Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135644 nr. 3

35 644 Initiatiefnota van de leden Jasper van Dijk en Peters over «Aan de slag in het Sociaal Ontwikkelbedrijf; op naar een gerevitaliseerde Sociale Werkvoorziening»

Nr. 3 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 januari 2021

Tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2021 op donderdag 19 november jl. (Handelingen II 2020/21, nr. 27, debat over de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021) heeft de toenmalige Staatssecretaris u toegezegd schriftelijk te reageren op een initiatiefnota, getiteld «Aan de slag in het Sociaal Ontwikkelbedrijf» van het CDA en de SP (Kamerstuk 35 644, nr. 2). Met deze brief wil ik graag die toezegging nakomen.

Appreciatie

Ik heb met waardering kennisgenomen van de initiatiefnota van het CDA en de SP en sta sympathiek tegenover een aantal gedachten, dat in de initiatiefnota naar voren wordt gebracht. Het voorstel roept nog wel vragen op over de precieze invulling waardoor een volledige appreciatie van het voorstel nog niet goed mogelijk is. In mijn reactie geef ik graag aandachtspunten mee die benut kunnen worden bij een verdere uitwerking.

Ik wil overigens nu niet treden in de wijze waarop gemeenten hun sociale infrastructuur inrichten. Met de huidige infrastructuur bestaat reeds een landelijk dekkend netwerk van sociale werkbedrijven. Het is aan gemeenten om op grond van de Participatiewet een eigen afweging te maken hoe zij de uitvoeringsorganisatie vorm willen geven. Een eventuele wijziging daarin is aan een volgend kabinet.

Doelstelling en belang van sociale ontwikkelbedrijven

Over de doelstelling zijn we het eens: mensen met een arbeidsbeperking of een afstand tot de arbeidsmarkt moeten kunnen participeren. Bij voorkeur in regulier werk, maar als dat niet lukt in een meer beschermde omgeving. Ik onderschrijf met de indieners van de initiatiefnota dat de rol van de sociale werkbedrijven belangrijk kan zijn om een meer inclusieve arbeidsmarkt te bereiken. Ik deel ook in zijn algemeenheid het enthousiasme over die sociale ontwikkelbedrijven. De infrastructuur, kennis, kunde, ervaring met de doelgroepen en werkgeversnetwerken van deze bedrijven kunnen worden benut om meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een passende plek te bieden.

In meerdere arbeidsmarktregio’s zie je sociale ontwikkelbedrijven of leerwerkbedrijven als zodanig functioneren (zie ook de brief aan de Tweede Kamer van 9 juni 2020 over de Thermometer Wsw en het onderzoek naar Detacheren Werkt1).

De initiatiefnota vraagt bijzondere aandacht voor mensen die zijn aangewezen op werk onder aangepaste omstandigheden en citeert vervolgens de definitie van de doelgroep uit de Wsw. De passage roept de vraag op of initiatiefnemers het recht op een Wsw-dienstbetrekking willen openstellen voor de brede doelgroep (en dus feitelijk de voormalige Wsw willen laten herleven). Indien dat daadwerkelijk de bedoeling is heeft het forse organisatorische en financiële consequenties.

Toegang tot werk en het recht op initiatief

De initiatiefnemers willen voor mensen met een beperking de toegang tot werk als recht vormgeven. In de initiatiefnota wordt het idee verder uitgewerkt.

Van groot belang bij de uitwerking is de aard van het recht op werk, de vraag is of hier een afdwingbaar recht op een dienstbetrekking wordt beoogd, of het een inspanningsverplichting betreft. Het gemaakte onderscheid tussen mensen met een beperking en mensen met een vergrote afstand tot de arbeidsmarkt en de verschillende beschrijvingen van het beoogde instrumentarium vergen nadere verduidelijking: wie krijgt waarop aanspraak. Daarbij hoort ook een nadere omschrijving en afbakening van de doelgroepen.

Een afdwingbaar recht vind ik niet passen bij de belangrijke rol die werkgevers hierin vervullen. En zou in laatste instantie betekenen dat de overheid voor dit werk moet zorgen (vergelijkbaar met de vroegere Wsw), als zou blijken dat plaatsing bij een reguliere werkgever niet lukt. Ik stel vast dat dit een zeer vergaande maatregel zou zijn met grote organisatorische en financiële consequenties, die nader in beeld moeten worden gebracht.

Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (inclusief mensen met een beperking) krijgen in het voorstel ook een «recht op initiatief»: werkzoekenden kunnen zelf een re-integratieplan indienen bij de gemeente, met de daarvoor noodzakelijke loonkostensubsidie, job coaching en werkplekaanpassing (tot een bepaald maximum). Volgens de initiatiefnemers leidt dat tot extra kosten, maar zou het evengoed leiden tot een besparing op de uitkeringslasten. Uit het plan wordt niet direct helder in hoeverre de invulling van het re-integratieplan vrij is en hoe in dat geval de doelmatigheid en doeltreffendheid worden geborgd.

In de Participatiewet hebben gemeenten nu al de taak om ondersteuning bij arbeidsinschakeling te bieden en te beoordelen welke ondersteuning nodig en mogelijk is (bijvoorbeeld bij het aanbieden van beschut werk). In het wetsvoorstel Breed Offensief worden extra waarborgen geboden voor ondersteuning door maatwerk (het aanvragen van ondersteuning op maat). Nadere duiding is nodig of en in hoeverre deze huidige inspanningsverplichting van gemeenten wordt verzwaard dan wel dat een absoluut recht op een bepaald pakket aan dienstverlening wordt gecreëerd en wat daarvan de organisatorische en financiële implicaties zijn.

Re-integratie-instrumenten en basisfaciliteiten

Veel van de re-integratiemogelijkheden die in dit plan aan ontwikkelbedrijven worden toegeschreven, zijn op basis van het huidige instrumentarium al mogelijk en worden op verschillende plaatsen in Nederland aangeboden. Dat is in lijn met het eerdere advies van de SER uit 2016 waarin wordt geadviseerd dat die basisfunctionaliteiten overal aangeboden zouden moeten worden.

De gedachte in de initiatiefnota dat elke gemeente verplicht wordt te participeren in een sociaal ontwikkelbedrijf in de lokale of regionale arbeidsmarkt plus de gedachte dat de beoogde doelgroepen of werkgevers voor ondersteuning altijd terecht moeten kunnen bij deze sociaal ontwikkelbedrijven druist in tegen de huidige Participatiewet en de decentralisatiegedachte. Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij de wijze waarop zij de ondersteuning van mensen met een beperking en mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt organiseren. In de huidige setting kan ik niet verplichten dat de infrastructuur op regionaal niveau wordt ingericht.

Financiële gevolgen

De financiering op basis van realisaties en een differentiatie naar zwaartegroepen vind ik een interessante gedachte, maar lijkt niet goed te passen bij de huidige keuze om de begeleidingsmiddelen te verdelen via het gemeentefonds. De meerkosten voor scholing en begeleiding dienen te worden vergoed door het Rijk zo schrijven de initiatiefnemers. Niet duidelijk wordt gemaakt welk type financieringsinstrument het betreft en hoe het zich verhoudt tot de bestaande budgetten voor begeleiding. Ik wil graag wijzen op het belang om eerst de financiële gevolgen van de voorstellen nader in kaart te brengen. Ik zie uw verzoek aan het Centraal Plan Bureau om het plan door te rekenen dan ook als een goede stap.

Ontwikkeling en Participatie

Het voorstel heeft ook als doel het stimuleren van de ontwikkeling van mensen en de doorstroom naar regulier werk via sociale ontwikkelbedrijven. En een veilige terugval als het even niet lukt. Daarvoor is inzet van sociale ontwikkelbedrijven mijns inziens goed mogelijk. Sociale ontwikkelbedrijven zetten vol in op praktijkleren en detacheringen. Met beide onderdelen vervullen de sociale ontwikkelbedrijven een belangrijke rol als opstapfunctie richting duurzaam regulier werk.

We kennen nu ook het instrument van de banenafspraak waarmee een belangrijke verantwoordelijkheid voor het aanbieden van werkplekken bij werkgevers ligt. Niet duidelijk uit het voorstel is wat de gedachten zijn over de banenafspraak in relatie tot de rol van de reguliere werkgevers en, meer in het bijzonder, tot het voorstel voor het recht op werk.

Bouwstenen voor toekomstig beleid

Met de indieners zie ik het belang om met elkaar na te denken over de plaats van de sociale ontwikkelbedrijven in de toekomst. Ik zie daarbij een relatie met andere bouwstenen die zijn aangedragen. Het is aan een nieuw kabinet om besluiten te nemen over de toekomst van de SW-infrastructuur. Bij de formatie van een volgend kabinet kan een integrale beoordeling worden gemaakt, waarin dit voorstel wordt bezien in samenhang met de aanbevelingen van de WRR en de commissie Regulering van werk.

Daarbij kan ook het brede palet aan beleid in het sociaal domein en aanpalende beleidsterreinen worden meegenomen. In deze context kijkt het kabinet ook met bijzondere belangstelling naar het middellange termijn advies van de SER, waarmee sociale partners en kroonleden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de aanstaande formatie.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Kamerstuk 34 352, nr. 195