van een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, wordt uitsluitend de woonplaats openbaar gemaakt. Op verzoek van een politieke partij blijft in het overzicht openbaarmaking van de gegevens over de naam en de woonplaats van de gever, zijnde een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, achterwege, indien dit naar het oordeel van Onze Minister gelet op het belang van de veiligheid van die persoon of belanghebbende is aangewezen. Artikel 25, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. Persoonsgegevens die in het overzicht voorkomen, worden door Onze Minister maximaal tien jaar bewaard.

Qa

In paragraaf 3 wordt na artikel 29 een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 29a

Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming kan Onze Minister in het kader van de uitvoering van de artikelen 21, 25, 28, 29, 30 en 32 van deze wet, bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in paragraaf 3.1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming verwerken.

R

Artikel 30 komt te luiden:

Artikel 30

  • 1. Op een neveninstelling van een politieke partij zijn de artikelen 21, 23, 23a en 28 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Voor 1 juli van elk kalenderjaar zendt een neveninstelling van een politieke partij aan Onze Minister een overzicht van:

    • a. de bijdragen van in totaal € 4.500 of meer die in het voorafgaande kalenderjaar van een Nederlandse gever zijn ontvangen, met daarbij de gegevens die op grond van artikel 21, eerste lid, zijn geregistreerd.

    • b. alle bijdragen die in het voorafgaande kalenderjaar van een andere dan Nederlandse gever uit een lidstaat zijn ontvangen, met daarbij de gegevens die op grond van artikel 21, eerste lid, zijn geregistreerd.

    • c. de schulden, met daarbij de gegevens die op grond van artikel 21, derde lid, zijn geregistreerd.

    • d. de schriftelijke verklaring van de accountant, bedoeld in het vierde lid.

  • 3. Voor de toepassing van artikel 1, eerste en tweede lid, kan registratie achterwege blijven van bijdragen van de politieke partij.

  • 4. De neveninstelling geeft opdracht tot onderzoek van het overzicht aan een accountant. De accountant onderzoekt of het overzicht voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het overzicht.

  • 5. Onze Minister maakt het overzicht openbaar. Van de gegevens over het adres van een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, wordt uitsluitend de woonplaats openbaar gemaakt. Op verzoek van een politieke partij blijft in het overzicht, genoemd in het tweede lid, onder a en b, openbaarmaking van de gegevens over de naam en de woonplaats van de gever, zijnde een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, achterwege, indien dit naar het oordeel van Onze Minister gelet op het belang van de veiligheid van die persoon of belanghebbende is aangewezen. Artikel 25, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. Persoonsgegevens die in het overzicht voorkomen, worden door Onze Minister maximaal tien jaar bewaard.

S

In artikel 31, eerste lid, wordt na «23» ingevoegd «, 23a,».

T

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «van een gever in een kalenderjaar bijdragen heeft ontvangen van in totaal € 4.500 of meer» vervangen door «in een kalenderjaar van een Nederlandse gever bijdragen van in totaal € 4.500 of meer of van een andere dan Nederlandse gever uit een lidstaat een bijdrage van meer dan € 0 heeft ontvangen», en wordt «is artikel 23» vervangen door «zijn de artikelen 23 en 23a».

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Onze Minister maakt het overzicht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de zevende dag voor de dag van stemming, openbaar. Van de gegevens over het adres van een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, wordt uitsluitend de woonplaats openbaar gemaakt. Op verzoek van een politieke partij blijft in het overzicht openbaarmaking van de gegevens over de naam en de woonplaats van de gever, zijnde een natuurlijke persoon of een uiteindelijk belanghebbende, achterwege, indien dit naar het oordeel van Onze Minister gelet op het belang van de veiligheid van die persoon of belanghebbende is aangewezen. Artikel 25, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. Persoonsgegevens die in het overzicht voorkomen, worden door Onze Minister maximaal tien jaar bewaard.

U

In artikel 35 komen het derde en vierde lid te luiden:

  • 3. Niet voor benoeming in aanmerking komt degene die in de periode van vier jaar voorafgaand aan het vervullen van de vacature een van de volgende ambten heeft bekleed:

    • a. lid van de Staten-Generaal,

    • b. minister;

    • c. staatssecretaris;

    • d. lid van het Europees Parlement;

    • e. lid van de Europese Commissie;

    • f. lid van provinciale staten;

    • g. commissaris van de Koning;

    • h. gedeputeerde;

    • i. lid van de raad van een gemeente;

    • j. burgemeester;

    • k. wethouder;

    • l. lid van de eilandsraad van Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

    • m. Rijksvertegenwoordiger voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

    • n. gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

    • o. eilandgedeputeerde van Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

    • p. lid van het algemeen bestuur of van het dagelijks bestuur van een waterschap.

  • 4. De commissie heeft tot taak Onze Minister te adviseren over de toepassing en het toezicht op de naleving van deze wet.

V

In artikel 36, eerste lid, wordt na «23,» ingevoegd «23a,».

W

In artikel 37, eerste lid, wordt na «23, eerste lid,» ingevoegd «23a, eerste, tweede en derde lid,».

X

Artikel 45 komt te luiden:

Artikel 45

  • 1. Artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 is niet van toepassing op krachtens paragraaf 2 van deze wet verstrekte subsidies.

  • 2. Onze Minister zendt vijf jaar na de inwerkingtreding van de Evaluatiewet Wfpp en vervolgens iedere vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de paragrafen 2 tot en met 5 van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL II

Artikel I, onderdelen L, O, P, Q, R en T, van deze wet zijn voor het eerst van toepassing op het subsidiejaar dat volgt op het kalenderjaar waarin deze wet in werking treedt.

ARTIKEL III

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van artikel I, onderdeel E, onder 1, onderdeel a, en onderdeel Ea.

  • 2. Artikel I, onderdeel E, onder 1, onderdeel a, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2020.

  • 3. Artikel I, onderdeel Ea, treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.

ARTIKEL IV

Deze wet wordt aangehaald als: Evaluatiewet Wfpp.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,