Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2020-2021 | 35619 nr. E |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2020-2021 | 35619 nr. E |
Ontvangen 22 juni 2021
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning waartoe de Fractie- Nanninga en fracties van de PvdA en PVV inbreng hebben geleverd. De vragen die zijn gesteld, worden hierna beantwoord in de volgorde waarin de inbreng is geleverd.
De Fractie-Nanninga vraagt waarom de regering niet heeft gemeend om – gezien de erkende dubbele oriëntatie- actief de herindeling terug te leggen bij de gemeenten met een simpel verzoek, namelijk om een einde te maken aan de onzekerheden en onvrede in Schaijk door in deze kern een expliciet referendum te organiseren. De leden vragen daarnaast waarom de regering de definitie «geen beletsel» hanteert voor deze herindeling in plaats van een punt van zorg. Naar de mening van de leden zou een punt van zorg moeten worden geadresseerd vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid, namelijk door de inwoners van Schaijk hierover expliciet het laatste woord te geven.
Gemeenten zijn op basis van het huidige beleid niet verplicht om een referendum te organiseren of om het maatschappelijk draagvlak op kernenniveau vast te stellen. Om deze reden heeft de regering er niet voor gekozen om aan de betreffende gemeenten te vragen alsnog een referendum te organiseren. Overigens heeft er in 2015 een referendum plaatsgevonden in Landerd en is er in 2018 door twee politieke partijen een enquête gehouden in Schaijk en Reek. De gemeenteraad van Landerd heeft over de uitkomsten gedebatteerd en uiteindelijk (samen met Uden) besloten tot een ongedeelde herindeling. De regering kijkt vooral naar hoe de gemeente dit proces heeft doorlopen en komt tot de conclusie dat de bezwaren uit Schaijk goed zijn meegewogen in een democratisch proces waarin, zoals dat gaat in een democratisch proces, deze bezwaren zijn afgewogen tegen andere belangen. Met de uitkomst van dit proces kan in dit geval helaas niet aan ieders wensen tegemoet worden gekomen. Een nieuw referendum zou de verdeeldheid en onvrede over deze herindeling in de kern Schaijk kunnen bevestigen, maar niet oplossen. De regering hoopt dat de evaluatie die na 2 jaar wordt gehouden naar aanleiding van het amendement Van der Molen en Özütok (35 619, nr. 12), de gemeente aanspoort om er alles aan te doen om de verdeeldheid in Schaijk over deze herindeling te verminderen.
De leden van de PvdA verwijzen naar de memorie van antwoord waarin de volgende passage is opgenomen: «Een herindeling draait met name om het versterken van de bestuurskracht van een gemeente als bestuurlijke eenheid. In dit kader lag gedurende het proces vooral de nadruk op de vraag wat een toekomstbestendige oplossing is voor de gemeente Landerd als geheel i.p.v. op de vraag wat de beste oplossing is voor de kernen Schaijk en Reek. Het bestuurskrachtvraagstuk speelt namelijk niet op het niveau van de kernen, maar op het niveau van de gemeente als bestuurlijk eenheid.».1 Mede met het oog op toekomstige herindelingen vragen de leden van de PvdA-fractie de regering waarom «bestuurskracht» bij herindelingen het dominante criterium is. Moet dit criterium niet altijd worden afgewogen tegen andere gelijkwaardige criteria, zoals het criterium van de menselijke schaal? En als het bestuurskrachtvraagstuk – zoals gesteld – niet op het niveau van de kernen speelt, maar op dat van de gemeente, leidt dit er dan niet toe dat de wensen van een afzonderlijk kern altijd het onderspit zullen delven in een discussie over een gemeentelijk herindeling?
De leden van de PvdA-fractie stippen hier terecht een belangrijk punt aan. Veel gemeenten in Nederland ervaren een spagaat tussen enerzijds de wens voor meer bestuurskracht en slagkracht die vaak noopt tot opschaling en anderzijds de wens om het bestuur dichtbij de inwoners te houden, oftewel «de menselijke maat» te behouden. De regering is van mening dat beide zaken (slagkracht en nabijheid van bestuur) belangrijke aandachtspunten zijn bij de keuze om al dan niet tot herindeling over te gaan.
In de ogen van de regering is het niet zo dat de wensen van afzonderlijke kernen altijd het onderspit delven in een discussie over gemeentelijke herindeling. De meeste herindelingsgemeenten hebben veel aandacht voor deze wensen. Als voorbeeld noem ik de Brabantse gemeente Haaren, die vanuit het perspectief van de oriëntatie van de diverse kernen ervoor koos om zichzelf op te heffen en de vier kernen bij vier verschillende buurgemeenten aan te laten sluiten.
De leden van de PvdA verwijzen verder naar pagina 2 van de memorie van antwoord waarin het volgende staat: «Op basis van het herindelingsadvies is niet te beoordelen of de kern Schaijk van fundamenteel belang is voor de toekomstbestendigheid van de nieuwe gemeente Maashorst.».2 De leden vragen zich of als deze beoordeling niet is te maken, waarom de integrale samenvoeging van Landerd en Uden dan de «(…) toekomstbestendige oplossing (…) voor de gemeente Landerd als geheel (…)».
Het herindelingsadvies van de gemeenten is gericht op een herindeling inclusief de kern Schaijk. De regering heeft daarom op basis van het herindelingsadvies wel kunnen constateren dat deze herindelingsvariant toekomstbestendig is, maar kan niet beoordelen of een herindeling zonder Schaijk ook toekomstbestendig zou zijn. Dat is namelijk niet de variant die in het herindelingsadvies is onderbouwd. Omdat de variant inclusief de kern Schaijk een afdoende toekomstbestendige oplossing is, die op voldoende draagvlak kan rekenen én deze variant na een voldoende zorgvuldige proces door de gemeenten is voorgesteld, heeft de regering dat voorstel in een voorstel van wet opgenomen.
De leden van de PVV-fractie verwijzen naar de volgende passage uit de memorie van antwoord: «Wel wil de regering benadrukken dat dit referendum goed in de lokale context en fase waarin het herindelingsproces zich bevond geplaatst moet worden.».3 De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan aangeven of vanuit die «lokale context» dan ook niet specifiek naar de wens van de kern Schaijk moet worden gekeken?
Met de aangehaalde zinsnede bedoelt de regering aan te geven dat het doel van het referendum uit 2015 niet was om het draagvlak te peilen voor de herindeling zoals die nu voorligt, maar om de mening van inwoners over zes verschillende varianten te peilen in het beginstadium van het herindelingsproces. Een van deze varianten was een herindeling waarbij Schaijk bij Oss zou worden gevoegd. Er is dus wel degelijk specifiek gekeken naar de wensen van inwoners uit Schaijk en geconstateerd dat er verschillende wensen leven in Schaijk. Daarna is een afweging gemaakt over wat de beste oplossing voor de gemeente Landerd is, waarbij deze wensen door de raad van Landerd zijn meegewogen in die besluitvorming.
De leden van de Fractie-Nanninga halen de memorie van antwoord aan waarin op een vraag van dezelfde leden over vormen van «participatie» die rondom de herindeling zijn toegepast is geantwoord door de regering dat zij deze initiatieven toejuicht, maar erkent dat dit soort trajecten nooit een volledig objectief en representatief beeld opleveren. De leden vragen wat volgens de regering instrumenten zijn die wel een volledig(er) objectief en representatief beeld opleveren?
De geschiktheid van instrumenten hangt sterk af van de doelen die gemeenten hebben in een participatief traject. Gezien de complexiteit van herindelingen hebben kwalitatieve instrumenten vaak de voorkeur boven kwantitatieve instrumenten. Het gesprek aangaan met inwoners of bepaalde doelgroepen levert vaak waardevolle inbreng op die gemeenten mee kunnen nemen in hun herindelingsplannen. Een enquête of referendum is een heel ander instrument dat vaak ook met een ander doel wordt ingezet, bijvoorbeeld om te peilen hoe inwoners over een specifiek onderwerp denken. Een referendum over een herindeling is vaak gericht op een afgebakende vraag en vergt dat inwoners vooraf goed geïnformeerd worden. Kwantitatief zijn hier vaak harde conclusies uit te trekken, maar in kwalitatieve zin levert een referendum minder op. De regering laat het daarom over aan gemeenten om te beoordelen welke instrumenten geschikt zijn om in de specifieke lokale situatie in te zetten.
De leden van de Fractie-Nanninga halen de memorie van antwoord aan waarin de volgende passage is opgenomen: »De keuze om wel of geen referendum te houden is aan de betrokken gemeenteraden. Zij kunnen, binnen de lokale context, het beste inschatten welk instrumentarium ingezet moet worden.»4 Dat begrijpen de aan het woord zijnde leden. Maar de Fractie-Nanninga vroeg expliciet (en is daar ook benieuwd naar) naar het oordeel van de regering het over het volgende. Waarom vindt de regering (niet) dat een referendum per kern (met de vraag: Bij welke gemeente wilt u horen?) een objectiever en representatiever beeld zal opleveren? Als als argumentatie geldt «de keuze is aan de betrokken gemeenteraden», zijn er dan überhaupt redenen om een herindelingsvoorstel waar de gemeenteraad -in welke meerderheid dan ook – achter staat, terug te sturen?
Een referendum kan zeker een objectief en representatief beeld opleveren, al ligt dit sterk aan de opzet van een referendum en hoe inwoners vooraf geïnformeerd worden om een goede keuze te kunnen maken. Aangezien een referendum niet in elke situatie het beste instrument is laat de regering de keuze aan gemeenten. Verder kijkt de regering bij de beoordeling van een herindelingsadvies naar maatschappelijk, bestuurlijk en regionaal draagvlak en weegt deze in samenhang. Het criterium draagvlak wordt daarnaast ook gewogen in samenhang met de andere criteria uit het beleidskader. Wanneer deze totale weging negatief uitvalt is dit reden om een herindelingsadvies niet om te zetten in een wetsvoorstel.
Volgens de leden van de Fractie-Nanninga hoort bij het «herindelen van onderop» de mate en aanwezigheid van lokale weerstand buiten de gemeenteraad om een belangrijke graadmeter of toetssteen te zijn voor de regering om de herindeling te accepteren, of te zeggen dat hier nog meer nodig is. De leden vragen of de regering dit met hun eens is en zo ja, waarom dat hier dan niet is gebeurd. Want de signalen zijn volgens de leden evident en geven aanleiding tot handelen.
Maatschappelijk draagvlak is zeker een belangrijk onderdeel van het criterium «draagvlak» uit het Beleidskader gemeentelijke herindeling 2018. Deze vorm van draagvlak wordt echter altijd gewogen met het bestuurlijk en regionaal draagvlak. In dit geval is er naar mening van de regering maatschappelijk draagvlak voor deze herindeling; alleen in de kern Schaijk zijn de meningen verdeeld. De bezwaren vanuit Schaijk zijn in de ogen van de regering goed meegewogen in het democratische besluitvormingsproces. De regering ziet daarom geen aanleiding om deze herindeling negatief te beoordelen op dit punt.
Daarnaast vragen de leden van de Fractie-Nanninga of in de situatie dat Schaijk bij Oss zou worden gevoegd en Reek en Zeeland bij Uden, zowel Oss als Uden in nieuwe vorm volgens de regering over voldoende bestuurskracht zouden beschikken of er aanwijzingen zijn dat er dan bestuurskracht verloren gaat.
De regering kan op basis van het herindelingsadvies niet beoordelen of de nieuwe gemeente zonder de kern Schaijk over voldoende bestuurskracht zou beschikken en of de herindeling in deze vorm ook zou voldoen aan de andere criteria uit het beleidskader. Een herindeling zonder deze kern is namelijk een andere herindelingsvariant dan is onderzocht en is voorgelegd aan de Minister van BZK. De gemeente Oss is een bestuurskrachtige gemeente; aangenomen mag worden dat toevoeging van Schaijk aan die gemeente geen negatief effect heeft.
Ook vragen deze leden of de regering bekend is met een tijdens de verkiezingen gehouden enquête onder notarieel toezicht in Schaijk. Hieraan heeft bijna 80% van de kiezers meegedaan en 58% heeft de voorkeur uitgesproken voor herindelen met Oss en 41% met Uden? Hoe interpreteert en weegt de regering deze informatie in het kader van het voorstel? Is dat niet een voldoende signaal om het voorstel terug te leggen in Landerd, uit het oogpunt van zorgvuldigheid en draagvlak?
De regering is bekend met deze enquête in de betreffende kern en heeft de uitkomsten ook opgenomen in de memorie van toelichting op de herindelingswet en de memorie van antwoord. De achtergrond en context zijn hierbij belangrijk. De gemeente Landerd koos ervoor om de kiezer in de gelegenheid te stellen om een definitieve keuze te maken over de herindeling tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. Vier van de zes politieke partijen waren voor herindeling met Uden. Dit was dus ook duidelijk voor de kiezer, aangezien het thema «herindeling» een centraal thema was bij de verkiezingen. De twee overige partijen wilden eerst zelf een enquête houden in Schaijk en Reek voordat zij hun standpunt bepaalden. De uitkomst was dat 56,1% van de respondenten uit Schaijk koos voor samenvoeging met Oss, 41,3% voor samenvoeging met Uden en 2,6% van de stemmen was blanco. In Reek koos 58,9% van de respondenten voor Uden en 34,5% voor Oss. De gemeente heeft na de verkiezingen een duidingsdebat gehouden waarin de uitslag van de enquête is betrokken. Eén van de twee partijen die de enquête hadden georganiseerd duidde de uitkomst als «niet significant» en op basis van de verkiezingsuitslag en de enquête kozen uiteindelijk vijf van de zes partijen ervoor om te gaan voor een ongedeelde herindeling met Uden en te blijven investeren in het draagvlak voor deze koers. Wat hierbij meespeelt is dat er geen draagvlak is in de gemeenteraad van Landerd en bij veel inwoners voor het splitsen van de voormalige gemeente Schaijk, die bestond uit de kernen Schaijk en Reek. Voor veel inwoners van de gemeente Landerd horen deze kernen bij elkaar. De beslissing van de gemeenteraad en interpretatie van de enquête moeten ook in deze context geplaatst worden. Daarom benadrukt de regering ook dat zij terughoudend is in het ter discussie stellen van besluiten van gemeenteraden die het resultaat zijn van overwegingen in een langdurig lokaal debat en in de lokale context geplaatst moeten worden. In de ogen van de regering hebben de gemeenten een goed proces gevolgd en heeft Landerd de bezwaren uit Schaijk goed meegewogen in de beslissing voor een ongedeelde herindeling. De regering zag dan ook geen reden om het voorstel bij de gemeente Landerd terug te leggen.
Eerder stelden de leden van de PVV-fractie de volgende vraag: «De leden van de PVV-fractie benoemen dat op pagina 4 van de MvT wordt gesteld: «De regering constateert dat de betrokken gemeenten hun inwoners goed hebben betrokken bij het herindelingsproces.» De leden vragen of de regering kan aangeven op basis van welke concrete criteria of indicatoren bepaald wordt of dit «goed» is. Verder vragen zij of het conform het beleidskader bijgehouden logboek op deze manier niet vooral een afvinklijstje is waarbij het opgevoerde participatietraject kwalitatief slechts marginaal getoetst wordt.».5 Naar de mening van de leden ontvingen zij hierop in de memorie van toelichting slechts een algemeen procedureel antwoord. Daarom vragen zij of de regering alsnog de gevraagde concrete criteria of indicatoren kan aangeven die bij dit specifieke herindelingsvoorstel van Landerd en Uden in dit kader zijn toegepast.
Als het gaat om het betrekken van inwoners is in het beleidskader niet voorgeschreven wat gemeenten precies moeten doen; dat is primair aan de gemeenten zelf en moet ook passen in de lokale context. Wel zijn er natuurlijk enkele procesvereisten vastgelegd in de Wet arhi, zoals ook is benoemd in de memorie van antwoord. De regering vraagt gemeenten om bij te houden hoe zij inwoners betrekken en in het herindelingsadvies te beargumenteren waarom zij vinden dat inwoners goed zijn betrokken. Op basis hiervan vindt de beoordeling plaats. In dit geval hebben Landerd en Uden een participatieproces ingericht dat onder andere bestond uit bijeenkomsten voor verschillende doelgroepen en een uitgebreide consultatieronde waarin inwoners van alle kernen actief zijn benaderd om hun mening te geven over de herindeling. In de ogen van de regering zijn de activiteiten die de gemeente heeft ondernomen goede manieren om inwoners bij een herindeling te betrekken. Voor een uitgebreidere beschrijving van het participatieproces en het oordeel van de regering op dit punt wordt verwezen naar de memorie van toelichting en het herindelingsadvies.
Er zijn dus geen specifieke criteria of indicatoren vastgelegd, maar dat betekent niet dat de regering een herindeling op dit punt niet kan beoordelen.
De leden van de PVV-fractie halen een passage uit de memorie van antwoord waarin het volgende staat: «De regering ontkent dus niet dat er relatief veel inwoners uit de harde kern van betrokken inwoners aanwezig waren op het festival, maar ziet het festival als sluitstuk van een goed participatief proces waarin de gemeenten alles gedaan hebben om een zo breed mogelijke groep inwoners te betrekken.».6 De leden vragen of de regering kan aangeven waarom ondanks deze onderkenning van het hoge «usual suspect»-gehalte dit «festival» dan toch als onderbouwing wordt aangevoerd voor het draagvlak bij de herindeling. Volgens de leden zegt dit «sluitstuk van een participatief proces» niets over de daadwerkelijke mate van draagvlak voor de herindeling. Daarom vragen zij de regering om aan te geven welke conclusies zij hieraan verbindt voor het veronderstelde maatschappelijke draagvlak.
Het festival Maashorst was één van de activiteiten die de gemeenten hebben georganiseerd om inwoners te betrekken bij het herindelingsproces. Het festival was het sluitstuk van het participatieve proces en had niet tot doel om draagvlak te meten, maar om de uitkomsten van het participatieve proces terug te leggen bij inwoners en hierover met elkaar in gesprek te gaan. De regering ziet het festival dus niet als activiteit waaruit is op te maken hoe groot het draagvlak voor deze herindeling is, maar als één van de activiteiten die de gemeenten heeft ondernomen om inwoners te betrekken en het draagvlak te vergroten.
De leden van de PVV-fractie halen voorts de volgende passage uit de memorie van antwoord aan: «De regering acht het mogelijk dat door splitsing van Landerd de nieuw te vormen gemeente Maashorst niet over voldoende bestuurskracht zal beschikken.».7 De leden vragen of de regering concreet kan aangeven waarop deze aanname dat geen sprake is van «voldoende bestuurskracht» wordt gebaseerd en op basis van welke indicatoren. Daarnaast vragen zij of de regering kan aangeven of zij een drempelwaarde of indicator hanteert om vast te stellen of de bestuurskracht «voldoende» is en hoe dit specifiek wordt bepaald ten aanzien van een eventuele splitsing van Landerd in de beoordeling.
In de memorie van antwoord is uitgelegd dat de regering op basis van het herindelingsadvies niet kan beoordelen of de nieuwe gemeente zonder de kern(en) Schaijk en/of Reek over voldoende bestuurskracht zal beschikken en of de herindeling in deze vorm ook voldoet aan de andere criteria uit het beleidskader. Een herindeling zonder Schaijk en/of Reek is namelijk een andere herindelingsvariant dan is onderzocht en aan mij is voorgelegd. Verder hanteert de regering geen drempelwaarde of vastgelegde indicatoren om vast te stellen of de bestuurskracht van een gemeente voldoende is. In antwoord op de eerdere vragen van de fractie-Nanninga heeft de regering in de memorie van antwoord uiteengezet hoe zij het begrip «bestuurskracht» definieert en welke kenmerken van bestuurskracht in het beleidskader zijn opgenomen. De kenmerken zijn niet uitputtend of als indicatoren vastgelegd omdat zij situationeel afhankelijk zijn. Op basis van de definitie en kenmerken uit het beleidskader beargumenteren gemeenten in hun herindelingsadvies waarom een nieuw te vormen gemeente over voldoende bestuurskracht beschikt.
De leden van de PvdA-fractie halen de passage uit de memorie van antwoord aan waarin staat dat de evaluatie een onafhankelijk beeld moet opleveren van de positie van Schaijk en Reek binnen de nieuwe gemeente en de wenselijkheid om deze kernen bij Oss te voegen.8 De leden vragen of zij ervan mogen uitgaan dat de evaluatie dan ook door een onafhankelijke instantie wordt uitgevoerd en zo nee, waarom niet. En zo ja, aan welk type onafhankelijke organisatie wordt dan gedacht en wordt bij de evaluatie ook de zienswijze van de gemeente Oss betrokken?
De regering zal de evaluatie uit laten voeren door een onafhankelijk (onderzoeks)bureau dat ervaring heeft met dit soort evaluaties. Over de insteek en opzet van de evaluatie is nog niets bekend; hierover vinden nu de eerste gesprekken plaats. Wel ligt het voor de hand dat de gemeente Oss betrokken wordt bij de evaluatie. In welke vorm dit zal gebeuren is op dit moment nog niet duidelijk en zal ook besproken worden met het bureau dat de evaluatie gaat uitvoeren.
De leden van de PVV-fractie halen de volgende zin uit de memorie van antwoord aan: «De regering kan vooruitlopend op de uitkomsten van deze evaluatie nog niet precies aangeven welke uitkomsten leidend zullen zijn en welke consequenties mogelijk aan de evaluatie verbonden worden.».9 De leden vragen de regering aan te geven wat de insteek en opzet zal worden van de evaluatieopdracht en op welke onderdelen er een nulmeting of anderszins toetsbaar instrument zal worden ingezet.
Hierover lopen op ambtelijk niveau de eerste verkennende gesprekken, maar de regering hecht eraan om met het nieuwe gemeentebestuur en de provincie definitieve afspraken te maken over de insteek, opzet en uitvoering van de evaluatie. Dit zal dan vanzelfsprekend pas na de herindelingsdatum zijn. Met het (onderzoeks)bureau zal worden besproken of er een nulmeting moet komen en op welke punten deze nulmeting zich richt. Dit is ook de reden dat de verkennende gesprekken over de evaluatie nu al zijn opgestart.
Vervolgens halen de leden van de PVV-fractie de passage uit de memorie van antwoord aan waarin het volgende staat: «Uiteraard zal er niet alleen worden gekeken naar de opvattingen van de gemeenteraad, maar ook naar de mening van inwoners, in het bijzonder in deze kernen.».10 De leden vragen of de regering kan aangeven op welke wijze de mening van de inwoners wordt betrokken en of de regering tevens kan aangeven in hoeverre hier ook specifiek een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende kernen.
Op dit moment kan de regering nog niet aangeven op welke wijze inwoners worden betrokken in de evaluatie. Dit hangt onder andere af van de aanpak die het bureau dat de evaluatie uitvoert kiest. Conform het aangenomen amendement zal in het onderzoek wel onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende kernen.
De Fractie-Nanninga concludeert uit de memorie van antwoord dat de regering positief is over de evaluatie. Zij vragen of de regering kan uitleggen hoe dit te verdedigen is in het licht van het vooraf expliciet aan de bewoners van deze kernen vragen wat zij willen. Dat is in de ogen van de leden toch veel logischer en beter, ook gezien de impact en consequenties als na 2 jaar alsnog deze hersteloperatie dient plaats te vinden.
De evaluatie is bij amendement ingevoegd in het wetsvoorstel. De regering is van mening dat deze herindeling aan alle criteria uit het beleidskader voldoet en de verschillende meningen van inwoners uit Schaijk voldoende gehoord en gewogen zijn. Daarom is het wetsvoorstel ook in procedure gebracht. De regering wilde evenwel tegemoetkomen aan de zorgen van de Tweede Kamer over de positie van Schaijk en Reek binnen de nieuwe gemeente en heeft het oordeel over het amendement daarom aan de Tweede Kamer gelaten.
De leden van de Fractie-Nanninga halen het debat aan dat onlangs is gehouden in de Eerste Kamer met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waarbij het thema van de menselijke maat aan bod kwam.11 Die moet terugkeren in het (lokaal) openbaar bestuur. De leden van de Fractie-Nanninga hebben veel waardering voor de stellingname omtrent de terugkeer naar de menselijke maat. Een groep inwoners uit Schaik probeert nu al lange tijd actief en met redelijke argumenten aandacht te vragen voor een indeling die voor de komende jaren invloed heeft op hun directe woon- en leefomgeving. Deze inwoners vragen daarbij enkel hen de kans te geven om zich als kern vooraf uit te spreken. De leden vragen of de regering deze kwestie Landerd-Uden in het licht van dat debat en de stellingname omtrent de menselijke maat nader kan duiden en of dit niet een uitgelezen kans is om de verandering, de cultuuromslag, alvast in te zetten, op weg naar meer menselijke maat.
Naar de mening van de regering hebben inwoners uit Schaijk zich kunnen uitspreken over deze herindeling en is er vanuit de gemeentebesturen van Landerd en Uden goed geluisterd naar de bezwaren die door een deel van de inwoners van Schaijk zijn geuit tegen deze herindeling. Deze bezwaren zijn ook serieus meegewogen. De gemeenteraden hebben uiteindelijk echter een keuze moeten maken die in hun ogen in het belang is van de gehele bevolking van de gemeente. Dit proces is transparant en democratisch verlopen, maar dat betekent niet dat iedereen zich in de uitkomst kan vinden. De regering benadrukt daarom nogmaals het besluit van de raden voor een ongedeelde herindeling te respecteren, juist vanuit het oogpunt van de «menselijke maat». Gemeenteraden staan namelijk dichtbij inwoners en kunnen de lokale situatie het beste inschatten. Daarnaast wil de regering benadrukken dat de bezwaren vanuit Schaijk niet alleen in het gemeentelijke proces, maar ook tijdens de wetgevingsprocedure veel aandacht hebben gekregen en zelfs tot amendering van het wetsvoorstel hebben geleid.
De leden van de PVV-fractie halen een passage uit de memorie van antwoord aan waarin de regering het volgende stelt: «De gemeenten Landerd en Uden achten de schaalvergroting noodzakelijk om binnen het kernenbeleid meer maatwerk mogelijk te maken en daarmee de eigenheid van de inliggende kernen beter te kunnen behouden.».12 De leden vragen of de regering kan aangeven hoe dit uitgangspunt van maatwerk zich verhoudt tot het negeren van de wens van de kern Schaijk om juist vanwege die eigenheid niet bij Uden maar bij Oss te willen horen.
Allereerst hecht de regering eraan te benadrukken dat de wens van een deel van de inwoners van Schaijk om met Oss te worden samengevoegd weldegelijk is gehoord en gewogen, maar dat de gemeenteraad een ander besluit heeft genomen. Dit betekent niet dat de nieuwe gemeente ongeloofwaardig is in haar wens om maatwerk te bieden binnen haar kernenbeleid. De regering hoopt en verwacht dat in het kernenbeleid van de nieuwe gemeente rekening wordt gehouden met de dubbele oriëntatie van Schaijk.
Op 2 mei jl. stuurde de Samenwerkende Recreatieondernemers Uden een brief aan de Eerste Kamerleden over deze samenvoeging.13 Zij stellen dat ze zich in het herindelingsproces «voor de gek gehouden» voelen en dat er niet naar hen is geluisterd en dat zij zich overvallen voelen met het voornemen om toch toeristenbelasting in te voeren in de nieuwe gemeente Maashorst. De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan aangeven wat deze brief zegt over de zorgvuldigheid van het proces en de betrokkenheid van lokale (recreatie)ondernemers? Voorts vragen zij of de regering kan aangeven of zij het wenselijk acht dat met deze samenvoeging de recreatieondernemers juist benadeeld zullen worden door de in te voeren toeristenbelasting en dat dit in ieder geval eerder in het proces kenbaar had moeten worden gemaakt.
Het basisprincipe is hier dat het aan een gemeente is om te beslissen om al dan niet een toeristenbelasting in te voeren; hier gaat het Rijk niet over. Hierbij moet worden benadrukt dat het aan de nog te kiezen raad van de gemeente Maashorst zal zijn om daadwerkelijk te beslissen over de belastingen en tarieven in de nieuwe gemeente. De ondernemers zouden in de aanloop naar de herindelingsverkiezingen en de daaropvolgende formatie dan ook kunnen proberen de inwoners en de volksvertegenwoordigers te overtuigen van hun standpunten. Eventuele voorbereidende activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van het nog te nemen raadsbesluit over de toeristenbelasting, zijn aangelegenheid van de herindelende gemeenten zelf: over het gevolgde proces wenst de regering dan ook geen oordeel te geven. Uit navraag bij betreffende gemeenten blijkt dat er tijdens een informatieve bijeenkomst in december 2020 met recreatieondernemers onder andere is gesproken over de mogelijke invoering van toeristenbelasting. Uit deze bijeenkomsten kwam naar voren dat ondernemers graag zien dat tegenover de invoering van toeristenbelasting extra uitgaven op het gebied van toerisme staan. In de visie op de gemeente Maashorst die door de beide raden is opgesteld, is toerisme en recreatie inderdaad als belangrijk speerpunt opgenomen. Hierbij ligt een stijging van de gemeentelijke uitgaven op het gebied van toerisme in de rede. Het is echter aan de raad van de nieuwe gemeente Maashorst om de definitieve keuze hierin te maken.
Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie of de regering kan duiden of het veronderstelde draagvlak voor de samenvoeging niet vooral een bestuurlijk draagvlak is en het maatschappelijke draagvlak ontbreekt.
De regering wil benadrukken dat alleen in de kern Schaijk inwoners verdeeld zijn over deze herindeling. De focus in de procedure is sterk op de kern Schaijk komen te liggen, maar in de ogen van de regering mag niet worden vergeten dat het overgrote deel van de inwoners van beide gemeenten zich wel in deze herindeling kan vinden en de raden die belangen nadrukkelijk hebben meegewogen in de uiteindelijke besluitvorming. In de ogen van de regering is het bestuurlijk draagvlak in dit geval een goede weerspiegeling van het maatschappelijk draagvlak, zoals men in een goed functionerende representatieve democratie ook mag verwachten.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren
Brief d.d. 2 mei 2021 van de Samenwerkende Recreatieondernemers Uden aan de Leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35619-E.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.