Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135655 nr. 12

35 655 Initiatiefnota van het lid Diertens over een gezonde leefstijl

Nr. 12 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 maart 2021

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 10 februari 2021 overleg gevoerd met de heer Blokhuis, Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, over:

  • de initiatiefnota van het lid Diertens d.d. 2 december 2020 over een gezonde leefstijl (Kamerstuk 35 655);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 2 februari 2021 inzake reactie op de initiatiefnota van het lid Diertens over een gezonde leefstijl (Kamerstuk 35 655, nr. 3).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Lodders

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Esmeijer

Voorzitter: Laan-Geselschap

Griffier: Heller

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bolkestein, Diertens, Van Esch, Van Gerven, De Groot, Jansen, Kuik, Laan-Geselschap en Renkema,

en de heer Blokhuis, Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Aanvang 12.02 uur.

De voorzitter:

Het is iets over 12.00 uur in deze prachtige zaal. Het is de een na laatste dag voor het reces. Ik had mijzelf voorgenomen in deze periode in ieder geval één keer in deze zaal te mogen vergaderen. Dat is me gelukt. Ik vind het echt uniek als ik mij realiseer wat er ooit allemaal al in deze zaal gezegd is. Ondanks het feit dat er nu een veelkleurig tapijt ligt, blijft het een heel indrukwekkende zaal. Ik ben hier als kind een keer geweest toen ik op tienertoer ging om te kijken hoe de politiek er in het echt uitzag.

Van harte welkom aan collega Diertens, die vandaag haar initiatiefnota aan u gaat presenteren. U heeft de mogelijkheid om daarop te reageren. Staatssecretaris Blokhuis is hier in de rol van adviseur namens het kabinet over wat vandaag voorligt. Voor de mensen thuis, er is een aantal collega's van verschillende partijen aanwezig: de heer De Groot van D66, mevrouw Kuik van het CDA, de heer Bolkestein van de VVD, de heer Jansen van de PVV, mevrouw Van Esch van de Partij voor de Dieren, de heer Renkema van GroenLinks en de heer Van Gerven van de SP.

U heeft vrijdag een mailtje ontvangen van de griffie waarin onze manier van werken bij een initiatiefnota nogmaals aan de orde is geweest. Een aantal van u heeft er vanochtend ook al eentje meegemaakt. De initiatiefnota staat op de planning. We krijgen eerst uw inbreng, vervolgens de inbreng van de initiatiefnemer en daarna die van de bewindspersoon. Daarna is de tweede termijn. Mijn voorstel is, gezien het aantal beslispunten, om één interruptie in tweeën per persoon toe te staan. Mocht er heel veel tijd over zijn, dan gaan we daar ruimte in creëren. Dat lijkt me logisch. Als u kunt instemmen met deze gang van zaken, zou ik willen beginnen met de vergadering.

De heer De Groot van D66.

De heer De Groot (D66):

Dank u wel, voorzitter, en dank aan indienster en collega Diertens, die deze mooie nota heeft geschreven. Die is actueel als nooit tevoren als je kijkt naar corona. We wisten al dat de helft van de mensen overgewicht heeft, maar als je ook nog bedenkt dat drie van de vier mensen die op de ic liggen ook overgewicht hebben, dan onderstreept dat alleen maar het belang ervan dat we na deze coronacrisis fundamenteel moeten nadenken over gezondheid in deze samenleving. Het is heel goed dat collega Diertens van D66 ambitieuzer is dan het huidige preventiebeleid van de regering, omdat we echt toe willen naar een gezonde maatschappij, niet alleen als het gaat om onze voeding maar ook om onze leefstijl, beweging en natuurlijk de scholen, zeg ik daar als D66'er bij.

In verband met de korte spreektijd heb ik een paar concrete vragen aan de regering. Beslispunt 2 legt bloot dat wat de Minister van Infrastructuur of die van Landbouw doet, gevolgen kan hebben voor de gezondheid van veel Nederlanders. Er zijn veel voorbeelden. Daarom de vraag: waarom kan er niet één Minister de taak van gezondheidsbescherming op zich nemen en een oogje in het zeil houden?

Beslispunt 3 stelt voor een nationaal rapporteur in te stellen, zodat de mooie initiatieven, die er ook echt zijn, een vlucht gaan nemen in Nederland. Als dat niet gebeurt, waarom niet, en hoe kan er dan gerapporteerd worden? Kan de Staatssecretaris toezeggen of een dergelijke rapporteur van toegevoegde waarde is?

Dan iets over gezonde en eerlijke voeding. De nota staat boordenvol suggesties, zoals iets over de productsamenstelling bij beslispunt 10. Ik vraag het kabinet hoe wij kunnen zorgen voor een eerlijk speelveld. Want ketchup van merk A doet z'n best om de suikers te verlagen, maar merk B doet niet mee en dus is zijn ketchup lekkerder in de ogen van de consument. Is de Staatssecretaris bereid te vragen aan de goede jongens van de klas wat zij nodig hebben van ons?

Tot slot moet de overheid zelf het goede voorbeeld geven. Beslispunt 17 voorziet daarin. Kunnen we, nu iedereen toch thuiswerkt, een reset doen in de bedrijfskantines van de overheid, zodat 80% van de keuzes in deze kantines gezond en duurzaam is? Dat is veel sneller dan het kabinet wil.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Van Esch.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik dacht: ik laat de heer De Groot even uitpraten. In het begin zei hij dat D66 ambitieuzer is dan deze Staatssecretaris, als hij de initiatiefnota zo leest. De Staatssecretaris gaf vorige week aan graag een voorstel uit te willen werken om fastfoodketens te weren uit gemeentes. Hij gaf een ingediende motie daarover zelfs oordeel Kamer. Hij gaf aan daar graag aan te willen werken. Mij verbaasde het dat D66 daar gisteren tegenstemde. Ik ben wel benieuwd, omdat u zegt ambitieuzer te zijn dan deze Staatssecretaris. Dat is op dit punt in ieder geval niet het geval. Ik ben benieuwd of u dat kunt toelichten, want de ambitie om fastfoodketens te weren is er dus niet bij D66?

De voorzitter:

Een korte interruptie was dat. Meneer De Groot.

De heer De Groot (D66):

Dat is een heel terechte vraag. We hebben daar ook een discussie over gehad in de fractie. Die heeft besloten dat we niet die motie gaan steunen. Ik kan het niet mooier maken. Ik geef u ook eerlijk toe dat daar echt een discussie over is. Wat ga je nou als overheid doen? Hoever kun je gaan? Het moet ook een effectief instrument zijn. De gedachtevorming is dus niet gestopt met deze motie. Ik zou ook zeker zeggen: laten we de discussie voortzetten en laten we nog eens kijken of we gezamenlijk iets kunnen doen. Maar op dit moment was de formulering van de motie een stap te ver. Helaas, zeg ik erbij.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Volgens mij is dit precies het verschil tussen de Partij voor de Dieren en D66, in dat opzicht, en hoef ik er verder geen vragen aan te wijden. Ik hoop dat er bij een volgende periode meer ambitieuze D66'ers op preventiebeleid zullen zitten. Dan kunnen we deze motie nog een keer indienen.

De heer De Groot (D66):

Nee, voorzitter. Er is een groot verschil tussen de Partij voor de Dieren en D66. Dat is dat D66 met anderen samenwerkt om met voorstellen die uiteindelijk ook gaan werken, de wereld stap voor stap een stukje beter te maken. De Partij voor de Dieren blijft aan de zijlijn staan, met misschien de allerbeste voorstellen, maar het moet wel gaan werken.

De voorzitter:

Dank u wel. De laatste twee dagen voor het reces, ik zei het al: gezellig. Ik hou ervan. We gaan naar het CDA, naar de inbreng van mevrouw Kuik. Gaat uw gang.

Mevrouw Kuik (CDA):

Voorzitter. Allereerst mijn complimenten voor mijn collega Diertens voor haar werk en haar betrokkenheid op het onderwerp leefstijlpreventie. De afgelopen jaren hebben wij fijn samengewerkt en met de coalitie stappen gezet met het Preventieakkoord om gezondheid voorop te zetten. We hebben doelen gesteld en geprobeerd die te behalen. De urgentie van preventie is natuurlijk heel helder, zeker nu in coronatijd. De heer De Groot zei het al: overgewicht en obesitas leiden tot een ernstiger ziekteverloop van COVID-19. We moeten dus ook zo spoedig mogelijk die leefstijlcampagne starten. Ik vraag de Staatssecretaris: hoe staat het daarmee? Want we weten dat het al binnen een paar weken resultaat op kan leveren voor mensen.

Voorzitter. Ik pik even een paar punten uit de nota van mevrouw Diertens. Ik noem het punt groente en fruit en de vraag wat je kunt met de btw. We hebben gezien dat dat niet het beste instrument is. De Staatssecretaris wil verkennen wat een uitvoerbaar instrument zou kunnen zijn om de prijs op gezonde voeding voor de consument te verlagen. Kan de Staatssecretaris al aangeven in welke richting hij denkt?

Dan punt 13. Mevrouw Diertens geeft aan: de sociale media worden eigenlijk uitgezonderd van die Reclame Code Commissie. Het CDA vindt daar ook wat van. We moeten jongeren daarin gewoon beter beschermen, want je kunt wel zeggen «je mag pas als je dertien bent een account», maar dat is niet de praktijk. Dus mijn vraag aan mevrouw Diertens: hoe ziet zij het voor zich dat wij die jongeren kunnen gaan beschermen op dit punt van de sociale media?

Dan punt 25, een voorstel om in curricula van mbo-opleidingen Sport en Bewegen aandacht te geven aan die gezonde leefstijl in relatie tot sport. De vraag is: in hoeverre gebeurt dat al en is het makkelijk om daar nu een titel aan te geven? Het lijkt mij in ieder geval belangrijk om dit punt onder de aandacht te brengen, want bewegen, sport en voeding staan in relatie tot elkaar.

Voor het CDA is de openbare ruimte natuurlijk ook iets wat voor beïnvloeding zorgt, dus instrumenten geven aan gemeenten om fastfood te weren als er een disbalans bestaat, vinden wij belangrijk.

Tot slot ...

De voorzitter:

Dit was al uw slot.

Mevrouw Kuik (CDA):

En dit was mijn slot.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Bolkestein van de VVD.

De heer Bolkestein (VVD):

Het is wel kort allemaal, hè?

Dank u wel, voorzitter. Ik wilde beginnen met de initiatiefneemster hartelijk te bedanken voor de, in ons geval vrij korte, maar wel heel plezierige samenwerking. Ik wil ook complimenten maken voor een uitstekende nota, waar we het inhoudelijk niet per se altijd mee eens zijn. Maar de drive die erin zit om de gezondheid in Nederland te verbeteren dragen we een warm hart toe. Je ziet de passie eraan af.

Ik heb alleen maar vragen aan de initiatiefneemster, niet per se aan de Staatssecretaris. In een vorig debat hebben wij al genoemd de verhouding die wij zien tussen individu, bedrijfsleven en overheid: de drie partijen die met elkaar samenwerken vanwege de gezondheid van het individu. Nu gaat die nota natuurlijk veel in op de rol van de overheid. Ik zou graag willen weten hoe de initiatiefneemster de rol van het individu zelf en van het bedrijfsleven ziet. Ze noemt met name één of twee keer de rol van verzekeraars. Kan ze misschien nog wat toelichten wat de verzekeraar meer zou kunnen doen, hoever die verzekeraar zou mogen gaan om mensen aan te moedigen, te nudgen of financieel te belonen en hoe dat in de praktijk zou gaan bij het bevorderen van een gezonde leefstijl?

Over het algemeen vinden wij de stap van «het is slecht voor de mens» naar «de overheid moet ingrijpen» iets te snel gemaakt. Dat gaat op voor tal van punten. Er zijn 29 beslispunten. Die stap wordt wel heel snel gemaakt. Ja, suiker kan slecht voor je zijn, maar de stap naar «de overheid moet het belasten», «de overheid moet het reguleren» of «de overheid moet het verbieden» vinden wij wel heel snel gemaakt. Waar ligt voor de initiatiefneemster de grens? Hoever gaat wat u betreft de overheid straks ingrijpen bij het «in de koekjesfabriek staan», zoals ik het de vorige keer zei, om de receptuur voor de koekjes aan te passen?

Tot slot. Mensen die voor zichzelf kunnen zorgen, kunnen die taak best aan. Dat geldt ook voor hun gezondheid. Wat voor taak ziet de initiatiefneemster daarbij voor de overheid? Hoe moeten mensen daarbij worden geholpen? Met name vraag ik dat op het punt van sport. Dat is een passie van de initiatiefneemster. Wat kan de overheid doen om sport een integraal deel te maken van het leven van met name jongeren, op scholen en kinderdagverblijven? Er zijn een paar voorbeelden genoemd, maar ik krijg graag wat meer toelichting.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bolkestein. U heeft nog een interruptie van de heer Renkema.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik sluit even aan bij dat debat van vorige week. De heer Bolkestein van de VVD noemt ook vanmiddag het individu, de overheid en het bedrijfsleven. Het lijkt alsof zij in een soort gelijkwaardige rol zitten als het gaat over het bevorderen van gezond gedrag. Hoe ziet hij precies de rol van het individu in relatie tot de keuzes die mensen maken, vaak vanuit sociaaleconomische achterstanden en beïnvloeding door de voedingsindustrie? Het lijkt erop dat de VVD zegt: het begint eigenlijk gewoon met de keuze die iemand individueel maakt en het bedrijfsleven en de overheid moeten daar afstand van houden. Klopt dat?

De heer Bolkestein (VVD):

Nou, wij vinden het individu ... Je bent zelf de enige die iets kan doen aan je gewicht. Als je op de weegschaal staat, kijk je naar jezelf. Je kunt die verantwoordelijkheid voor sporten en voor gezond eten niet op de overheid afwentelen. De overheid kan die verantwoordelijkheid ook niet pakken; die kan niet voor mensen gaan hardlopen of voetballen. Dus wat dat betreft is het uiteindelijk altijd het individu zelf dat zorgt voor zijn gezondheid. De overheid kan iemand daarbij ondersteunen. Maar de vraag is met name: waarom kunnen sommige mensen die verantwoordelijkheid wel aan en andere niet? U noemt zelf de sociaaleconomische status en de achtergrond van mensen. Wat kan de overheid daar vooral voor doen? Er was één rapport bijgesloten dat uitleg gaf over de correlatie met schulden, huisvestingsproblemen en werk. De overheid moet voor die kerntaken zorgen. Als de financiële problemen van mensen zijn opgelost en als de overheid ervoor zorgt dat er genoeg woonruimte is en mensen een baan hebben, zijn mensen al een stuk beter in staat om voor zichzelf te zorgen.

De voorzitter:

De tweede interruptie van de heer Renkema.

De heer Renkema (GroenLinks):

Het centraal stellen van het individu volg ik, vanuit het liberale mensbeeld van de VVD. Ik denk ook dat je veel mag verwachten van keuzes die mensen zelf maken. Tegelijkertijd is het niet zo – daar zijn natuurlijk voldoende voorbeelden van – dat elk individu in staat is, of in staat wordt gesteld, om die keuzes ook op een goede en verantwoordelijke manier te maken. Ik noem maar even het voorbeeld dat in deze notitie staat, namelijk dat de voedselindustrie heel goed in staat is om jongeren, zelfs kinderen, te bereiken met marketing. Dat is een invloed...

De voorzitter:

Een korte interruptie, meneer Renkema.

De heer Renkema (GroenLinks):

Dat is een invloed van het bedrijfsleven. Hetzelfde geldt voor mensen die minder te besteden hebben. Mensen met een laag inkomen maken over het algemeen de minst gezonde keuzes. Daar is heel veel onderzoek naar gedaan. Ik vraag dus toch om enige relativering van die rol van het individu, want de omgeving bepaalt erg veel bij de keuzes die mensen maken.

De heer Bolkestein (VVD):

Ik vind dat het bedrijfsleven daar zijn verantwoordelijkheid in moet nemen. Als dat niet genoeg gebeurt – op sommige punten is dat zo – dan mag de overheid het bedrijfsleven daarop aanspreken.

De heer Van Gerven (SP):

Wat kan de wereld toch heerlijk eenvoudig zijn. «Je gaat op een weegschaal staan en dan zie je jezelf, dus het ligt aan het individu», als ik de inbreng van de heer Bolkestein zo mag parafraseren. Maar kan hij aan mij uitleggen hoe die gezondheidsverschillen tussen rijk en arm tot stand komen? Neem het feit dat armere mensen zeven jaar korter leven, of dat zij vijftien jaar lang in minder goede gezondheid leven. Is dat gewoon de stommiteit van die mensen zelf?

De heer Bolkestein (VVD):

Ik wou dat ik dat kon uitleggen, maar het antwoord daarop is: nee, dat kan de VVD niet uitleggen. Dat is ook niet eenvoudig uitgelegd. Ik wou de vraag dan ook terugleggen.

De voorzitter:

Meneer Van Gerven, heeft u bij dezen gelijk uw tweede interruptie?

De heer Van Gerven (SP):

Het was een kort, nietszeggend antwoord. U kunt de gezondheidsverschillen tussen rijk en arm niet verklaren, zegt u. Maar aan de andere kant zegt u: het is wel «eigen schuld, dikke bult», want je bent zelf verantwoordelijk voor wat je doet. Ik kan dat niet rijmen. Zou het toch niet zo zijn dat ongezonde omstandigheden de oorzaak ervan zijn dat mensen ongezonder zijn, en minder lang in goede gezondheid leven?

De heer Bolkestein (VVD):

Het is een te eenvoudige voorstelling van zaken dat een lage sociaaleconomische status op zichzelf ongezond zou zijn en dat gezond leven duur zou zijn. Het is niet waar dat appels duurder zijn dan Marsrepen. Het is niet waar dat sperziebonen duurder zijn dan patat. Het is dus niet zo simpel als dat gezondheid te duur is voor sommige mensen. Die implicatie zou ik dus ook niet willen overnemen.

De voorzitter:

Dank u wel. Verder zijn er geen interrupties. Dan gaan we naar meneer Jansen van de PVV.

De heer Jansen (PVV):

Dank u wel, mevrouw Diertens, voor uw initiatiefnota.

Voorzitter. Gezondheid en gezonde leefstijl zijn hot. Steeds meer mensen hebben last van overgewicht of bewegen te weinig. Ondanks alle preventieve gezondheidsprojecten van de overheid, is het aantal mensen met obesitas niet afgenomen. Bij het Preventieakkoord hebben wij al aangegeven dat er vooral gepraat wordt óver mensen met bijvoorbeeld overgewicht, maar niet mét deze mensen. Beleid om gezondheid te bevorderen werkt inderdaad pas als het de mensen bereikt die het het meeste nodig hebben. De indiener stelt dit zelf ook in haar initiatiefnota. Het lijkt niet het geval. Wij zien geen oplossing in de vorm van een nationaal rapporteur gezond leven. Ook zien wij niet hoe uitbreiding van het takenpakket van de Minister ervoor gaat zorgen dat deze mensen hun leefstijl gaan aanpassen.

De initiatiefneemster wil mensen het belang van een goede leefstijl laten inzien zonder daarbij te betuttelen. Ze komt met voorstellen die bepalen waar en hoe supermarkten hun producten moeten plaatsen, en met aandacht voor zaken als met plezier en aandacht samen eten, kookkunsten ontwikkelen of de dag zo indelen dat er tijd is om met elkaar van eten te genieten. Tevens wil zij reclame beperken, wil zij dat maximaal 20% van de aanbiedingen is gericht op producten buiten de Schijf van Vijf en wil zij 80% duurzaam en gezond eten in kantines. Dit is dus: betutteling.

Veel te vaak worden maatregelen of methoden doorgevoerd zonder dat de effectiviteit ervan vaststaat. Zo wordt er bijvoorbeeld nog getwijfeld aan de werking van het voedsellogo, maar toch komt het er. Er zijn vele maatregelen en behandelingen waarvan de werking onduidelijk is, die vervolgens toch worden doorgevoerd. Uiteindelijk blijkt vaak dat ze niet werken en dat het aantal mensen met overgewicht toch niet afneemt. We zitten wat mij betreft dus niet op het goede spoor.

Voorzitter. Mensen worden inderdaad beïnvloed door de voedselomgeving, het aanbod en de marketing van de industrie, supermarkten, horeca, kantines of social media. Mensen maken hierin hun eigen keuze, gezond of ongezond. De kracht zit wat de PVV betreft vooral in de mensen zelf. Zij gaan pas veranderen als zij het echt willen. Dan houden zij het vaak ook vol. Een juiste voorlichting over een gezonde leefstijl is belangrijk zodat mensen uiteindelijk zelf een betere keuze kunnen maken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie geen interrupties. Dan gaan we naar mevrouw Van Esch van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Dank u, voorzitter. Eerst uiteraard ook mijn complimenten en dank aan collega Diertens voor haar initiatiefnota over een gezonde leefstijl. Ieder initiatief om gezondheidsbevordering op de agenda te zetten, is wat de Partij voor de Dieren betreft winst.

Voorzitter. We zijn het er in de Tweede Kamer volgens mij allemaal over eens dat gezondheidsbevordering ziekten voorkomt, zorgkosten bespaart en ons beter beschermt tegen corona, wat al genoemd is. Wat ons betreft ligt hier nu de politieke vraag voor hoever partijen bereid zijn te gaan om hiervoor de gevestigde belangen te weerstaan en wettelijk en fiscaal in te grijpen in de ongezonde leefomgeving.

Met die bril heb ik dan ook naar deze initiatiefnota gekeken. Ik denk dat ik daarmee vooral wat verschillen tussen de Partij voor de Dieren en D66 ga benadrukken. De nota van D66 draait hier en daar wel aan knoppen, maar wat ons betreft blijft de ongezonde leefomgeving intact. Concrete beslispunten zijn wat ons betreft toch nog wel echt te vrijblijvend en toch nog steeds gericht op afspraken met de industrie, met supermarkten en met verzekeraars. Wat ons betreft bevat de nota te weinig afdwingbare maatregelen, die wat ons betreft echt nodig zijn om verder te kunnen met dit belangrijke thema, wat we wel zullen moeten.

Ik pik er een paar punten uit. D66 wil de btw op groente en fruit pas verlagen als uit onderzoek blijkt dat dit praktisch haalbaar is. Het verhogen van de btw was voor D66 aan het begin van deze kabinetsperiode in no time praktisch haalbaar, maar naar verlaging moeten we opnieuw onderzoek doen. D66 wil pas wettelijk vastleggen hoeveel zout, suiker en vet er in producten mag zitten als afspraken met producenten niet werken. De afgelopen kabinetsperiode is wat ons betreft grotendeels verloren gegaan door afspraken te maken met de industrie. Die blijft vanwege het tegenovergestelde belang constant zoeken naar een middenweg, maar dat levert niks op. Er wordt alleen maar gekeken naar winstmaximalisatie, en dat gaat echt de volksgezondheid niet bevorderen.

Ik heb nog een laatste punt en dan rond ik af, voorzitter.

De voorzitter:

U bent al over de twee minuten heen.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik wilde met een compliment aan mevrouw Diertens afsluiten, maar dat bewaar ik dan voor een interruptie.

De voorzitter:

Voor positivisme is altijd tijd.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Nu heb ik alleen twee verschillen benoemd, maar er is ook nog een heel mooi punt dat ik graag wilde benadrukken. Dat doe ik straks alsnog van harte.

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer Jansen. Misschien creëert dat een mogelijkheid. Eerst de heer Jansen en daarna de heer De Groot.

De heer Jansen (PVV):

Ik ben heel benieuwd naar het standpunt van mijn collega van de Partij voor de Dieren. Mogen mensen zelf nog beslissen wat ze willen eten? Mogen ouders zelf beslissen dat zij een keer per maand met hun kinderen naar de McDonald's willen? Mogen ze zelf beslissen wanneer ze een keer een gevulde koek willen pakken als ze trek hebben en geen tijd hebben om voor een gezondere maaltijd te kiezen? De redelijke vraag is namelijk: wil de Partij voor de Dieren dat alle mensen overgaan op het eten van sprinkhanen en ander ongedierte of is er ook nog een stukje keuzevrijheid?

Mevrouw Van Esch (PvdD):

U zou toch moeten weten dat de Partij voor de Dieren geen voorstander is van het eten van sprinkhanen. In dat opzicht kan ik een heel simpel antwoord geven: dat sowieso niet. We zijn ook geen voorstander van de McDonald's. We komen er wel. We leven in een land waarin al meer dan de helft van de Nederlanders overgewicht heeft. Ik vind het stuitend om te blijven doen alsof het de keuze is van het individu om dat overgewicht te hebben, terwijl wij als overheid constant de voedingsindustrie spekken en meer winstmaximalisatie geven. Volgens mij moeten we daaraan werken. Het is zeer zorgelijk dat er steeds meer mensen met overgewicht komen. Ik laat ze liever een sperzieboon eten dan dat ik ze naar de McDonald's stuur; zeker.

De voorzitter:

Uw tweede interruptie, meneer Jansen.

De heer Jansen (PVV):

Die bewaar ik voor een van de volgende sprekers.

De heer De Groot (D66):

Ik geef collega Van Esch de kans om nog even een compliment te geven, vandaar deze interruptie. De Partij voor de Dieren snijdt wel een goed punt aan. Overigens heeft D66 wel voor de motie gestemd die voorstelt te onderzoeken wat gemeenten kunnen doen. Maar over die btw: we moeten maatregelen nemen en ik vind het sympathiek om de kosten van groente en fruit te verlagen. Maar het kabinet zegt ook terecht dat het op een pond broccoli € 0,04 scheelt. Elke econoom kan je uitleggen dat dat niet gaat leiden tot meer consumptie. Wat vindt u van het idee in het D66-verkiezingsprogramma om een heffing op vlees te doen en met de opbrengst van die heffing boeren te helpen om om te schakelen en tegelijkertijd ook een gezonde schoollunch en een schoolfruitprogramma te financieren? Zo doen we echt iets aan de consumptie. Wat vindt u daarvan?

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Grappig dat mij wordt gevraagd wat ik vind van iets wat al vijftien jaar geleden door de Partij voor de Dieren is voorgesteld, namelijk een vleestaks. Dat vind ik prima hoor en daar wil ik op zich ook wel antwoord op geven, maar volgens mij is de vleestaks iets wat al jaren door de Partij voor de Dieren wordt bepleit en al in een initiatief ligt. Superfijn dat het nu ook in het programma van D66 staat. Volgens mij moeten we zeker bekijken wat we daarmee kunnen, maar ik denk echt – en daar blijf ik bij – dat we echt alles moeten doen om ervoor te zorgen dat er minder mensen met overgewicht en dus gezondheidsproblemen zijn in Nederland.

In andere landen zie je dat er wel degelijk de mogelijkheid is voor een btw-verlaging op groente en fruit. Ik vind het ook wel typerend om te zeggen dat een paar cent het verschil niet zal maken. We weten immers dat de mensen met een kleine portemonnee vaak de mensen zijn bij wie gezondheidswinst een groot verschil kan maken. Volgens mij kunnen enkele centen verschil maken voor wat je in de winkel koopt, helemaal voor mensen die minder te besteden hebben. Ik vind het jammer om op die manier te kijken naar een maatregel waarvan ik denk dat we alles moeten doen om winst te bereiken op dit punt.

De voorzitter:

Uw tweede interruptie?

De heer De Groot (D66):

Ik vrees dat supermarkten het bij dergelijke kleine prijsverlagingen gewoon bij de winst zullen voegen en we er niets mee zullen bereiken. Laten we het dus hebben over maatregelen die zin hebben. Fijn dat de Partij voor de Dieren ons verkiezingsprogramma steunt. Jammer dat het meteen weer zuur is en dat er wordt gezegd dat de Partij voor de Dieren dat vijftien jaar geleden al riep. Nou, dan heeft het behoorlijk lang geduurd voordat het ook in andere verkiezingsprogramma's kwam, zal ik maar zeggen. Laten we hier serieus praten over wat werkt en niet werkt.

De voorzitter:

Wilt u daarop reageren?

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Jazeker. Ik vind het helemaal niet zuur. Ik vind het juist superfijn dat voorstellen van de Partij voor de Dieren worden overgenomen. Het is hartstikke goed dat D66 dat doet. Dat zouden ze met heel veel meer voorstellen van de Partij voor de Dieren mogen doen. U mag ze allemaal overnemen; dat vind ik een hartstikke goed idee. Kom maar op met nog meer voorstellen die de Partij voor de Dieren al jaren doet en die dan terugkomen in het verkiezingsprogramma van D66. Volgens mij heb ik twee dingen genoemd waarvan wij denken dat ze ook in dit initiatief zouden mogen komen, en misschien wel in het verkiezingsprogramma van D66. Ik ben wel benieuwd of ...

De voorzitter:

U hoeft er niet weer een vraag uit te halen. U kon alleen even reageren op de heer De Groot.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik wilde nog even dat compliment maken richting D66 over wat ik zo goed vond. Dat gaat namelijk over de Minister van VWS die wordt genoemd in de initiatiefnota.

De voorzitter:

U hoeft niet onder het mom van complimenten alsnog uw punt te maken. Dat kunt u ook in uw tweede termijn doen.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Dan moet ik het nog steeds bewaren voor een interruptie.

De voorzitter:

Creatief bedacht, maar we gaan door met de inbreng van de heer Renkema. Gaat uw gang.

De heer Renkema (GroenLinks):

Voorzitter, dank u wel. Allereerst een compliment voor mevrouw Diertens. We hebben het in deze commissie vaak over hoe we zieke mensen weer beter kunnen maken, maar we hebben het heel weinig over de vraag hoe we gezonde mensen gewoon gezond kunnen houden, terwijl dat nota bene in de Grondwet staat. Dat heb ik al vaker gezegd.

De coronacrisis heeft de noodzaak van goed preventiebeleid blootgelegd. Daarmee is de initiatiefnota relevant, maar ook tijdig. Er staan 29 voorstellen in. Onder de meeste kan ik zo mijn handtekening zetten, want dat zijn gewoon goede voorstellen. Maar ik vraag me wel af of de optelsom van alle 29 beslispunten uiteindelijk genoeg is om substantiële vooruitgang te boeken op het gebied van preventie. Ik denk dat er op sommige punten meer fundamentele wijzigingen van het stelsel nodig zijn om dat te bereiken. Is mevrouw Diertens dat met mij eens?

Ik heb nog een 30ste beslispunt, want mevrouw Diertens gaat niet in op de rol van jeugdverpleegkundigen en jeugdartsen. Ik denk dat die in het mbo en vo heel veel kunnen brengen voor jongeren op allerlei terreinen, maar zeker als het gaat over preventie.

Ik sluit me aan bij de vraag van de Partij voor de Dieren over de btw. Ik zou daar meer ambitie verwachten van D66. Ik wil die vraag ook neerleggen bij de Staatssecretaris.

Ik wil de Staatssecretaris ook iets vragen over beslispunt 10. Daarbij zegt hij iets over het maken van internationale afspraken over voedsel. Wat bedoelt hij daarmee en wat is de ambitie van Nederland om die internationale afspraken echt te gaan maken?

Ik wil ook van de Staatssecretaris graag een reactie op mijn 30ste beslispunt over jeugdverpleegkundigen en jeugdartsen omdat het ook gaat over soa's, vaccinatiebeleid en mentale gezondheid. Dat is een breed scala van thema's die belangrijk zijn voor jongeren. Ik denk dat jeugdartsen daar een goede rol in kunnen spelen.

Voorzitter, daar wil ik het bij laten. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Er zijn geen interrupties, dus dan gaan we naar de heer Van Gerven van de SP. Gaat uw gang.

De heer Van Gerven (SP):

Dank, voorzitter. Dank aan de initiatiefnemer voor het schrijven van een initiatiefnota. Ik weet uit eigen ervaring dat het een bult werk is. Het gaat over heel veel onderwerpen. Ik licht er het bevorderen van de volksgezondheid en het verkleinen van de gezondheidsverschillen tussen rijk en arm uit. Het is winst dat ook D66 dit erkent als een belangrijk uitgangspunt. Die verschillen moeten inderdaad kleiner worden.

Wat ik mis is toch het rookbeleid. Mevrouw Diertens stipt het wel aan, maar zegt dan: dat loopt al. Maar zou het niet goed zijn om ook in te zetten op minder schadelijke stoffen in sigaretten of tabaksartikelen, met name verlaging van het aandeel nicotine, om het roken terug te dringen?

Dan de Wet publieke gezondheid. Dat is een belangrijk punt. De gezondheidsbevordering moet duidelijker in de Wpg verankerd worden. Hoe wil zij dat uitgewerkt zien? Zou in het basispakket van gemeenten niet heel duidelijk moeten worden verankerd dat zij ook tijd en aandacht besteden aan gezondheidsbevordering? Zou daar niet een soort veldnorm voor moeten komen? Ik kijk ook de Staatssecretaris op dat punt vragend aan.

Ik heb ook nog een vraag over het preventiefonds. Er worden veel voorstellen gedaan, maar voor niets gaat de zon op. Zou het niet goed zijn om een aantal van die voorstellen te bekostigen uit een preventiefonds dat wordt betaald uit de algemene middelen of bijvoorbeeld de tabaks- of alcoholaccijnzen?

Het is cruciaal dat we aandacht besteden aan de eerste 1.000 dagen na de conceptie en dat we dat verankeren in de Wet publieke gezondheid. Als het gaat om die 1.000 dagen, bedoelt de indienster dan dat dat voor alle kinderen en zwangeren geldt of alleen voor de risicogroepen?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Gerven. Ik kijk naar de collega's. Er zijn geen interrupties meer. Hoeveel tijd denkt mevrouw Diertens nodig te hebben? Tien minuten. Dan schorsen wij tot 12.43 uur. Over tien minuten gaan wij verder met deze vergadering.

De vergadering wordt van 12.33 uur tot 12.47 uur geschorst.

De voorzitter:

Collega's, mag ik uw aandacht? Ik geef graag het woord aan mevrouw Diertens van D66 voor de beantwoording in eerste termijn van de vragen die gesteld zijn door haar collega's. Gaat uw gang.

Mevrouw Diertens (D66):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst zal ik een korte inleiding geven. Vervolgens zal ik aan de hand van de thema's, gezond beleid, gezonde start, gezond eten, gezond bewegen en een gezonde leefomgeving, uw vragen proberen te beantwoorden. Maar voordat ik daaraan begin, wil ik deze collega's en de collega's die er nu helaas niet bij kunnen zijn heel graag danken voor de vragen, de complimenten die u heeft uitgesproken en voor de ongelofelijk prettige samenwerking in de afgelopen jaren.

Het sparren met twee vriendinnen, de vele hartelijke werkbezoeken, de inspirerende interviews, de gesprekken in Zoom en whatsappgroepen, de ggz-denktank en de hulp van medewerkers bij de vraag hoe te komen tot een gezonde toekomst en een gezonde leefstijl vormen de basis van deze initiatiefnota. Bij dezen nogmaals heel hartelijk dank daarvoor. Ik merk dat iedereen de urgentie voelt, zeker nu in coronatijd. Nog altijd hebben je opvoeding, je woonplaats en je opleiding een grote invloed op hoe gezond je bent en hoe oud je wordt.

Een belangrijk recht voor iedereen is het recht op gezondheid. Maar hoe bereiken we dat? Waar kunnen we op sturen? En op welke manier? In tegenstelling tot andere sectoren, bijvoorbeeld klimaat en milieu, ontbreken voor de publieke gezondheidszorg streefdoelen voor een gezonder Nederland. Door het ontbreken van deze streefdoelen is het moeilijk om gericht te interveniëren. Hoe maken we gezonde keuzes makkelijker en vanzelfsprekender voor iedereen? En wat voor effect hebben de interventies die we invoeren? Dit is belangrijke informatie voor het streven naar een vitalere samenleving. Er zijn goede stappen gezet, maar ik hoop dat deze nota ook laat zien dat het tijd is voor meer gerichte daadkracht, waarbij verschillende departementen samenwerken, zodat veel meer mensen gezond en gelukkig ouder kunnen worden.

Laat ik nu uw vragen proberen te beantwoorden. Ik begin met het gezond beleid. Mijn collega van de VVD vraagt naar mijn visie op de rolverdeling tussen individuen, het bedrijfsleven en de overheid. Hij vindt dat de specifieke stap naar de overheid te snel gemaakt wordt en vraagt waar de grens ligt. Als sociaal-liberaal begrijp ik dat u die vraag stelt. Maar omdat we allemaal het recht op gezondheid hebben, kan de overheid niet wegkijken van bepaalde ontwikkelingen in de samenleving. Ik ben er dan ook voor dat de samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven heel goed gevolgd wordt. Ik ben ook heel blij met het internationaal convenant over sociaal maatschappelijk ondernemen. Het bedrijfsleven neemt daarbij zelf verantwoordelijkheid voor de belangen van het klimaat en een gezonde toekomst. Ik zie daar gelukkig goede voorbeelden van.

Dat is de weg die we in moeten slaan, dat het bedrijfsleven en de overheid samen het goede willen doen. Nu is die machtsbalans soms wat uit het oog, omdat het bedrijfsleven vaak de middelen heeft om door middel van agressieve reclame meer invloed uit te oefenen op het individu dan de overheid wil. De overheid kan daar ook iets tegenover zetten, waardoor de keuzevrijheid van het individu beter gemaakt kan worden. Dat is de balans waar we iedere keer naar moeten streven. Ik hoop dat de kansenongelijkheid in de samenleving een halt toegeroepen kan worden door een betere opstelling van de overheid en door betere informatie, want het is een feit dat...

De voorzitter:

U heeft een interruptie.

Mevrouw Diertens (D66):

Mag ik de zin even afmaken? Want het is een feit dat vijftien jaar minder leven in een goede gezondheid voor sommige mensen best een heel groot verschil is.

De voorzitter:

Ik zou voor deze ronde dezelfde afspraak willen maken als voor de eerste termijn van de Kamer. De heer Bolkestein heeft een interruptie.

De heer Bolkestein (VVD):

Mijn vraag is of mevrouw Diertens iets concreter kan zijn. Ik voel namelijk goed mee met een bedrijfsleven of een industrie die met het maken van reclame, maar ook door productplaatsing in de winkel ... Vorige keer zei ik: waarom moet je als je benzine afrekent eerst langs alle chips naar de andere kant van de winkel om daar aan de kassa nog een rolletje Rolo aangeboden te krijgen? Ik zie het punt wel. Ik zie het punt van de reclame. Met name als die op jongeren gericht is, is dat ook zeker fout. Maar waar ligt voor mevrouw Diertens als zelfverklaard liberaal de grens van wat de overheid gaat voorschrijven? Kan zij er iets concreter over zijn wat bedrijven nou wel en niet nog mogen doen om hun producten aan te prijzen?

Mevrouw Diertens (D66):

Ik kom uit Groningen, de suikerbietenstad. Ik heb een prachtig werkbezoek gehad bij de koekjesfabriek in Dokkum. Ja, dat is echt geweldig. Daar werd mij ook wel duidelijk dat ook het bedrijfsleven goede stappen wil zetten, maar dat daar ook voor hen een verantwoordelijkheid is. Net zoals ik geen dokter ben en geen mensen beter kan maken, heb ik er soms ook te weinig verstand van wat het niveau van suiker in het koekje moet zijn. Ik zie dat er daar hele goede initiatieven zijn. Het is ook niet zo dat het zo dominant moet zijn dat je nooit meer een gebakje mag eten. Maar het is wel zo dat er bij bepaalde producten ... Neem bijvoorbeeld opvolgmelk. Die is wel heel erg belangrijk voor heel veel kinderen in het begin van hun leven, maar er zijn allerlei variaties opvolgmelk. Ik vind dat de overheid daar misschien wel een rol in zou kunnen nemen door te kijken wat nu opvolgmelk mag heten, om jonge moeders en ouders een beter begrip te laten krijgen, zodat zij kunnen zeggen: dat is het product dat ik moet hebben. Dan heb je het ook over prijsafspraken die je daarin zou kunnen maken.

De voorzitter:

Een tweede interruptie van de heer Bolkestein.

De heer Bolkestein (VVD):

Kan mevrouw Diertens nog wat verder ingaan op het punt van reclame? Daar sloeg ik namelijk op aan. Waar ligt voor mevrouw Diertens als liberaal nou de grens? In hoeverre mag een industrie haar producten aanbevelen en wanneer zegt mevrouw Diertens: dit gaan we verbieden?

Mevrouw Diertens (D66):

Als sociaal-liberaal – even een kleine nuance – ben ik er eigenlijk voor dat we met z'n allen proberen de goede weg op te gaan en daar een goed evenwicht in te vinden. Dat heb ik gezegd. Verbieden ligt ook niet in het vocabulaire. Wat ik wel echt fout vind, is dat er een balans is van 80% reclame voor ongezonde producten en 20% voor groente, fruit en andere gezonde producten. Ik vind dat die balans zoek is. Ik vind wel dat je het bedrijfsleven er samen met de overheid van moet overtuigen dat het anders kan. Ik ben ook op bezoek geweest in Loppersum – u begrijpt, ik kom uit het Noorden – bij de Albert Heijn, en ook bij de Jumbo in Veendam. Daar zitten franchiseondernemers die eigenlijk ook heel erg graag mee willen doen in het goed positioneren van gezonde producten. Ik ben daar erg door geïnspireerd. Ik zie dat daar gewoon de wil is om verandering aan te brengen en daar ook een rol in te gaan spelen.

Ik geloof dus echt in die dialoog. Daar waar het niet goed gaat, moeten we dat boven water krijgen. Dat zei ik ook in mijn inleiding: we weten nu ook niet goed waar we op kunnen interveniëren. Dan doen we dit en dan doen we dat. Daarom ben ik ook zo voor die streefdoelen voor de publieke gezondheid. Daarmee kun je kijken welke streefinterventies je kunt doen om Nederland gezonder te krijgen. Dat is voor mij het belangrijkste. Dat doen we samen. Ik heb er vertrouwen in dat we met meer inzet en daadkracht daar het verschil in kunnen maken.

De voorzitter:

U kunt uw betoog vervolgen, volgens mij. O nee, u heeft een interruptie van meneer Renkema.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik had eigenlijk een punt van orde, voorzitter. Begrijp ik nu goed dat u één keer een interruptie wilt toestaan, van maximaal twee vragen?

De voorzitter:

Dat was het voorstel, maar niemand reageerde, dus ik dacht ...

De heer Renkema (GroenLinks):

Het ging wat snel.

De voorzitter:

Ja, dat was ook niet geheel ... Als u twee om twee voorstelt, vind ik dat in principe ook goed. Dan doen we dat. Maar dan wou ik het daarbij laten.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ja, dat zou mijn voorstel zijn, gezien het feit dat we hier én een indienster én een Staatssecretaris hebben zitten, en er 29 beslispunten zijn.

De voorzitter:

Nee, precies. Ik wou bij deze collega één interruptie met twee vragen toestaan, en dan bij de Staatssecretaris wederom hetzelfde aantal. Maar als u twee om twee in totaliteit wilt, vind ik dat ook goed.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik kijk nu even naar de collega's, want volgens mij moeten we daar als Kamerleden ook iets van vinden.

De voorzitter:

Ik vind het prima. Ik zit slechts voor. Ik ben primus inter pares, dus gaat uw gang. Twee om twee is goed, hoor ik. Oké.

Mevrouw Diertens (D66):

Dan ga ik naar de ... Nou ja, eigenlijk heeft de PVV niet echt een vraag gesteld. Ik haak alleen wel een beetje aan bij de vraag of het allemaal niet te veel betutteling is. Daar ben ik het absoluut niet mee eens. Het staat namelijk in onze Grondwet dat we mensen moeten beschermen om te zorgen dat ze het goede doen en dat we een gezonde samenleving hebben. Ik denk ook dat je de balans moet zoeken tussen individuele vrijheid, het bedrijfsleven, dat daar een rol in heeft, en de overheid. Die overheid heeft wel degelijk een taak, want het betuttelen zal niet alleen blijken uit hele concrete regels, maar we moeten ons er wel echt zorgen over maken en ervoor zorgen dat we in 2040 niet 1,5 miljoen mensen hebben met suikerziekte en dat we overgewicht met de bijbehorende klachten terugdringen. Kijk naar het mooie voorbeeld van Bas van de Goor, die mensen door gezonde beweging op een goede manier verleidt om van de pillen voor hun diabetes type 2 af te komen. Dat zijn mooie initiatieven. Ik vind het ook fantastisch dat die uit de samenleving komen. Dat is dus ook die vrijheid waar u ook heel blij van wordt, denk ik, waarbij mensen naar een gezonder leven toe kunnen leven. Het is in het begin misgegaan, maar zij kunnen door te bewegen grotendeels van hun pillen af komen. Dat zijn hele mooie initiatieven die uit de samenleving komen en die wij als overheid ook kunnen omarmen.

De heer Jansen (PVV):

Dank aan mevrouw Diertens. Dat is precies het punt dat ik bedoel. Als mensen er zelf in geloven en zelf tot de conclusie komen dat het goed is om een bepaalde leefstijl te veranderen, om dingen wel of juist niet te doen, dan heb je kans van slagen. Ik vind het prima dat wij als overheid daar voorlichting over geven. Daar heb ik helemaal geen moeite mee. Maar als we echt gaan ingrijpen in een stukje vrijheid in hoe je het wil gaan doen, waar je wel of niet producten mag neerzetten, wanneer je producten wel of niet zou moeten kopen en zo, en we daarbij misschien wel gaan werken met prijsprikkels en dat soort zaken, of met reclameverboden of -aanpassingen, dan zit je wel op een terrein ... Als je dingen gaat verbieden, denkt een Nederlander vaak: ik gooi m'n kop in de wind; ik ga precies het tegenovergestelde doen. Dat is Nederlanders eigen. Dat is precies wat wij bedoelen: probeer ze te verleiden, maak ze bekend met de problemen waar ze tegen aanlopen als ze doorgaan met ongezond leven, en laat ze zelf die keuze maken. Dan bereik je veel meer dan wanneer wij als overheid gaan bedenken hoe het zou moeten. Sorry dat ik wat uitgebreider was, voorzitter.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik denk dat de PVV en D66 elkaar daar zelfs deels in kunnen vinden. We moeten inderdaad oppassen voor betutteling, maar het is ook waar dat een heel groot deel van de samenleving voordat ze bij de huisarts komen eigenlijk al een verkeerde gewoonte hebben ontwikkeld waar ze zich op dat moment niet helemaal van bewust zijn. De macht van de reclame vanuit het bedrijfsleven, vanuit de grote fastfoodketens en zo, is best groot. Ik vind dus dat de overheid, om die balans weer te krijgen, die mensen wel moet steunen door middel van bewustwordingscampagnes, waar u ook voor bent, begrijp ik, zodat iedereen goede informatie krijgt en kan proberen om het goede te doen. Een van onze initiatieven is ook de rijke schooldag, waarbij alle kinderen zich meer bewust worden van een gezonde leefstijl, doordat ze gezond eten krijgen op school en ook na schooltijd meer sporten, bewegen en cultuur aangeboden krijgen. Daardoor is die keuze ook belangrijk.

De voorzitter:

Een tweede interruptie van de heer Jansen.

De heer Jansen (PVV):

Ik denk dat wij met name van mening verschillen over dat laatste punt. Ik vind namelijk dat een gezonde leefstijl iets is wat vanuit de ouders moet komen. Voordat mensen bij de huisarts komen met klachten, zien ze zelf ook al op de weegschaal dat ze zwaarder worden en zien ze ook al dat ze in één keer een grotere maat broek hebben dan voorheen. Mensen zien het dus wel degelijk. Ze komen ook zelf echt wel tot de conclusie dat het misschien te maken heeft met het feit dat ze drie keer per week een zak chips opentrekken. Mensen snappen het dus wel degelijk. Het is niet zo dat ze pas bewust gaan nadenken op het moment dat ze echt klachten krijgen. Juist in het voortraject moet je ze langzaam in die richting krijgen door middel van voorlichting, maar ze moeten zelf die keuze maken.

Mevrouw Diertens (D66):

Die keuze wordt ook gemaakt doordat we proberen om ouders vanaf de start, al in de eerste 1.000 dagen, goed voor te lichten over hun eigen leefstijl en die van hun kinderen. Ik denk dat de keuze daardoor niet beperkt wordt, maar goede voorlichting en goede informatie zijn heel belangrijk om de goede keuze te maken. Dat wil niet zeggen dat je nooit een patatje of een gebakje mag nemen. Het gaat erom dat je je daar meer bewust van wordt, zodat je de goede keuzes kunt maken. Ik vind wel degelijk dat de overheid daar een rol in moet hebben.

Mijn collega van de Partij voor de Dieren, mevrouw Van Esch, heeft gevraagd of de tijd van afspraken niet voorbij is. Zoals wel blijkt uit de beantwoording van de vorige vragen, blijf ik er toch nog steeds in geloven dat het preventiedebat niet tot een verdeling in twee kampen leidt. Het moet niet zo zijn dat we het alleen daarover gaan hebben; we moeten elkaar juist gaan vinden. Verplichten en verbieden en volledig aan de markt overlaten zijn twee uitersten die we niet willen. We willen graag dat die waarheid, die echt in het midden ligt, wordt nagestreefd. We willen dat er meer bewustwording komt en we willen dat de voedselindustrie gaat meewerken nadat er goede afspraken zijn gemaakt. Er zullen dan inderdaad soms regels nodig zijn om tot een resultaat te komen, maar om regels te kunnen stellen, zal je toch eerst moeten weten wat je wilt, welke publiekegezondheidstatus je door middel van die streefwaarden wilt bereiken, en hoe je daarin gaat interveniëren.

We hebben al heel veel informatie daarover, maar ik denk dat er meer samenhang in het beleid kan komen en dat daar ook meer op gestuurd kan worden. Dat zagen we ook bij het Preventieakkoord. Daarin waren de streefwaarden bij ouderdom en overgewicht eigenlijk helemaal niet zo duidelijk, waardoor de gewenste doelstellingen moeilijk te monitoren zijn. Volgens mij is het heel belangrijk dat we dat wel gaan doen en dat we met daadkracht een begin daarmee maken. Ik denk dat wij elkaar daarin best kunnen vinden, maar met alleen wet- en regelgeving overtuig je mensen niet. Er is meer nodig en er moet ook op andere manieren geïntervenieerd worden om mensen ertoe te verleiden om het goede te doen.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Volgens mij spreekt uit de woorden van mevrouw Diertens precies het D66-verhaal, dat balanceert tussen het verhaal van de VVD en de PVV en het verhaal dat in ieder geval de Partij voor de Dieren nastreeft. We weten gewoon dat 50% van de Nederlanders overgewicht heeft. We weten dat dat sinds 1990 enorm is toegenomen. In de coronacrisis zien we nu welke consequenties dat heeft. Volgens mij hebben we alle informatie voorhanden en weten we welke enorme gezondheidsrisico's er zijn. Welke gesprekken uit de afgelopen jaren hebben volgens u dan bijgedragen aan een daling van het aantal mensen met obesitas? Dat blijf ik mij toch afvragen. Op welke manier hebben die tot nu toe dan geholpen om tot een daling te komen?

Mevrouw Diertens (D66):

Ik denk dat u gewoon gelijk heeft. 11% van de wereldbevolking lijdt aan ondervoeding en 13% van de wereldbevolking gaat straks ten onder aan obesitas. In die laatste groep zitten heel veel mensen die wel te zwaar zijn, maar die ook ondervoed zijn omdat zij niet de producten binnenkrijgen die noodzakelijk zijn om vitaal en gezond te zijn. Ik erken dat dat een groot probleem is, maar ik vind dat we wel moeten kijken naar de vraag waarop we kunnen sturen. De Staatssecretaris heeft daar een start mee gemaakt. We doen nu alles en dat heeft zo weinig effect. Daarom wil ik heel graag dat in de wetgeving komt te staan dat we streefdoelen hebben, dat we daar wat aan gaan doen en dat er een rapporteur komt die al die verschillende invloeden van verschillende ministeries bij elkaar brengt. Ik wil dat er wordt gezegd «dit zijn de indicatoren waarop we gaan sturen» en dat er een nationaal rapporteur komt die dat voor al die ministeries in de gaten gaat houden en die daar een hele grote rol in krijgt. Ik ben ook van mening dat we alles op alles moeten zetten om mensen weer gezond eten te laten proeven. Eten is ook gezelligheid. Het is niet alleen een kwestie van: als ik dit erin stop, ben ik gezond. Nee, door samen te eten, door met een groep samen te tafelen worden mensen sociaal en psychisch gelukkig. Al die dingen, die Braziliaanse tien punten, maken dat mensen zich over het algemeen gezonder en gelukkiger gaan voelen. Dat is voor mij een heel belangrijk punt. Dan moeten we niet denken aan schotten, maar aan samenwerken met de gemeenten en daar het goede in doen.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik vind het mooie woorden, hoor. Ik kan me ook prima aansluiten bij het opstellen van de doelen. Alleen vind ik het jammer om te wachten met het opstellen van doelen terwijl we nu al actie moeten hebben. Volgens mij is nu het moment. U gaf net al aan dat we afstevenen op anderhalf miljoen mensen met diabetes type 2. Nu zegt het Diabetes Fonds al jaren: verbied reclame voor suikerhoudende dranken. Dat werkt effectief tegen een toename van mensen met diabetes type 2 en kan mensen er wellicht van afhelpen. Volgens mij is nu het moment om dat soort zaken eindelijk van tafel te halen. Ik zou het zo jammer vinden als wij D66 daarin niet als bondgenoot kunnen zien. Voor PVV en VVD is dat uitgesloten, maar volgens mij hebben wij een meerderheid in de Kamer om nu dit soort dingen te doen. Ik hoop dat echt van D66 te zien. Ik ben benieuwd of we daar nu naar gaan streven, want volgens mij kunnen we dat.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik ben het met u eens. Zoals mijn collega De Groot heeft gezegd, staat dat ook in ons verkiezingsprogramma. Ik zou ook voor een frisdrankentaks zijn. Dat schijnt heel snel en goed te regelen te zijn. Ik pass dat dan ook graag door naar mijn adviseur hiernaast en vraag hem om hier nog een en ander over te zeggen. Ik ben het met u eens: daar moet veel meer op ingezet worden.

Wat die doelen betreft, iedereen heeft doelen. Ik heb een deltaplan psychische gezondheid, een deltaplan met brieven vanuit de sport- en beweeghoek die zeggen: jongens, doe er nou eens wat aan, want het wordt tijd dat we daadkracht tonen. Dat ben ik helemaal met u eens. Zie dit als mijn deltaplan waarin ik zeg: bundel al die initiatieven van al die slimme mensen, al die wetenschappers die hier een mening over hebben, stel een aantal streefdoelen, leg die ook vast en ga daarmee aan de gang. Dan kunnen al die mensen, al die initiatieven, samenkomen en kunnen wij daadkrachtig aan de gang en hier wat aan doen.

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer Renkema; u liet een te lange stilte vallen, denk ik. Meneer Renkema, gaat uw gang.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik moet doorpraten, bedoelt u! Hahaha.

De heer Renkema (GroenLinks):

Misschien een vraag op hetzelfde punt: waar kiest D66 eigenlijk voor? Bij beslispunt 10, dat gaat over de maximale hoeveelheid zout, suiker en vet in producten, lees ik: als de afspraken onvoldoende resultaat hebben, leggen we verplichtingen op. Nou zijn hier twee voorbeelden van. Een is het Preventieakkoord, waarvan het RIVM aan de voorkant al heeft gezegd dat de doelen niet worden behaald met de maatregelen die we daarin nemen. Dus dat wisten we al toen de handtekeningen eronder werden gezet. Maar ook van dat convenant over productsamenstelling zeggen alle partijen: de stappen die daarin gezet worden, zijn te klein en te langzaam. Hoe erg moet het nog worden voordat D66 afstapt van de gedachte: eerst zelfsturing en afspraken maken, en pas als dat echt niet voldoende oplevert, gaan we over naar regelgeving? Als de ernst hoog is bij D66, dan is nu het moment om over te gaan naar regelgeving.

Mevrouw Diertens (D66):

Zoals de Staatssecretaris kan beamen, heb ik aan het begin van het Preventieakkoord gezegd dat dat hoofdstuk overgewicht te mager is. Daar moet veel meer bijgezet worden. Daar moeten we zeker naar kijken. En aan productsamenstelling wordt gewerkt. Ik heb werkbezoeken gedaan; daar wordt aan gewerkt. Maar dat kan ook wat mij betreft sneller, dus ik zou daar graag een versnelling op willen, maar ik blijf erbij dat het allemaal een beetje hapsnap blijft: iedereen doet wat. Ik zou zo graag willen dat wij daar concreter mee aan de slag gaan en daar stappen in zetten. Daar hoeft niet altijd een wet voor geformuleerd te worden. Er hoeft niet altijd een regel voor te zijn, maar doe er wat aan. Je moet er niet alleen op hoog niveau abstract over blijven praten, je kan ook in de dialoog zeggen: ik vind dat we nu maar eens een deadline moeten stellen wanneer het in orde moet zijn.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik hoor woorden als «het moet sneller» en «het moet concreter», maar vervolgens worden die weer afgezwakt door te zeggen: ik geloof niet dat dat via regelgeving hoeft. Nee, dat hoeft ook niet ...

Mevrouw Diertens (D66):

Nee, ik zeg niet dat ...

De voorzitter:

Meneer Renkema was aan het woord.

Mevrouw Diertens (D66):

Excuus.

De voorzitter:

Een dialoog is leuk maar wel bij het koffieapparaat.

De heer Renkema (GroenLinks):

Om het punt even af te maken, we geloven met elkaar al heel lang in zelfsturing, afspraken en convenanten. Daarmee zetten we ook stappen. Ik ga niet zeggen dat er niks gebeurt. Er gebeurt heel veel. Maar die stappen zijn te langzaam en te klein. Op een gegeven moment moet je vanuit het parlement de stap zetten naar wet- en regelgeving. Ik heb nog steeds niet het moment helder waarop D66 die stap zet en zegt: nee, het is nu klaar met nieuwe afspraken maken; we gaan via voorschriften regelen hoeveel suiker, vet en zout in voeding zit. De voedingsindustrie gaat echt wel reageren als die regelgeving er komt.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik wil hier aangeven dat ik best onder de indruk ben van de werkbezoeken die ik gedaan heb bij de voedselindustrie, waar op hoog niveau en met heel veel wetenschappelijke kennis gezocht wordt naar andere productsamenstellingen en dat men dat ook inzet. Daar zijn ook al goede voorbeelden van. Ik heb het voorbeeld van de opvolgmelk al genoemd. Kunnen we daar iets aan doen? Dat zou misschien met regelgeving gestalte kunnen krijgen. Het is voor mij niet dat het niet kan of dat regelgeving verboden is. Dat is onzin. Je kan niet zeggen dat we maar eens een regel gaan maken die algemeen voor iedereen geldt. Het gaat hier ook vaak om regels die belangrijk zijn en die niet voor iedereen gelden. Misschien moeten ze ook op bepaalde gebieden wat strenger zijn, omdat dat vanaf het begin af aan onze kinderen beschermt en daarmee tot een goede gezondheid leidt.

Dan ga ik graag over naar de vraag van de VVD over de zorgverzekeraars. Deze nota is belangrijk en gaat juist over de periode voordat je bij de huisarts komt. Ik ben wel heel blij met de rol van zorgverzekeraars, die mensen die met overgewicht bij de sportschool komen de GLI al aanbieden. Zij ondersteunen dat ook. Dat is een soort pilotproject. Ze kijken of ze de kennis en de ervaring die ze daar opdoen, kunnen gebruiken om eerder in te zetten bij sportclubs en sportscholen. Ze kijken hoe ze mensen meer intrinsiek gemotiveerd kunnen krijgen om bezig te gaan met bewegen en gezonde voeding. Ik vind die rol van zorgverzekeraars heel belangrijk, want preventie ligt met name op leefstijlbehandelingen bij suikerziekte en looptrainingen bij hart- en vaatziekten. Bewegen kan ontzettend goed helpen. Ik heb zelf runningtherapieën gegeven, waar mensen zich psychisch beter bij gaan voelen. Ik denk dat daar kansen in liggen en dat de zorgverzekeraars daar ook niet helemaal doof voor zijn. Ik denk dat zij daar een rol in hebben.

De heer Bolkestein (VVD):

Mijn vraag aan mevrouw Diertens is hoe ver de verzekeraar wat haar betreft mag gaan, met niet alleen het voorhouden van een echte wortel, maar ook het voorhouden van een financiële wortel. Mag een verzekeraar wat u, als liberaal, betreft ook aan premiedifferentiatie gaan doen? Mag die daar financiële consequenties aan verbinden? Zoveel stappen per dag gehaald, korting op de premie? Zoveel naar de sportschool geweest? Zoveel kilo opgetild?

Mevrouw Diertens (D66):

Nee. Ik denk dat dat te ver gaat, dat wordt gezegd: je kan alleen bij ons verzekerd worden als wij een briefje hebben met een afvinklijstje en als je dat doet, kan je verzekering omlaag. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we zorgen dat iedereen een gezonde start heeft en dat mensen ondersteund worden om de goede keuzes te maken. Daar moet ook een stuk vertrouwen in blijven dat mensen dat ook zelf graag willen. Ik denk dat die intrinsieke waarde het belangrijkst is. Als je aan mensen vraagt wat ze drijft, wat ze het belangrijkste vinden in hun leven, zegt bijna iedereen: mijn gezondheid is toch wel het belangrijkste in mijn leven. Ik denk dus dat we gewoon op die weg door moeten gaan en niet naar afvinklijstjes moeten kijken: je hebt je stappen vandaag niet gezet, nou dan krijg je een penalty. Dat lijkt me geen goede weg.

GroenLinks vraagt mij of die optelsom genoeg is. Volgens mij kan er altijd meer. Dit is voor mij gewoon een start, een start om aan te geven dat we meer moeten gaan doen. Een stelselwijziging, daar ben ik een beetje aan voorbij gegaan. Ik denk dat er wel naar gekeken kan worden, maar dat we nu moeten kijken wat er nu knelt in de acties en de initiatieven die we nemen voor een gezonde leefstijl. Daarmee vertrouw ik ook op een sterke lokale overheid, waarbij de GGD ook een belangrijke rol krijgt.

Dan uw vraag over jeugdartsen. Jeugdartsen zijn wat mij betreft ook een spin in het web. Zij volgen kinderen vanuit de GGD, vanuit de scholen. Zij weten vaak wat er achter de voordeur speelt en wat er gebeurt. Zij brengen dat bij elkaar en begeleiden mensen naar een goede leefstijl en een gelukkiger bestaan.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik heb inderdaad een soort van 30ste beslispunt geagendeerd. Nu zegt mevrouw Diertens dat er nog veel meer mogelijk is. Als wij er vanmiddag met z'n allen over zouden nadenken, zouden we tot nog veel meer punten komen. Maar het gaat mij er ook een beetje om hoe wij het stelsel hebben georganiseerd. Het woord «stelselherziening» is altijd een groot taboe in deze commissie. Het gaat mij erom: wie is in een positie om stappen te zetten? In onze huidige wet- en regelgeving zit behoorlijk wat vrijblijvendheid of vrijwilligheid, ook als het gaat over de lokale overheid of het onderwijs. Als wij iets willen rondom de gezonde school, wordt er gezegd: dat is dan wel vraaggericht. De bekostiging van de GGD is afhankelijk van wat de gemeente ervoor overheeft. Dus het gaat mij niet zozeer om het bedenken van nieuwe maatregelen, maar het gaat ook om een reflectie op hoe we het stelsel kunnen inrichten opdat dit mogelijk is, opdat deze maatregelen genomen kunnen worden.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik ga daar in mijn initiatiefnota niet heel diep op in, maar in ons verkiezingsprogramma zeggen wij dat wij niet in een totale stelselwijziging geloven. Ik denk wel dat er mogelijkheden zijn waar we wel op kunnen sturen. De kosten van preventie zijn vaak aan de achterkant zo groot voor de gezondheidszorg. Preventie kost heel veel geld. Ik denk dat we die kosten door wat kleine veranderingen naar voren kunnen brengen, door meer aandacht te besteden aan preventie. Daar moet ook meer geld bij, van de achterkant naar de voorkant, om die preventie beter mogelijk te maken. Dat kan volgens mij, en dat zou ook moeten.

De voorzitter:

Meneer Renkema, vierde.

De heer Renkema (GroenLinks):

Afrondend. Ik heb het verkiezingsprogramma van D66 hierover niet goed genoeg gelezen, biecht ik maar op. Maar betekent dit ook dat de verzekeraars hieraan mee gaan betalen? Als je investeert in preventie, levert dat ergens winst op, uiteraard gezondheidswinst, maar ook financiële winst, want je hoeft bepaalde dingen niet te vergoeden. De baten komen nu privaat terecht, namelijk bij verzekeraars. De kosten liggen juist bij de overheid, bij gemeenten en bij andere. Is het ook onderdeel van het verkiezingsprogramma van D66 om de verzekeraars concreet mee te laten betalen aan dit soort interventies?

Mevrouw Diertens (D66):

Nou, dat is ...

De voorzitter:

Mevrouw Diertens.

Mevrouw Diertens (D66):

Sorry, voorzitter, dat ik alvast begon. Ik ben hier zó mee bezig.

De voorzitter:

Geen probleem. Ik kan ertegen. Dat is echt geen enkel punt. Gaat uw gang.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik ben blij dat u mij goedgezind bent. Ik vind de streefdoelen waarmee mijn notitie begint echt superbelangrijk, net als de nationaal rapporteur, want die moet al die partijen bij elkaar brengen en monitoren en controleren of het geld op de goede manier en efficiënt wordt ingezet om de goede dingen te doen. Ik heb al mooie voorbeelden. We werken ook samen aan de portefeuille ggz. U weet dat ik daarbij ook gesprekken heb gehad met zorgverzekeraars. Die zorgverzekeraars willen ook bekijken – en niet alleen kijken, maar ook doen – hoe zij ervoor kunnen zorgen dat die preventie meer onder de aandacht komt en naar voren wordt gehaald en hoe zij daaraan kunnen bijdragen. Dus ik denk dat de wil er is, maar we moeten het alleen ook doen. Ik vind met u dat we daar echt concrete stappen in kunnen maken en dat ook daadwerkelijk moeten doen. We moeten die ontschotting van die departementen ook in de departementen zelf bij elkaar houden, zodat we ook meer actie kunnen ondernemen.

De voorzitter:

Ik vraag u om door te gaan met uw betoog.

Mevrouw Diertens (D66):

Het is terecht dat de collega van de SP, meneer Van Gerven, mij een vraag stelt over roken. Ik ben zelf een redelijke tegenstander van roken. Het blijft ook een belangrijk onderwerp. Dat ik dat hier niet expliciet heb genoemd, is omdat we met het Preventieakkoord hiervoor al goede doelen hebben gesteld. Die worden ook nagestreefd. Ik ben het ermee eens dat we stappen zetten naar een rookvrije generatie. Je zou de productsamenstelling kunnen veranderen zodat het minder schadelijk is, maar dat is dan weer een tussenstap. Ik wil heel graag dat kinderen niet beginnen met roken en dat ze dus weten dat het niet goed is. Ik wil dat we daarin extra stappen zetten, zodat we tot een rookvrije generatie komen. Daar is nog wel wat voor nodig.

Ook vraagt u naar een wijziging van de Wpg. Er kan inderdaad al veel. Artikel 2 voorziet ook daarin richting de gemeenten. Het kan wat specifieker qua mentale gezondheid wat mij betreft. Er zijn ook meer handvatten om dat in te richten. Ik ben dus ook benieuwd hoe mijn buurman, onze Staatssecretaris, de heer Blokhuis, daarin zal antwoorden. Ik schuif die vraag dus graag door.

Voorzitter. Dan kom ik op de gezonde start. Mijn collega van GroenLinks vraagt naar de rol van de jeugdartsen. Ik ben daar al even op ingegaan. Scholen, consultatiebureaus, GGD's, de eerste 1.000 dagen: het is zó essentieel dat wij al vroeg beginnen met kinderen op een gezonde manier groot te brengen. Ik denk dat dat ook zijn effect heeft op hun latere gedrag en voor hun bewustzijn over wat ze wel of niet gaan doen. Mijn collega Van Meenen heeft al meerdere voorstellen gedaan voor een rijke schooldag. Dat is volgens mij een belangrijke verandering waardoor we iedereen – niemand laten vallen – de kans geven om gezond groot te worden.

Dan de eerste 1.000 dagen, waar de collega van de SP al over sprak. Dat vind ik een hartstikke belangrijk punt. Superbelangrijk. Wat dat betreft moeten we benadrukken dat het al misgaat bij die 1.000 dagen. Er is ook steeds meer wetenschappelijk onderzoek dat duidelijk zegt dat we daarin al moeten investeren en mensen moeten begeleiden.

Dan het gezonde eten. De collega van het CDA en mijn stadsgenoot vraagt hoe we kinderen beschermen op de social media.

De voorzitter:

U heeft een interruptie van de heer Van Gerven, ik denk nog op het vorige punt.

De heer Van Gerven (SP):

Ja, ik wil nog even terugkomen op die 1.000 dagen. Ik had heel specifiek gevraagd of de indiener vindt dat het zou moeten gelden voor alle zwangeren. Of alleen voor risicogroepen een speciaal 1.000 dagenbeleid?

Mevrouw Diertens (D66):

Ik vind dat het voor iedereen geldt. Die 1.000 dagen zijn immers zó essentieel en een gezonde start is zó essentieel voor iedereen. Dus voor elke moeder die zwanger wordt, moet het gewoon gebeuren. Voor iedereen, dat is een heel helder antwoord, denk ik.

De heer Van Gerven (SP):

Ik ben het daarmee eens. Hoe zou dat dan concreet vorm moeten krijgen in gemeenteland? Want daar moet het dan gebeuren. Wat zou er moeten veranderen ten opzichte van wat er nu al gebeurt?

Mevrouw Diertens (D66):

Daarom positioneer ik heel graag die GGD's heel sterk, als uitvoerende organisatie van de gemeente. Bij het zicht hebben op de lokale gemeenschappen, de vrouwen die zwanger worden, de kraamzorg, de consultatiebureaus en de voorlichting die zij geven, dicht ik hun een grote rol toe om hierin nog verder te kunnen gaan in de voorlichting en de campagnes die daarvoor nodig zijn.

Dan ga ik door met de vraag die ik zojuist al probeerde te beantwoorden van mevrouw Kuik van het CDA over reclame. In het verleden hebben de heer De Groot en ik een motie ingediend, die ook is aangenomen, over kindermarketing gericht op de Schijf van Vijf. Het is inderdaad zo dat die social media natuurlijk veel sterker zijn. Ik heb mij laten vertellen dat er zelfs kinderen zijn die bijna niet meer naar de televisie kijken, maar alles via social media doen. Ook daarin hoop ik dat er jongeren zijn ... Ik zie eigenlijk al bij tieners en adolescenten dat ze via die social media ook goede dingen kunnen doen, door juist de goede boodschap te vertellen. Dit neemt niet weg dat het heel belangrijk is dat we proberen om de kindermarketing die via die social media gebeurt, een halt toe te roepen.

Ik heb niet gedacht dat social media de dans zouden kunnen ontspringen en heb daar ook meerdere vragen over gesteld richting het kabinet. Ik ben blij dat onderzocht wordt hoe we daar wat aan kunnen doen. Ik ben ervan overtuigd dat de heer Blokhuis hier ook wat verder over zal zeggen. Want ik kijk dan toch weer met een schuin oog naar mijn buurman.

Over de prijs van groente en fruit hebben meerdere fracties vragen gesteld. Dat is ook hartstikke belangrijk; groente en fruit zijn voor mij een heel groot punt. Ik denk dat er gewoon te weinig geïnvesteerd wordt in groente en fruit. Het zou zo fijn zijn als duidelijker wordt dat dat belangrijk is. Ik wil die hoop dan ook echt niet opgeven. Ik hoop dat de Staatssecretaris hier ook een positieve melding over kan doen.

Dan het gezonde bewegen. U bent bekend met het feit dat ik uit de sport- en beweegsector kom en dat ik het heel belangrijk vind dat sport en bewegen een belangrijke rol krijgen. Ook daar kunnen we als overheid best een beentje bijtrekken, om het zo maar te zeggen.

Er is specifiek gevraagd of mbo's en hbo's daar een rol in kunnen hebben. Ik ben zelf opgeleid in de sport. Ik heb via werkbezoeken de opmerking gekregen: als je het over sport hebt, heb je het ook over voeding, want het gaat over je lichaam, over hoe je gezond kan blijven en over hoe je in de topsport ook door middel van voeding de beste prestaties kan leveren. In het programma en het curriculum van die opleidingen wordt al heel veel aan informatie- en kennisoverdracht gedaan. Nu is het zo dat als mensen met de GLI willen gaan werken, ze daar nog weer een post-hbo-opleiding voor moeten gaan volgen, om dat wat ze weten nog eens bevestigd te krijgen en er nog een keer examen in te doen. Nou zullen daar best wel wat verschillen in zitten, dus ik zou het fijn vinden als er gekeken kan worden of het gewoon in de initiële opleidingen kan, zodat op mbo- en hbo-niveau een certificaat kan worden gegeven dat aantoont dat iemand de GLI op een bepaald niveau kan begeleiden. Ik denk dat dat heel belangrijk is, ook voor de toekomst.

Ik houd ook een sterk pleidooi voor de humancapitalmotie die ik heb ingediend: hoe kun je mensen in de sport- en beweegsector laten werken voor een goed loon en met goede arbeidsvoorwaarden? De Minister van Sport is daarmee bezig, om te kijken hoe we de arbeidsvoorwaarden zo kunnen veranderen dat je een goede boterham in de sport- en beweegsector kan verdienen. Ik denk dat een leefstijlcoach het verschil kan maken. Daarom vind ik het ook heel belangrijk dat die opleidingen daar een certificering aan kunnen hangen.

Dan de gezonde school. Het gaat niet alleen om die twee uur verplichte lichamelijke opvoeding. Wij willen een rijke schooldag. Ik heb mooie werkbezoeken afgelegd in Zuid-Limburg en in Brabant. In Tilburg is een D66-raadslid heel actief om hier samen met de scholen naar te kijken. Volgens het Noorse en Finse model moet je niet willen dat een kind zeven uur per dag op z'n krent blijft zitten – zo zou je het bijna zeggen – en dan twee uur in de week een uurtje gym krijgt. Het gaat erom dat er een attitude komt dat je het belangrijk vindt dat je steeds beweegt. In Noorwegen moet je na drie kwartier cognitief onderwijs gewoon gaan staan; dan word je naar buiten gestuurd en dan moet je spelen. Spelen is zo ontzettend belangrijk voor kinderen. Dat zouden we in dit debat nu ook moeten doen: even een rondje rennen, dan hebben wij ook weer verse zuurstof in het hoofd.

Door de Rijksuniversiteit Groningen is al gesteld dat je met rekenen en taal allerlei fysieke spelletjes kunt doen waardoor kinderen beter leren omgaan met taal en beter leren rekenen. Er zijn allerlei creatieve onderzoeken die aantonen dat meer bewegen gewoon beter is, op allerlei gebied, zelfs voor je cognitieve ontwikkeling. Zoals mijn leraar vroeger zei: zelf ontdekkend je dingen toe-eigenen, daar leer je heel veel van. Je weet wat «hoog» is als je op een stoel staat en ervan af valt; dan weet je als kind dat er hoogteverschil is. Dat is heel belangrijk.

Over een gezonde leefomgeving zijn eigenlijk nauwelijks vragen gesteld. Het belangrijkste is dat we de stad inrichten voor fietsers en wandelaars, en dat die stad ook sociaal-maatschappelijk zo ingericht wordt dat iedereen daar veilig en goed in kan vertoeven.

Dit was de beantwoording van de vragen. Nogmaals hartelijk dank voor de gelegenheid om mijn passie en geloof uit te dragen.

De voorzitter:

Zelfs een geloof. Ik ga naar mevrouw Van Esch, die nog een interruptie heeft.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik heb nog een vraag uit mijn eerste termijn die ik niet meer kon stellen. Het ging op zich wel over die gezonde leefomgeving, dus daar kon ik mooi op aanhaken. U stelt eigenlijk voor om de Minister van VWS een veel grotere rol te geven en een departementsoverkoepelende taak te geven. Daar zijn we als Partij voor de Dieren heel erg blij mee. Wij vinden dat een heel goed initiatief. Alleen wij missen in het rijtje van departementen bijvoorbeeld het Ministerie van Landbouw en we missen aandacht voor zoönosen en luchtkwaliteit om die heel gezonde leefomgeving bij elkaar te pakken. Ik was benieuwd of het geen gedachte is om de Minister van VWS doorzettingsmacht te geven op al dit soort thema's, om inderdaad in de breedte die gezonde samenleving te creëren.

Mevrouw Diertens (D66):

Als we het hebben over een deltaplan, dan geldt dat met name voor dit thema. Voeding, voedselproductie, hoe we omgaan met voedsel en hoe we eten en drinken is gewoon superbelangrijk. Ik zie daarin zeker ook een rol voor LNV. Maar als je kijkt naar luchtkwaliteit: gelukkig woon ik in de schoonste stad van Nederland, maar het is ook zo dat je in de hele aanleg ook infrastructuur kunt betrekken, de fiets- en wandelpaden, hoe ga je om met de stad en de omgeving, hoe is die stad bereikbaar als je zegt: je huisvesting kan ook buiten de stad, waar het goed vertoeven is. Hoe kun je dan op een gezonde manier de stad bereiken, zonder dat je in de auto moet stappen? Dat moet je met snelfietspaden kunnen bereiken. Daar zijn al heel mooie initiatieven voor. In een ander leven ben ik ooit in steden geweest waar ze zelfs basketbalvelden bovenop hoge flats hebben aangelegd, zodat kinderen daar kunnen spelen als die ruimte niet in de stad aanwezig is. Er zijn echt heel mooie innovatieve ideeën van hoe je de stad mooi leefbaar en toegankelijk kunt maken.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Zeker, die initiatieven zijn er. Maar ik zoek naar hoever D66 wil gaan door te zeggen: die doorzettingsmacht moet bij VWS liggen om te zeggen: vanuit volksgezondheidsbelang moeten we kiezen voor die fietspaden in plaats van het verbreden van snelwegen. Voor de volksgezondheid moeten we kiezen voor het tegengaan van fijnstof en dus voor een vermindering van de intensieve veehouderij. In hoeverre vindt D66 dat we daarin vooral VWS de doorzettingsmacht moeten geven om dat ook te kunnen doen?

Mevrouw Diertens (D66):

We hebben dat ook tijdens coronadebatten langs zien komen. U weet dat we dat heel erg steunen. Wij willen heel graag dat er een Minister is die die macht heeft en dat dat er een nationaal rapporteur is die alles bij elkaar brengt. Want het is gewoon heel veel. Er moet een integrale – het is een vreselijk woord – ontschotting plaatsvinden.

De voorzitter:

Ik zie kansen voor de Omgevingswet. Ik kijk naar de Staatssecretaris voor de reactie vanuit het kabinet op de initiatiefnota. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. Om te beginnen wil ik mevrouw Diertens van harte complimenteren met haar initiatiefnota, met een aantal creatieve voorstellen rond de bevordering van een gezonde leefstijl en preventie. Volgens mij zijn wij daarin bondgenoten, zeg ik persoonlijk tegen mevrouw Diertens. Volgens mij hebben we het afgelopen jaar mooi samengewerkt, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, om veel stappen te zetten in de sfeer van dit voorstel. Daar wil ik haar hartelijk voor danken. Het is breder dan die nota, die samenwerking. We waren het niet op alle punten en komma's eens, we zijn ook niet van dezelfde partijen, maar ik zag in mevrouw Diertens een heel goede bondgenoot om stappen te zetten in de sfeer van preventie, leefstijl en gezondheidsbevordering.

Dat we haar nota nu behandelen, is juist superactueel in coronatijd, waarin ook mensen die niet in de politiek werkzaam zijn ons vrij massaal oproepen om hierop te letten, bijvoorbeeld Liesbeth van Rossum en andere wetenschappers en artsen die verschillende keren bij ons hebben aangedrongen op meer nadruk op deze thema's. Dan gaat het over gezondheid in de breedte, gezonde voeding, gezond eten, een gezonde leefstijl en ook bewegen. Dat beweegdeel is nog eens expliciet benadrukt door het initiatief van Joop Alberda, Eric Scherder en ex-topsporters, zoals Bas van de Goor. Zij hebben dat beweegdeel nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Zij hebben het over de twee werelden die in de nota van mevrouw Diertens een prominente plek hebben gekregen. Ik denk dat die initiatiefnemers van harte toejuichen dat er ook vanuit de Kamer op dit terrein initiatieven worden genomen.

Ik denk dat het goed is om het volgende te zeggen als het gaat om bewegen. Ik wil die werelden niet uit elkaar knippen, want die hebben alles met elkaar te maken. Maar als het gaat om bewegen, hebben we in reactie op het initiatief van de club-Joop Alberda cum suis een breed initiatief georganiseerd met een aantal departementen, zoals Sociale Zaken, Onderwijs, Binnenlandse Zaken, IenW en natuurlijk VWS, om tot een beweegagenda te komen. Die komt in april naar de Kamer. Die heet: Bewegen, het nieuwe normaal. In die zin wordt mevrouw Diertens op haar wenken bediend. Ook al zal ze dan misschien zelf niet meer in de Kamer zitten, ik weet zeker dat ze die met zeer veel belangstelling gaat lezen om te kijken wat er van haar erfenis in dat document is terug te vinden. Dat is het beweegdeel.

Dat heeft natuurlijk alles te maken met een gezonde leefstijl in het algemeen, ook met eten, want die twee werelden moeten zeer nauw met elkaar verbonden blijven. Als het gaat om gezonde voeding in combinatie met bewegen, hebben wij natuurlijk ook veel afspraken gemaakt in het kader van het Nationaal Preventieakkoord. Dat wil ik even apart noemen naast die beweegagenda. Mevrouw Diertens benoemt dat zelf ook steeds met het nodige enthousiasme. In het Nationaal Preventieakkoord hebben we afspraken gemaakt over gezond eten en het tegengaan van overgewicht.

Misschien mag ik mij, in navolging van wat de heer Van Gerven zei, de opmerking permitteren dat het, als je het hebt over leefstijl, toch wel jammer is dat roken hier toch een beetje onderbelicht blijft. Mevrouw Diertens zegt: daar doen we al veel aan. Maar volgens mij heeft zij zelf nog verdergaande voorstellen. Volgens mij had ze in deze nota gemakkelijk een 30ste voorstel kunnen koppelen aan roken. En dan heb ik het nog niet eens over alcohol en drugs, want die hebben volgens mij ook alles met leefstijl te maken. Ik zal mevrouw Diertens niet uitdagen om nog een nieuwe nota te schrijven, maar ik denk wel dat het een uitdaging is voor de politiek, zoals die hier nog zit, om daar de nodige stappen in te zetten om dat in de volle breedte te blijven belichten. Als we het over leefstijl hebben, dan moeten we het niet beperken tot de thema's bewegen en gezond eten, hoe belangrijk die ook zijn.

Voorzitter. Ik wil graag ingaan op de vragen die gesteld zijn door de Kamerleden. Ik ga de volgorde van de vraagstellers af, waarbij ik vragen bij elkaar voeg als die door meerdere Kamerleden gesteld zijn. De heer De Groot is de volgorde van de aanbevelingen uit de nota langsgelopen en begon bij de coördinerend bewindspersoon. Als ik het debat een beetje volg, dan wordt die gaandeweg stiekem een beetje gepromoveerd tot een superminister die doorzettingsmacht in het kabinet heeft. Het zou echt een volstrekt nieuwe figuur zijn als een Minister tegen zijn collega's van Landbouw en IenW zegt: jij moet daar een fietspad aanleggen en jij moet zorgen dat de veestapel ingekrompen wordt. Het zou wel een heel erg novum zijn als die macht helemaal bij VWS ligt. Als de partijen die dat willen, worden betrokken bij de kabinetsformatie die eraan zit te komen, dan neem ik aan dat zij dat in gaan brengen. Maar het gaat me echt een stap te ver om dat nu eventjes te beslissen.

Het kabinet heeft in de reactie op de nota... Ik wil in het algemeen nog wel even zeggen dat ik hoop dat mevrouw Diertens die heeft gezien als een positief kritische bejegening. Als u het gaat afvinken, dan omarmen wij verreweg de meeste aanbevelingen. Over sommige zeggen we «daar zijn we echt mee bezig» en over een paar zeggen we «nou, moet je dat wel doen?», maar grosso modo zijn we heel positief.

Bij deze specifieke aanbeveling, een coördinerend bewindspersoon, is de reactie – en dat is echt niet flauw bedoeld – dat die er al is. De Minister van VWS is de coördinerend bewindspersoon voor gezondheidsbeleid, maar hij heeft niet de doorzettingsmacht waar mevrouw Van Esch het over heeft. Dat is volgens mij ook niet wat mevrouw Diertens bepleit. Zij bepleit wel dat iemand het agendeert en initieert, maar dat doet de Minister van VWS. Als hij dat onvoldoende doet, dan is het aan de Kamer om aan de bel te trekken en te zeggen «hij moet wat harder lopen», als het daar kennelijk wel belegd is. Feit is wel dat het Ministerie van VWS aan de lat staat als het gaat over hele belangrijke nota's. Dat staat ook in de beantwoording, de reactie, van het kabinet op deze aanbeveling, dit beslispunt, van mevrouw Diertens.

De heer De Groot (D66):

Voorzitter...

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik was nog halverwege een zin, maar ik wil best even stoppen, voorzitter.

De voorzitter:

Sorry, ik was even afgeleid door de koffie.

Staatssecretaris Blokhuis:

Misschien is het handig als ik dit punt afrond en dat dan de heer De Groot... Maar u bent de baas.

De voorzitter:

Als meneer De Groot dat oké vindt, dan vind ik dat goed. Gaat uw gang, Staatssecretaris.

Staatssecretaris Blokhuis:

Wat ik wilde zeggen, is dat wij in onze reactie aangeven dat er verschillende belangrijke trajecten lopen. We hebben de Landelijke nota gezondheidsbeleid, waar ook andere ministeries bij zijn aangehaakt. We hebben de Nationale Omgevingsvisie, het NOVI-verhaal, waarbij VWS nadrukkelijk meedenkt over een gezonde leefomgeving. Sterker nog, het Ministerie van VWS komt met een visie op een gezonde leefomgeving. En dat is integraal beleid.

Ik wil er een paar dingen aan toevoegen. Al dit soort zaken hebben te maken met de opvatting dat er niet sprake is van het beleggen van die taak, noch van het initiatief nemen tot die taak, bij één ministerie, maar dat wij uitgaan van health in all policies. Volgens mij spreekt die benadering de heer De Groot ook wel aan. Alle belangrijke voorstellen die aan gezondheid gerelateerd zijn, zullen ook in de ministerraad geagendeerd worden. Wanneer worden die geagendeerd, wanneer komen die daar? Als je daarvoor een goed fundament hebt georganiseerd in een regeerakkoord. In die volgorde. Eerst in een regeerakkoord goede afspraken maken en daarna die laten uitwerken door de vakdepartementen in goede onderlinge samenwerking. Wat mij betreft is het dan wel goed als de Minister van VWS als coördinerend bewindspersoon kijkt of de belangrijke aspecten wel worden belicht. Maar een vorm van doorzettingsmacht of een soort superminister is volgens mij niet iets wat de heer De Groot beoogt.

De voorzitter:

Dat horen wij van de heer De Groot.

De heer De Groot (D66):

Dat is juist, het is niet per se nodig. Wat wel nodig is, zijn meer checks-and-balances. Ik kan mij bijvoorbeeld goed voorstellen dat je zegt: er is een onafhankelijk rapporteur die ook de Minister van VWS als die er zelf wat minder aandacht voor heeft, scherp kan houden en die ons allemaal scherp houdt. Daar zitten we aan te denken.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. Dat is een mooie brug naar het volgende beslispunt: de nationaal rapporteur. Tenzij de heer De Groot daar wat anders mee bedoelt, lees ik in de nota van mevrouw Diertens dat zij die nationaal rapporteur specifiek bedoelt als iemand die succesvolle leefstijlprogramma's initieert, beoordeelt en breed laat uitwaaieren over de markt. Zo zie ik de invulling van die nationaal rapporteur. Dat is daarmee ook iemand die ook de rijksoverheid scherp houdt, omdat hij aangeeft waar gemiste kansen zijn. Of, laat ik het anders zeggen, die aangeeft waar kansen liggen die nog niet benut zijn, omdat hij op verzoek van het kabinet in beeld brengt welke programma's er ontwikkeld worden, welke kansrijk zijn en welke het verdienen om niet het best bewaarde geheim van Nederland te blijven, maar breed uitgerold te worden.

In onze reactie op de nota van mevrouw Diertens schrijven wij daar heel expliciet over. Dat is niet om ons er makkelijk vanaf te maken, maar omdat dat echt zwaarder is dan misschien verondersteld wordt door sommige woordvoerders hier.

Het RIVM heeft een taak van die strekking. Het RIVM doet drie dingen ...

De voorzitter:

Voordat u daar verder op ingaat, is er een interruptie van mevrouw Van Esch, specifiek van dit punt. Ook kijk ik even naar de heer De Groot, of dit punt genoeg is beantwoord. Ja? Ik zie dat dat zo is. Dan gaan we naar mevrouw Van Esch voor een interruptie.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik heb een interruptie over de doorzettingsmacht van VWS. In principe is er een halfjaar geleden gewoon een motie van de Partij voor de Dieren aangenomen die de doorzettingsmacht al bij VWS neerlegt. Alleen ben ik wel benieuwd hoe dat in de praktijk gaat. U zegt dat u vindt dat het niet nodig zou zijn, maar ik ben wel benieuwd. Er wordt in Nederland nog steeds veel landbouwgif gebruikt, terwijl we weten dat een deel van dat gif, bijvoorbeeld gif in de bollenteelt, zorgt voor parkinson. Die link is bewezen, het is een wetenschappelijk bewezen link. Dan vraag ik mij af – ik ben benieuwd of u een kijkje in de keuken kunt geven – wie er bepaalt wanneer we nou eindelijk eens een keer van dat gif af gaan, om zo te voorkomen, preventief te voorkomen, dat er nog meer mensen met parkinson komen. Volgens mij is daar die doorzettingsmacht van VWS zó belangrijk voor. En daarvan vraag ik mij af hoe u dat ziet, want dat vind ik wel echt een gebrek tot nu toe in het beleid in Nederland. Daar zou ik wel echt een verandering in willen zien. Ik ben benieuwd of de Staatssecretaris dat ook vindt.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. Ik heb denk ik twee jaar geleden samen met de Minister van Landbouw een vrij forse brief naar de Kamer gestuurd die ging over voedselbeleid. De verantwoordelijkheid van de Minister van Landbouw is de productiekant en dat het op een diervriendelijke manier en ook een veilige manier gebeurt. De kant van VWS is echt de gezondheidskant, dus kijken of ze voeding produceren die bijdraagt aan de gezondheid. Als je het dan hebt over gif dat gebruikt wordt in die sector, denk ik dat dat een verantwoordelijkheid is van die beide ministeries en dat die er samen uit moeten komen en dat zoiets ook op de tafel van de ministerraad moet komen als er keuzes worden gemaakt om bijvoorbeeld bepaalde giffen uit te faseren. Het woord doorzettingsmacht wordt in de Kamer best vaak gebruikt met de suggestie dat dit een soort tovermiddel zou zijn: je geeft een aanwijzing en dan gaat er iemand lopen. Maar volgens mij is het echt een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Landbouw en VWS, en mag de Kamer beide ministeries daarop aanspreken. Zo simpel is dat volgens mij.

De heer De Groot (D66):

De Staatssecretaris verwijst naar een aantal initiatieven die er zijn. Er gebeuren ook goede dingen, maar er zijn ook nog heel veel knelpunten met de financiering en de opschaling. We worden als Kamer toch vaak nog van het kastje naar de muur gestuurd; daar moet ik mevrouw Van Esch gelijk in geven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de relatie tussen bepaalde landbouwgiffen en parkinson. Het is voor ons als Kamer heel erg lastig om te weten waar we nou moeten zijn. Daar zou zo'n nationaal rapporteur gezond leven echt bij kunnen helpen, omdat je dan als Kamer een veel sterkere positie krijgt in dit debat. Ik zit in meerdere commissies en het is helaas zo ...

De voorzitter:

En uw vraag is? Ik kijk ook even naar de tijd.

De heer De Groot (D66):

Is het geen goed idee om er meer middelen bij te zetten om het structureel aan te pakken en het gewoon goed te doen? Op die manier kunnen we ook de rol van de Kamer versterken in dit debat.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik ben zelf even in verwarring, want ik wilde net ingaan op de taak die het RIVM heeft voor het promoten van kansrijke leefstijlprogramma's. Zo lees ik ook beslispunt 3 van mevrouw Diertens. De Kamer wordt gevraagd in te stemmen met een nationaal rapporteur gezond leven, die succesvolle leefstijlprogramma's verzamelt en toegankelijk maakt voor iedereen, en daarbij dus ook ingaat op gezondheidsachterstanden. Ik ben nu even in verwarring omdat dit over een heel ander spoor gaat, namelijk over de vraag wie er gaat over gif in Nederland. Dit specifieke beslispunt gaat over het bevorderen van kansrijke leefstijlprogramma's. Daar was ik op aan het ingaan, want het RIVM doet dat. Als we nieuwe leefstijlinterventies hebben, zoals de GLI, valpreventie, de GLI voor kinderen of welzijn op recept, dan toetst het RIVM die succesvolle aanpakken en worden die door het RIVM ook onder de aandacht gebracht van professionals. Het RIVM ondersteunt organisaties actief bij het toepassen van kennis in de praktijk. Het RIVM beoordeelt de effectiviteit van interventies. Dat zijn drie heel belangrijke taken die volgens mij volstrekt in lijn zijn met de taken die mevrouw Diertens bij de rapporteur zou willen neerleggen.

De reactie van het kabinet is dan ook of het wat toevoegt als we dat al hebben. Of halen we het weg bij het RIVM en brengen we het naar een nieuw lichaam? Volgens mij is dit echt goed belegd. Om het de zwaarte te geven die hier wordt toegedicht aan de rapporteur, zou ik eigenlijk liever het gesprek met de Kamer aangaan over de vraag of er naar het oordeel van de Kamer lacunes zitten in hoe het RIVM dat oppakt. Volgens mij gaat het echt goed. Als er een nieuwe interventie wordt ontwikkeld door de markt, wordt die beoordeeld en getoetst door het RIVM. Als dat zijn zegen geeft en zegt «dit is een effectief programma», dan wordt het ook besproken met het Zorginstituut en betaalbaar gemaakt uit de Zorgverzekeringswet.

Dat dit met de GLI is gebeurd, is een echte doorbraak. De GLI voor kinderen staat ook op het punt van doorbreken. Die komt ook onder de Zorgverzekeringswet. Dat is een hele nieuwe aanpak. Dit type preventieve aanpak, van iets wat bewezen effectief is, wordt ingeplugd in de Zorgverzekeringswet. Ik denk dus dat de infrastructuur die we daarvoor hebben, nauw aansluit bij wat hier wordt bedoeld met de nationaal rapporteur gezond leven.

De heer De Groot (D66):

Toch nog even heel kort, want ik kom er in tweede termijn op terug, maar de Staatssecretaris beperkt het eigenlijk tot de gecombineerde leefstijlinterventie. Dat is heel beperkt. Het gaat erom breder te kijken naar welke lacunes we in de wetgeving hebben, maar ook naar welke zaken goed gaan. Het gaat er ook om dat we zaken kunnen agenderen, bijvoorbeeld de relatie tussen bestrijdingsmiddelen en gezondheid. Het gaat dus om een veel actievere rol. Daarbij zie ik een instantie als een nationaal rapporteur gezond leven als een oplossing, juist om de positie van de Kamer te versterken. Ik kom er in tweede termijn nog wel even op terug, ook gelet op de tijd.

Staatssecretaris Blokhuis:

Heel kort: ik heb volgens mij proberen uit te leggen dat het helemaal niet alleen over de GLI gaat, maar dat er met de GLI een doorbraak is gerealiseerd door die toetsing door het RIVM van dat programma. Ik noemde drie andere programma's die ook door het RIVM zijn getoetst en die ook zeer kansrijk zijn en misschien onder de Zorgverzekeringswet kunnen vallen. Dat is echt nieuw in Nederland. Ik snap dus niet dat de heer De Groot het nu ineens tot de GLI beperkt, want dat heb ik echt niet gezegd. Zoals hij het nu invult, kan dat nog een boeiend gesprek opleveren met mevrouw Diertens, want hij maakt het echt breder dan het in haar beslispunt in haar notitie staat. Ik weet niet hoe dat wordt afgestemd in de fractie, maar het wordt nu echt breder ingevuld dan hier staat. Ik lees gewoon wat er staat en volgens mij kan ik aardig Nederlands.

Voorzitter. De heer De Groot heeft meer vragen gesteld, bijvoorbeeld over de verbetering van de productsamenstelling. Dat is een actueel thema. Het huidige akkoord loopt af. Het is eigenlijk al afgelopen, maar we hebben een jaartje overgang naar een nieuw stelsel. Hij vraagt hoe dat loopt en of wij bijvoorbeeld ook meer uitgaan van de koplopers en die juist promoten. Het antwoord daarop is volmondig ja. We gaan voor een andere aanpak kiezen. We kijken nu vooral naar de achterblijvers en naar hoe we die het kunnen laten bijhouden, maar de aanpak is ook zeker gericht op de koplopers. Op de vraag of ik daarmee in gesprek wil gaan, zeg ik volmondig ja.

Hij koppelt er wel een vraag over een interessant aspect aan, namelijk het feit dat de koplopers qua productsamenstelling koploper zijn, maar misschien het gevecht verliezen omdat ze een minder gunstige prijsstelling hebben. Ik heb er goede hoop op. Volgens mij moet dat ook de cultuur worden.

Het tweede aspect van mijn beantwoording is dat ik goede hoop heb dat het Nutri-Scorelogo, waarvan sommigen hier heel hoge verwachtingen hebben, onder wie ik, en waarover anderen wat sceptischer zijn, leidt tot een cultuur waarbij producenten graag groen willen scoren. Ze buitelen nu al over elkaar heen met de vraag aan VWS of ze alvast mogen beginnen met Nutri-Score. Wij hebben gezegd dat we het eerst – even plat gezegd – Nederlandproof willen maken via de internationale commissie waarin Nederland participeert. Maar dat moet een heel mooie prikkel zijn voor producenten die groen willen scoren. Als het dan een dubbeltje duurder is, laten we dan hopen dat de consument in de winkel een koek koopt die groen scoort omdat hij denkt: laat ik eens gezond doen. Ik zeg tegen de heer Jansen dat we het niet gaan verplichten, maar laten we hopen dat het de cultuur wordt dat mensen eerder naar groen gaan pakken.

Dat waren mijn antwoorden op de vragen van de heer De Groot over productsamenstelling.

De heer Renkema haakte daarop aan. Hij zei dat we in de kabinetsreactie aangeven dat Nederland alleen maar invloed heeft op de nationaal geproduceerde producten. Hij vroeg hoe het internationaal zit en wat de inzet van Nederland in Europa is. Dat heeft alles te maken met de From Farm to Fork Strategy, waarnaar wij ook verwijzen in het stuk. De Nederlandse inzet daarin is vorig jaar juni vastgelegd in een fiche. Wij gaan inderdaad uit van een gezondere productsamenstelling. Dat fiche is volgens mij naar de Kamer gestuurd en anders wil ik dat nog wel actief onder de aandacht brengen van de Kamer. In juni vorig jaar is de Nederlandse inzet in dat kader dus vastgesteld.

De voorzitter:

Ik vraag u ook om een beetje naar de klok te kijken, want we moeten ook nog een tweede termijn doen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik zal proberen om het iets meer staccato te doen, voorzitter. De heer De Groot vroeg naar de bedrijfskantines bij de rijksoverheid. De ambitie van 60% dit jaar is mooi. Het zal een force majeur worden om dat te halen, maar ik denk dat 60% gaat lukken. Hij zegt: tik het volgend jaar dan even af op 80%. Maar dat is wel een hele grote sprong. Daarmee misken je bijvoorbeeld dat die kantines ook contracten hebben, die vaak langer lopen dan een jaar. Het moet wel reëel zijn. Als ik zijn vraag zo mag opvatten dat ik de vraag agendeer bij de tafels van het preventieakkoord waar wij elkaar scherp houden, dan kan ik op die manier dat deel een duw geven om dat zo snel mogelijk te doen. Ik kan dus niet toezeggen dat dit in 2021 gaat lukken, maar wel zo snel mogelijk, bijvoorbeeld bij het aflopen van contracten. Als ik zie dat een aantal ziekenhuizen ook mikt op 80%, ook binnen zeer afzienbare termijn, dan zou het mooi zijn als de rijksoverheid dat voorbeeld gaat volgen.

Mevrouw Kuik heeft gevraagd hoe het zit met de leefstijlcampagne. We hebben allemaal rond de kerst in de dagbladen een fantastische advertentie gezien – ik vond hem eigenlijk best wel leuk – met als tekst: je hoeft geen rendier te zijn, word gewoon een wandeldier. Die advertentie was wel een beetje kerstgerelateerd, want er liepen mensen in mooie Noorse truien rond. Maar dat is wel een voorproefje. We betrekken daar mensen uit de gezondheidszorg bij, zoals Liesbeth van Rossum. Die campagne krijgt zo snel mogelijk een vervolg. Want ik kan me het ongeduld van mevrouw Kuik voorstellen. Ik verwacht dat we die campagne begin volgend kwartaal verder uitrollen, en dan wat massiever, met meer uitingen.

De heer Renkema (GroenLinks):

Met enige vertraging wil ik nog even terug naar die internationale afspraken waar de Staatssecretaris net iets over zei. In de reactie op de initiatiefnota schrijft het kabinet: voordat tot verplichtingen rond productverbetering kan worden overgegaan, zullen eerst internationale afspraken gemaakt moeten worden. Die zin vraagt wat mij betreft gewoon om meer uitleg, omdat lidstaten van de Europese Unie wel degelijk in staat zijn om afspraken te maken als het gaat om productsamenstelling.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ook die wereld is best wel complex. Nederland kan zelfstandig wettelijke voorschriften maken, bijvoorbeeld als het gaat om de suikertaks, waar mijn buurvrouw een groot voorstander van is, althans als het gaat om een frisdranktaks. Nederland kan dat zelfstandig doen, zoals andere EU-lidstaten dat ook hebben gedaan. Alleen beperkt zich dat dan wel tot producten die in Nederland geproduceerd zijn. Op wat van buiten komt, hebben wij dan geen invloed. Dus wij proberen ook via de Europese lijn wel degelijk tot afspraken te komen, en die overvleugelen zelfs de Nederlandse wetgeving. Als daarin minimumeisen worden gesteld aan de productsamenstelling, dan overruled dat gewoon de Nederlandse wetgeving. Dat is de Nederlandse inzet, zo is dat bedoeld. Ik hoop dat de heer Renkema me daarin begrijpt.

De voorzitter:

Meneer Renkema nog even, gevolgd door een interruptie van mevrouw Kuik. Meneer Renkema.

De heer Renkema (GroenLinks):

Als ik het goed begrijp, is het dus en-en: lidstaten kunnen zelf afspraken maken en we kunnen in Europees verband nieuwe afspraken maken. Het is niet zo dat internationale afspraken voorwaardelijk zijn voor het maken ... Zo had ik deze zin even gelezen. Dat leek me inderdaad wat vreemd. In Zweden kun je in supermarkten bier kopen van maximaal 3,5%. Dat weten de brouwerijen uitstekend voor die lidstaat te regelen. Een lidstaat kan dat zelf bepalen. Het is in ieder geval helder. Het is niet zo dat het een op het ander moet wachten, om het maar zo te zeggen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik zei al: nee. De heer Renkema zegt het correct.

Mevrouw Kuik (CDA):

Even over die campagne: wordt er ook echt bekeken hoe we de mensen die het nodig hebben, targetten?

Staatssecretaris Blokhuis:

Natuurlijk gaan we dat doen, want ik hecht er juist aan dat wij niet een heel slim reclamebureau inzetten dat links en rechts wat uitvraag doet, maar dat we daar echt een spa dieper gaan. Daarom dring ik erop aan dat ook mensen die ervoor doorgeleerd hebben uit de wetenschap, zoals de Liesbeths van Rossums van deze wereld, daarbij betrokken zijn. Maar het antwoord is volmondig ja.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik vraag u verder te gaan.

Staatssecretaris Blokhuis:

Mevrouw Kuik, maar ook anderen, vroegen hoe je kunt sturen met prijsbeleid en spraken daarbij over de btw op groente en fruit en de alternatieven die daarop denkbaar zijn. Mevrouw Diertens zei in dit kader voorstander te zijn van een frisdranktaks. In het preventiedebat van vorige week maandag hebben we dit ook wel bij de kop gehad. Er is zelfs een motie van mevrouw Van Esch aangehouden, die geduldig wacht wat ik verder dit jaar aan producten ga afscheiden. Ik wil de mogelijkheden verkennen om dat te doen. Want we zijn het erover eens dat sturen met prijzen heel effectief is, en dat het volgens mij ook heel wenselijk is dat je op die manier een gezonde keuze makkelijker maakt. Alleen de vraag is – die vraag stellen we hier ook – of de btw het vehikel is waarop je moet sturen. Wij illustreren dat met de prijs van appels. Ik wil alle varianten in beeld brengen en als erfenis aan het volgende kabinet meegeven waarmee eigenlijk verder zou moeten worden gegaan. Dat kunnen dus verschillende instrumenten zijn. Dat kan de btw zijn en je hebt de frisdranktaks en de suikertaks. Ik wil de meest kansrijke daarvan in beeld brengen en daarover verder in gesprek gaan met de Kamer.

De heer Renkema (GroenLinks):

Fijn dat de verschillende varianten in beeld worden gebracht. Ik vond het wat flauw dat het kabinet zei: dat scheelt maar vier cent op een appel of zo. Kijk, de uitvoerbaarheid is helemaal niet zo ingewikkeld, want dit kabinet heeft btw-verhogingen ook heel snel kunnen doorvoeren. Verlaging kan dus ook. Over de tarieven: we hebben in Nederland twee tarieven, waarvoor bewust is gekozen, niet alleen om inkomsten te genereren, maar ook om te differentiëren. Volgens mij is Europees mogelijk ...

De voorzitter:

Kunt u een vraag stellen? Ik moet op de tijd letten.

De heer Renkema (GroenLinks):

Europees is het mogelijk om daarnaast nog een lager tarief te introduceren. Is dat deel van de verkenningen?

Staatssecretaris Blokhuis:

Wij verkennen alles wat wettelijk is toegestaan. Ja.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik heb een heel korte vraag. Worden ze niet alleen afzonderlijk, maar ook in samenhang met elkaar bekeken? Je kunt wel zeggen dat je btw-verlagingen op groente en fruit misschien minder effectief vindt, maar als je ook een suikertaks invoert en en-en-en doet, is de effectiviteit overall echt een ander verhaal.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik heb dat goed gehoord. Laten we met elkaar afspreken dat we ook die verschillende scenario's in beeld brengen, dus als je en-en-en doet of je focust op één instrument. Nog even een reactie op die appels: dat is echt zo. Niemand denkt: hé, die appels waren vorige keer € 1,30 en nu € 1,25, laat ik «ns drie kilo kopen.

De voorzitter:

Mijn man denkt dat wel, hoor. Maar kunt u doorgaan met uw betoog?

De heer Renkema (GroenLinks):

Dit is bijna uitlokking, dus daar ga ik nog even op in.

De voorzitter:

Dit is uw laatste punt.

De heer Renkema (GroenLinks):

Dat weet ik. Maar als je zegt dat het niet zo groot is, dan moet je het groter maken. Je kunt niet naar 0%, dat mag niet, maar je kunt wel naar 1% of naar 2%. Dat scheelt een slok op een borrel als het gaat om een kilo appels of om broccoli.

Staatssecretaris Blokhuis:

Alcohol zit niet in dit verhaal van mevrouw Diertens, als we het in dit overleg over borrels gaan hebben. Maar point taken: ik heb het goed gehoord.

Mevrouw Kuik en de heer Renkema hebben vragen gesteld over de curricula. Is gezond eten voldoende geborgd in de opleidingen? Ik dacht dat de heer Renkema een vraag stelde over de jeugdartsen en -verpleegkundigen. Nou, hoe zit het in het algemeen met de curricula? We hebben daar geen overall zicht op, maar er wordt wel flink werk van gemaakt. Binnen het mbo bestaat bijvoorbeeld al de mogelijkheid om een geïntegreerde opleiding coördinator sport en bewegen en gezonde leefstijl op niveau 4 te volgen bij de roc's. VWS, staat in reactie op de nota van mevrouw Diertens, steunt de post-hbo-opleiding specialist sportieve en gezonde school, ontwikkeld voor het basisonderwijs. Op zes lerarenopleidingen is deze beschikbaar. Op dit moment wordt deze opleiding doorontwikkeld voor vo en mbo. Opleidingen hebben zelf de ruimte in hun curricula om daarop te sturen. Dat moeten we vooral zo houden is de nadrukkelijke wens van het onderwijs. Laten wij dat als overheid vooral niet doen, dat moeten de mensen zelf doen. Wij kunnen wel daarover in gesprek met de sector, en dat doen we dus ook.

De vraag van de heer Renkema heb ik zo begrepen dat hij bedoelde hoe het zit met de jeugdverpleegkundige jeugdartsen en of zij aandacht geven aan gezonde voeding. Sorry, ik mag dit niet doen, ik zie u heel streng kijken, voorzitter.

De voorzitter:

Nee, u mag dat zeker niet doen. Meneer Renkema is door zijn interrupties heen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Mijn wens is altijd om alle Kamerleden te snappen.

De heer Van Gerven heeft een vraag gesteld over de Wet publieke gezondheid. Volgens mij heeft mevrouw Diertens die vraag naar mij doorgestuurd. Hoe wil je dingen regelen in de Wet publieke gezondheid? Het kabinet heeft afgelopen december een discussienota, die een aanloop moet zijn naar een contourennota, gepubliceerd die ter inzage/consultatie heeft gelegen. Een heel belangrijk aspect daarin is hoe je preventie minder vrijblijvend en meer verplichtend maakt op basis van de Wet publieke gezondheid. Wij zijn daar vrij expliciet in. Sterker nog: wij zijn op het ministerie al aan het oefenen hoe je in de Wet publieke gezondheid twee dingen kunt vastleggen op grond waarvan gemeenten verplicht zijn te investeren in preventie. Een is het formuleren van doelgroepen waarop gemeenten moeten investeren om preventief beleid te voeren. Twee: je kunt in de wet thema's benoemen waarop de gemeenten preventief beleid moeten voeren. Dat is nog niet eerder vertoond waar het gaat om preventie in brede zin. Wel bij de jeugdgezondheidszorg, maar verder niet. Dat gesprek wil ik dus heel graag met de Kamer aangaan: wat leggen we dan vast in de Wet publieke gezondheid en welke thema's? Alcohol, tabak of andere dingen, drugs? Of welke thema's wel en welke niet en voor welke doelgroepen?

Wij zijn daarover ook in gesprek met gemeenten. Die zitten ook in de positieve stand. Zij zeggen: het is prima om die vrijblijvendheid eruit te halen. Dat geldt overigens ook voor de zorgverzekeraars. Spiegelbeeldig hebben die in de Zorgverzekeringswet ook een plicht om mee te investeren in preventie. Daar zal dan ook wel geld bij moeten, want anders kunnen we de gemeenten die taak niet geven, denk ik.

Voorzitter. Dan het preventiefonds. Dat gesprek is al een paar keer gevoerd. Volgens mij is gisteren nog de motie van de heer Van Gerven in stemming gekomen, een van de moties die zijn ingediend bij het preventiedebat van vorige week maandag. Ik sta daar niet afwijzend tegenover, maar ik wil de verschillende mogelijkheden verkennen. Het preventiefonds als instrument is dus niet een doel op zich, maar het kan een middel zijn om te bereiken wat we willen. Maar dat er geld bij moet, is voor mij geen discussie. Er moet meer geld bij. Of dat via een fonds moet of anderszins, is voor mij een afgeleide vraag.

Volgens mij heb ik de vragen beantwoord. Ik heb alleen nog één opmerking, over die opvolgmelk, voordat het fout de geschiedenisboeken ingaat. Mevrouw Diertens had daar een paar opmerkingen over. Dat is nou juist iets waarvan tot in detail in Europa is vastgelegd wat daarin moet zitten. Omdat het over zulke kwetsbare kindjes gaat, is dat in detail geregeld. Ik wist het zelf ook niet, maar voor de kleutermelk gaat Nederland regels bedenken. Ik denk dat mevrouw Diertens het daar met name over had.

Voorzitter. Dat was het passende slot van mijn inbreng, volgens mij.

De voorzitter:

Dank u wel. Voor de Handelingen: ik kijk rond naar de commissie. Dit is uw mogelijkheid voor een inbreng in tweede termijn als u daar behoefte aan heeft. Gezien de tijd zou ik zeggen: maximaal anderhalve minuut, liefst één minuut. Ik begin bij de heer De Groot.

De heer De Groot (D66):

Dank u, voorzitter. Dank aan collega Diertens en de Staatssecretaris voor de antwoorden. Ook dank voor de toezeggingen over gezonde kantines. Het Voedingscentrum zegt niet voor niets: «Het is nu de tijd om daarmee aan de slag te gaan. Een gezonde kantine is net zo winstgevend als een ongezonde kantine. Ga er dus over praten, zeker als die contracten worden verlengd.» Dus dank daarvoor.

Het is ook goed om de duimschroeven toch wat aan te halen wat betreft de productsamenstelling. Daarbij kan Nutri-Score echt heel erg nuttig zijn.

Wat betreft de nationaal rapporteur zitten we toch nog een beetje uit elkaar. Daarbij gaat het over het toegankelijk maken. We zien dat er toch vaak problemen zijn bij het opschalen en toegankelijk maken van lokale initiatieven om zo veel mogelijk mensen te laten deelnemen. De nationaal rapporteur kan daar echt in ondersteunen. Ik herhaal ook nog het punt van de overheid en het bewaken van de integraliteit van het beleid van de overheid zelf. Dit nog als toevoeging.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we naar mevrouw Kuik.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank voor de beantwoording door de initiatiefnemer, maar ook door de Staatssecretaris. Ik merk hoe dingen je kunnen beïnvloeden om in beweging te komen. Zo hebben wij als fractie de mogelijkheid gekregen om mee te doen aan een politieke stappenstrijd. Dat zorgt ervoor dat je toch meer in beweging komt om die stappen te zetten. Ik zie dus een heleboel mooie initiatieven. Laten we daar vooral mee verdergaan om die gezonde leefstijl te stimuleren.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Bolkestein.

De heer Bolkestein (VVD):

Dank u. Eerst één kritisch punt en dan een positief punt. Het kritische punt gaat over de suggestie dat gezond leven duur is. Ik hoorde de Staatssecretaris dat ook al een beetje zeggen. Ik heb het nog even gegoogeld. Een kilo appels kost € 1,10, en een pond sperziebonen kost € 1,19. Als de voorzitter erin geïnteresseerd is waar dat is, dan kan ze na de uitzending even naar mij toe komen en dan vertel ik waar je dat kan kopen. Geld is niet het probleem. Het is niet zo dat gezond leven duur is. Fietsen is goedkoper dan de bus. Het is gewoon niet waar dat geld de oplossing gaat zijn.

Wij geloven wel in voorlichting, bijvoorbeeld via de Nutri-Score. Wij vragen ons af, en ik persoonlijk al helemaal, waarom er nog steeds scholen zijn waar snoepautomaten en frisdrankautomaten staan. We geloven namelijk ook in de beschikbaarheid van gezonde alternatieven.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan ga ik naar meneer Jansen.

De heer Jansen (PVV):

Dank, voorzitter. Dank aan mevrouw Diertens en de Staatssecretaris voor hun reacties. Ik ben ook blij met de discussie die we als Kamerleden onderling hebben gehad, want ik denk dat het voor mensen die deze vergadering hebben meegeluisterd, heel duidelijk is welke partijen uiteindelijk kiezen voor vrijheid van het individu en die belangrijker vinden, en welke partijen denken of wensen dat de samenleving maakbaar is. Wij horen niet bij de tweede groep, zeg ik maar even.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Van Esch.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Dank u, voorzitter. Ik wou alleen nog afrondende woorden spreken richting mevrouw Diertens, die de Kamer gaat verlaten. Ik ga haar in ieder geval missen in haar strijd voor een beter preventiebeleid in deze Kamer. Ik wil haar alle succes wensen met de andere werkzaamheden die ze buiten de Kamer gaat opzoeken.

Ik ben heel benieuwd wat we verder gaan doen op het gebied van preventiebeleid. Volgens mij had ik in mijn eerste termijn al aangegeven dat het moment absoluut daar is om verder stappen te zetten. Ik voel ook wel dat die gezet worden. In dat opzicht ben ik daar heel positief over.

Mijn enige resterende, praktisch punt is: is er al een VAO aangevraagd? Ik zou het wel fijn vinden om dit alsnog af te kunnen sluiten met een VAO. Ik dacht dat die al schriftelijk was aangevraagd, maar ik vraag het even voor de zekerheid. Ik zie nee- en jaknikkende mensen.

De voorzitter:

Er is formeel via de regeling van werkzaamheden een vooraankondiging gedaan dat er eventueel een VAO aangevraagd zal worden, door mevrouw Diertens zelf. Als u nu een VAO aanvraagt, is dat bij dezen ook aangevraagd.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik wil best de eer aan mevrouw Diertens laten om een VAO aan te vragen, zolang er maar een VAO komt.

De voorzitter:

Laten we een besluit nemen. Politiek is kiezen.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Ik laat het graag aan mevrouw Diertens. O, ik doe het. Helemaal goed. Bij dezen een VAO aangevraagd.

De voorzitter:

Mevrouw Van Esch vraagt bij dezen een VAO aan. Dank u wel voor de vriendelijke woorden richting de initiatiefneemster. Dat is ook politiek. Dank u wel.

Meneer Renkema.

De heer Renkema (GroenLinks):

Voorzitter, dank u wel. Ik merkte dat de VVD en de PVV in hun bijdrage de neiging hadden om dit onderwerp toch wat ideologisch te benaderen. Volgens mij moeten we dat nu juist niet doen. We kunnen heel veel maatregelen bedenken. Er kunnen nog meer maatregelen komen. Ik denk ook dat het goed is om te kijken naar de rollen van alle partijen, de verplichtingen en de bekostiging. Ik denk dat we de periode voorbijzijn dat we dit voortdurend met vrijwilligheid en vrijblijvendheid benaderen.

Ik ga toch even terug, want volgens mij was het antwoord op mijn vraag over jeugdverpleegkundigen en jeugdartsen niet helemaal to the point, gezien datgene wat ik met mijn vraag beoogde. Ik heb er vaker voor gepleit. Ik denk dat het om allerlei redenen belangrijk is dat zij in het voortgezet onderwijs en het mbo veel meer aanwezig zijn en die ruimte ook krijgen. Ze zijn de afgelopen decennia op grote schaal wegbezuinigd. Ik vroeg de Staatssecretaris eigenlijk of die infrastructuur niet gewoon basaal aanwezig moet zijn bij de GGD. Dan kan dat gesprek met jongeren gevoerd worden.

De voorzitter:

Dan gaan we naar meneer Van Gerven. Gaat uw gang.

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Ik vond de opmerking van de heer Bolkestein van de VVD interessant. Hij zei dat de frisdranken weg moeten uit de scholen, als ik het goed heb begrepen. Ik ben zeer voor aanbodregulering, maar als het dan over het vrije bedrijf gaat, geeft de VVD meestal niet thuis. Dat is een constatering.

Dank aan mevrouw Diertens voor het debat van vandaag en haar inbreng. Het gaat haar straks buiten de Kamer ook heel goed, hoop ik, ook in goede gezondheid en met het recht op gezondheid.

Ik heb nog een vraag over de 1.000 dagen en de rol van de gemeente. Ik kijk ook even naar de Staatssecretaris. Moeten we daar niet nog concreter handen en voeten aan geven, zodat er een goed, preventief programma ligt om onze jeugd een zo gezond mogelijke toekomst te bieden?

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Bolkestein wil daar nog kort op reageren.

De heer Bolkestein (VVD):

Ja, ik wilde niet interrumperen. Even voor de goede orde: ik heb mij afgevraagd waarom er op scholen snoepautomaten en frisdrankautomaten staan. De heer Van Gerven schiet meteen weer in de kramp dat ik gezegd zou hebben dat de overheid daar dus moet ingrijpen. Dat heb ik niet gezegd.

De voorzitter:

Voor de Handelingen. De heer Van Gerven.

De heer Van Gerven (SP):

Als ik dan toch nog even mag reageren? De VVD vindt dat er geen frisdrankautomaten en dergelijke op scholen moeten staan. Dus aanbod is wel degelijk van invloed op de gezondheid en het gedrag van mensen. Als we dat constateren, waarom pakken we dan niet het vrije bedrijf of de retail of de voedselindustrie aan om hen gezonde producten te laten produceren, zodat het aanbod gezond is en leidt tot gezondere mensen en gezonder gedrag?

De voorzitter:

Ik constateer bij dezen ideologische verschillen. Dan gaan we door naar de beantwoording in tweede termijn van de initiatiefneemster van deze nota, mevrouw Diertens.

Mevrouw Diertens (D66):

Er is nog één ding waar ik graag op wil reageren. De Staatssecretaris zei tegen mij: mijn wens is om de Kamerleden goed te snappen. Ik denk inderdaad dat er iets niet helemaal goed gaat als we het hebben over de nationaal rapporteur. Het is namelijk zo dat ik mijn initiatiefnota ben begonnen met gezond beleid en met een beslispunt dat daar verband mee houdt. Als je dan de lijn van deze initiatiefnota volgt en onderliggende zaken bekijkt, waar ook Joop Alberda en zijn vrienden over praten, dan zie je dat er juist ontschot moet worden. De rol van die rapporteur is juist dat we niet alles apart gaan bekijken. We moeten van elkaar weten welk departement wat doet om een gezonde leefstijl te stimuleren. Die gaat wat mij betreft verder dan alleen het controleren van leefstijlprogramma's die worden ingezet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan wij naar de beantwoording van de Staatssecretaris in tweede termijn.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dank u wel, voorzitter. De heer De Groot heeft zijn punt van de nationaal rapporteur nog nader toegelicht. Dat wordt nu van twee kanten door de D66-fractie onder mijn aandacht gebracht. Ik wil het echt goed snappen. Wij hebben als kabinet in de schriftelijke reactie gezegd dat die vergaarbak bij het RIVM zit. Wij verwachten dat het RIVM die goed in de etalage zet en ervoor zorgt dat alles wat leefstijlgerelateerd en kansrijk is – de kleine lokale initiatieven waar de heer De Groot het over heeft – breder uitgevent wordt. Mij gaat het erom dat we geen nieuw vehikel in het leven roepen terwijl er al een ander vehikel bestaat dat heel goed is maar misschien beter zou kunnen. Laten we dat gesprek dan hebben.

In dat kader wil ik een RIVM-website noemen die niet in het debat is genoemd. Ik heb hem hier voor me: loketgezondleven.nl. Die is voor iedereen toegankelijk. Daar kun je heel breed bekijken welk nieuw beleid en welke nieuwe plannen er zijn over leefstijl. Daar staan 200, 300 interventies op die al ontwikkeld zijn en waarvan het RIVM zegt: die zijn effectief en kunt u lokaal toepassen. Dus is voor mij de oprechte vraag wat een nationaal rapporteur daaraan zou toevoegen. Moeten we het niet meer hebben over de vraag: dit bestaat, kunnen we daar een duw aan geven zodat het breder bekend wordt? Alleen al het feit dat ik het niet noemde in mijn eerste termijn geeft al aan dat de bekendheid nog beter kan worden. Als we daarop inzetten, dan is dat een andere naam, maar dat is echt iets anders dan een nationaal rapporteur als nieuw instrument. Volgens mij heb ik daar voldoende over gezegd. Ik blijf zeggen: bij het RIVM is dat heel goed belegd. Daarmee hebben wij een heel gerenommeerd instituut dat dit heel goed kan oppakken.

De heer Renkema vroeg of de jeugdverpleegkundigen en artsen, die weliswaar contactmomenten hebben in het primair onderwijs, wel voldoende in het voortgezet onderwijs zitten. Ook daar zijn contactmomenten. Als de heer Renkema zegt dat dat te weinig is, dan moeten we dat gesprek aangaan. Er is wel flexibiliteit in contactmomenten. De GGD-regio's, de gemeenten, kunnen daar afspraken over maken met de GGD en zeggen: wij willen dat je iets meer opschuift naar het voortgezet onderwijs. Als wij dat zelfs landelijk willen afdwingen, dan moeten we dat gesprek aangaan. Op dit moment zijn ze er wel. Er zijn zelfs reguliere contactmomenten in het voortgezet onderwijs. Ik meen dat, als de kinderen 13 jaar zijn, er sowieso een regulier contactmoment is.

De heer Van Gerven had het over de 1.000 dagen. In reactie op de beslispunten in het voorstel van mevrouw Diertens heeft het kabinet gezegd: daar investeren wij in, maar wij focussen vooral op de kwetsbare gezinnen. De heer Van Gerven vraagt: moet je dat niet breed uitrollen, want is niet elk gezin in potentie kwetsbaar? Tenminste, ik vertaal het even zo. Het kabinet heeft vorig jaar oktober een wetsvoorstel ingediend, de wijziging van de Wet publieke gezondheid, over het prenataal huisbezoek. Daar wordt in geregeld hoe je de eerste 1.000 dagen contact houdt. Volgens mij is het het beste dat wij dat gesprek in dat kader hebben, dat de Kamer, als dat wetsvoorstel naar de Kamer komt, zegt of zij vindt dat het kabinet het te smal benadert, dat het breder moet of dat de aanpak die nu wordt voorgesteld, toereikend is.

Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee komen we aan het eind van dit overleg. Ik constateer dat visuele ondersteuning van debatten steeds breder wordt toegepast. Daar komen we elkaar over een aantal jaren nog weleens over te spreken als we elkaar alleen nog maar met powerpointpresentaties proberen te overtuigen.

Ik constateer dat er een VAO is aangevraagd door mevrouw Van Esch van de Partij voor de Dieren. De Staatssecretaris heeft twee formele toezeggingen gedaan.

  • De eerste toezegging is: in de verkenning naar het prijsbeleid zullen de verschillende scenario's worden onderzocht en in samenhang worden bezien. Ik kijk even in de richting van de ambtenaren om te zien of ze daar heel onrustig van worden.

  • De tweede toezegging is: er komt een gesprek met de Kamer over de verankering van preventie in de Wet publieke gezondheid.

Dat zijn de toezeggingen. Mevrouw Van Esch twijfelt of daar nog wat bij moet.

Mevrouw Van Esch (PvdD):

Nee, niet over ... Ik ben gewoon even ... Maar misschien weet iedereen het al en ik niet. Dan moet u mij vooral stoppen. Was dat het, behalve het VAO, qua initiatiefnota? We gaan hier dus niet meer over stemmen of nog terugzien hoe bepaalde beslispunten uiteindelijk in beleid landen? Het voelt voor mij een beetje als: oké, er komt nog een VAO waar ik nog een motie kan indienen. Maar was het dat dan? Bij initiatiefwetsvoorstellen hebben we nog een plenaire behandeling. Dan krijgen we nog een plenaire stemming daarover. Misschien heb ik nog niet zo veel initiatiefnota's gehad en ben ik nu een vraag aan het stellen waar iedereen allang het antwoord op weet. Maar ik zou zo graag willen weten wat wij uiteindelijk terugzien van alle beslispunten die hierin staan.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de griffier. Dit gaat over de procedurele aanpak. U moet even uw microfoon aandoen.

De heer Heller:

Een initiatiefnota werkt alleen door via moties in principe.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter, mag ik daar wat aan toevoegen? Het kabinet heeft formeel gereageerd op het initiatief. Bij elk beslispunt zit een kabinetsappreciatie. De meeste punten worden omarmd. Daar wordt gezegd: we zijn er mee bezig; het wordt uitgewerkt. Vervolgens is de Kamer aan zet om te checken of het kabinet dat doet. Volgens mij is dat de koninklijke route.

De voorzitter:

Het heeft dus minder impact dan een wetsvoorstel en dergelijke. Dat is voor mij ook een ... Mevrouw Kuik wil daar nog wat over zeggen. Zo komen we toch nog aan de tijd.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ja, voorzitter, ik zat al te schuiven op mijn stoel, want wij praten de hele tijd over eten en ik heb wel zin in een lunch. Maar ik wil u, voorzitter, danken voor het voorzitten. Dit is de laatste keer voor u. Dank. U heeft ons geleid binnen de tijd. Dank daarvoor.

De voorzitter:

Geweldig. Dank u wel. Ik sluit bij dezen de vergadering. Prettige dag verder.

Sluiting 14.24 uur.