35 619 Samenvoeging van de gemeenten Landerd en Uden

D VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING1

Vastgesteld 8 juni 2021

1. Inleiding

De leden van de Fractie-Nanninga hebben kennisgenomen van de beantwoording door de regering en spreken daarvoor hun dank uit. De beantwoording geeft aanleiding tot vervolgvragen.

De leden van de PvdA-fractie danken de regering voor de beantwoording van hun vragen. Zij hebben nog enkele aanvullende vragen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennis genomen van de beantwoording door de regering.

2. Voorgeschiedenis en totstandkoming herindelingsadvies

De regering heeft aangegeven dat de kern Schaijk, waar veel om is te doen, een dubbele oriëntatie kent. Dit is volgens de regering geen beletsel voor deze herindeling, maar wel een aandachtspunt voor de nieuwe gemeente Maashorst, dat ook als zodanig door Landerd en Uden wordt onderkend.

Voor de Fractie-Nanninga blijft de vraag hier waarom de regering niet heeft gemeend om – gezien de erkende dubbele oriëntatie – niet actief de herindeling terug heeft gelegd met een simpel verzoek, namelijk: maak een einde aan onzekerheden door een expliciet referendum in Schaijk te organiseren. Dat zou een einde kunnen maken aan de onvrede die daar nu deels heerst. Waarom is dat niet gedaan en waarom hanteert de regering de definitie «geen beletsel» voor deze herindeling, in plaats van een punt van zorg? En een punt van zorg dat zou moeten worden geadresseerd uit het oogpunt van zorgvuldigheid, namelijk door de inwoners van Schaijk hierover expliciet het laatste woord te geven.

In de memorie van antwoord stelt de regering: «Een herindeling draait met name om het versterken van de bestuurskracht van een gemeente als bestuurlijke eenheid. In dit kader lag gedurende het proces vooral de nadruk op de vraag wat een toekomstbestendige oplossing is voor de gemeente Landerd als geheel i.p.v. op de vraag wat de beste oplossing is voor de kernen Schaijk en Reek. Het bestuurskrachtvraagstuk speelt namelijk niet op het niveau van de kernen, maar op het niveau van de gemeente als bestuurlijk eenheid.».2 Mede met het oog op toekomstige herindelingen vragen de leden van de PvdA-fractie de regering waarom «bestuurskracht» bij herindelingen het dominante criterium is. Moet dit criterium niet altijd worden afgewogen tegen andere gelijkwaardige criteria, zoals het criterium van de menselijke schaal? En als het bestuurskrachtvraagstuk – zoals gesteld – niet op het niveau van de kernen speelt, maar op dat van de gemeente, leidt dit er dan niet toe dat de wensen van een afzonderlijk kern altijd het onderspit zullen delven in een discussie over een gemeentelijk herindeling?

Eerder, op pagina 2 van de memorie van antwoord stelt de regering: «Op basis van het herindelingsadvies is niet te beoordelen of de kern Schaijk van fundamenteel belang is voor de toekomstbestendigheid van de nieuwe gemeente Maashorst.».3 Als dat niet te beoordelen is, waarom is de integrale samenvoeging van Landerd en Uden dan de «(...) toekomstbestendige oplossing (...) voor de gemeente Landerd als geheel (...)», zo vragen deze leden.4

De regering stelt in de memorie van antwoord: «Wel wil de regering benadrukken dat dit referendum goed in de lokale context en fase waarin het herindelingsproces zich bevond geplaatst moet worden.».5 De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan aangeven of vanuit die «lokale context» dan ook niet specifiek naar de wens van de kern Schaijk moet worden gekeken?

3. Toets aan het Beleidskader gemeentelijke herindeling

De regering antwoordt op de vragen van de Fractie-Nanninga over vormen van «participatie» die rondom de herindeling zijn toegepast, dat zij deze initiatieven toejuicht, maar dat zij erkent dat dit soort trajecten nooit een volledig objectief en representatief beeld opleveren. Wat zijn volgens de regering instrumenten die wel een volledig(er) objectief en representatief beeld opleveren?

De regering geeft in de beantwoording aan: »De keuze om wel of geen referendum te houden is aan de betrokken gemeenteraden. Zij kunnen, binnen de lokale context, het beste inschatten welk instrumentarium ingezet moet worden.»6 Dat begrijpen de aan het woord zijnde leden. Maar de Fractie-Nanninga vroeg expliciet (en is daar ook benieuwd naar) naar het oordeel van de regering het over het volgende. Waarom vindt de regering (niet) dat een referendum per kern (met de vraag: Bij welke gemeente wilt u horen?) een objectiever en representatiever beeld zal opleveren? Als als argumentatie geldt «de keuze is aan de betrokken gemeenteraden», zijn er dan überhaupt redenen om een herindelingsvoorstel waar de gemeenteraad – in welke meerderheid dan ook – achter staat, terug te sturen?

Volgens de leden van de Fractie-Nanninga hoort bij het «herindelen van onderop» de mate en aanwezigheid van lokale weerstand buiten de gemeenteraad om een belangrijke graadmeter of toetssteen te zijn voor de regering om de herindeling te accepteren, of te zeggen dat hier nog meer nodig is. Is de regering dat met de leden van de Fractie-Nanninga eens? En zo ja, waarom is dat hier dan niet gebeurd? Want de signalen zijn toch evident en geven aanleiding tot handelen?

Stel dat Schaijk bij Oss zou worden gevoegd en Reek en Zeeland bij Uden, zouden zowel Oss als Uden in nieuwe vorm dan volgens de regering over voldoende bestuurskracht beschikken? Of zijn er aanwijzingen dat er dan bestuurskracht verloren gaat?

Is de regering bekend met een tijdens de verkiezingen gehouden enquête onder notarieel toezicht in Schaijk? Hieraan heeft bijna 80% van de kiezers meegedaan en 58% heeft de voorkeur uitgesproken voor herindelen met Oss en 41% met Uden? Hoe interpreteert en weegt de regering deze informatie in het kader van het voorstel? Is dat niet een voldoende signaal om het voorstel terug te leggen in Landerd, uit het oogpunt van zorgvuldigheid en draagvlak?

Eerder stelden de leden van de PVV-fractie de volgende vraag: «De leden van de PVV-fractie benoemen dat op pagina 4 van de MvT wordt gesteld: «De regering constateert dat de betrokken gemeenten hun inwoners goed hebben betrokken bij het herindelingsproces.» De leden vragen of de regering kan aangeven op basis van welke concrete criteria of indicatoren bepaald wordt of dit «goed» is. Verder vragen zij of het conform het beleidskader bijgehouden logboek op deze manier niet vooral een afvinklijstje is waarbij het opgevoerde participatietraject kwalitatief slechts marginaal getoetst wordt.».7 De aan het woord zijnde leden ontvingen daarop in de memorie van toelichting slechts een algemeen procedureel antwoord. Daarom hebben deze leden de volgende vervolgvraag. Kan de regering alsnog de gevraagde concrete criteria of indicatoren aangeven die bij dit specifieke herindelingsvoorstel van Landerd en Uden in dit kader zijn toegepast?

Op pagina 12 van de memorie van antwoord stelt de regering: «De regering ontkent dus niet dat er relatief veel inwoners uit de harde kern van betrokken inwoners aanwezig waren op het festival, maar ziet het festival als sluitstuk van een goed participatief proces waarin de gemeenten alles gedaan hebben om een zo breed mogelijke groep inwoners te betrekken.».8 Kan de regering de leden van de PVV-fractie aangeven waarom ondanks deze onderkenning van het hoge «usual suspect»-gehalte dit «festival» dan toch als onderbouwing wordt aangevoerd voor het draagvlak bij de herindeling? Dit «sluitstuk van een participatief proces» zegt niets over de daadwerkelijke mate van draagvlak voor de herindeling, dus kan de regering aangeven welke conclusies zij hieraan verbindt voor het veronderstelde maatschappelijke draagvlak?

Op pagina 13 van de memorie van antwoord stelt de regering: «De regering acht het mogelijk dat door splitsing van Landerd de nieuw te vormen gemeente Maashorst niet over voldoende bestuurskracht zal beschikken.».9 Kan de regering concreet aan deze leden aangeven waarop deze aanname dat geen sprake is van «voldoende bestuurskracht» wordt gebaseerd en op basis van welke indicatoren? Kan de regering aangeven of zij een drempelwaarde of indicator hanteert om vast te stellen of de bestuurskracht «voldoende» is en hoe dit specifiek wordt bepaald ten aanzien van een eventuele splitsing van Landerd in de beoordeling?

4. Evaluatie

Over de evaluatie volgens artikel 9 van het wetsvoorstel zegt de regering in de memorie van antwoord er op toe te zullen zien «dat de evaluatie een onafhankelijk beeld oplevert over de positie van Schaijk en Reek binnen de nieuwe gemeente en de wenselijkheid om deze kernen bij Oss te voegen».10 Mogen de leden van de PvdA-fractie ervan uitgaan dat de evaluatie dan ook door een onafhankelijke instantie wordt uitgevoerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, aan welk type onafhankelijke organisatie wordt dan gedacht? Wordt bij de evaluatie ook de zienswijze van de gemeente Oss betrokken? Zo nee, waarom niet?

De regering stelt in de memorie van antwoord: «De regering kan vooruitlopend op de uitkomsten van deze evaluatie nog niet precies aangeven welke uitkomsten leidend zullen zijn en welke consequenties mogelijk aan de evaluatie verbonden worden.».11 De leden van de PVV-fractie vragen de regering om aan te geven wat de insteek en opzet zal worden van de evaluatieopdracht en op welke onderdelen er een nulmeting of anderszins toetsbaar instrument zal worden ingezet?

Vervolgens stelt de regering in de memorie van antwoord: «Uiteraard zal er niet alleen worden gekeken naar de opvattingen van de gemeenteraad, maar ook naar de mening van inwoners, in het bijzonder in deze kernen.».12 Kan de regering aangeven op welke wijze de mening van de inwoners wordt betrokken, zo vragen de leden van de PVV-fractie. Kan de regering tevens aangeven in hoeverre hier ook specifiek een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende kernen?

5. Overige aspecten

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is besloten dat er 2 jaar na de herindeling een evaluatie plaatsvindt. Daar kan uitkomen dat de inwoners van de kernen in de beoogde gemeente Maashorst zich alsnog bij Oss kunnen aansluiten. De regering is – zo begrijpen de leden van de Fractie-Nanninga – positief over die evaluatie. Zij vragen of de regering kan uitleggen hoe dit te verdedigen is in het licht van het vooraf expliciet aan de bewoners van deze kernen vragen wat zij willen. Dat is toch veel logischer en beter, ook gezien de impact en consequenties als na 2 jaar alsnog deze hersteloperatie dient plaats te vinden?

Onlangs, tijdens een nuttig debat in de Eerste Kamer met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is het thema van de menselijke maat uitvoerig behandeld.13 Die moet terugkeren in het (lokaal) openbaar bestuur. De leden van de Fractie-Nanninga hebben veel waardering voor de stellingname omtrent de terugkeer naar de menselijke maat. Een groep inwoners uit Schaik probeert nu al lange tijd actief en met redelijke argumenten aandacht te vragen voor een indeling die voor de komende jaren invloed heeft op hun directe woon- en leefomgeving. Deze inwoners vragen daarbij enkel hen de kans te geven om zich als kern vooraf uit te spreken. Kan de regering deze kwestie Landerd-Uden in het licht van dat debat en de stellingname omtrent de menselijke maat nog nader duiden? Is dit niet een uitgelezen kans om de verandering, de cultuuromslag, alvast in te zetten, op weg naar meer menselijke maat?

6. Afstand tussen burger en politiek

Op pagina 21 van de memorie van antwoord stelt de regering: «De gemeenten Landerd en Uden achten de schaalvergroting noodzakelijk om binnen het kernenbeleid meer maatwerk mogelijk te maken en daarmee de eigenheid van de inliggende kernen beter te kunnen behouden.».14 Kan de regering aan de leden van de PVV-fractie aangeven hoe dit uitgangspunt van maatwerk zich verhoudt tot het negeren van de wens van de kern Schaijk om juist vanwege die eigenheid niet bij Uden maar bij Oss te willen horen?

Op 2 mei jl. stuurde de Samenwerkende Recreatieondernemers Uden een brief aan de Eerste Kamerleden over deze samenvoeging.15 Zij stellen dat ze zich in het herindelingsproces «voor de gek gehouden» voelen en dat er niet naar hen is geluisterd en dat zij zich overvallen voelen met het voornemen om toch toeristenbelasting in te voeren in de nieuwe gemeente Maashorst. Kan de regering aangeven wat deze brief zegt over de zorgvuldigheid van het proces en de betrokkenheid van lokale (recreatie)ondernemers? Kan de regering aangeven of zij het wenselijk acht dat met deze samenvoeging de recreatieondernemers juist benadeeld zullen worden door de in te voeren toeristenbelasting en dat dit in ieder geval eerder in het proces kenbaar had moeten worden gemaakt? Kan de regering tot aan de aan het woord zijnde leden duiden of het veronderstelde draagvlak voor de samenvoeging niet vooral een bestuurlijk draagvlak is en het maatschappelijke draagvlak ontbreekt?

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning ziet met belangstelling uit naar de nota naar aanleiding van het verslag en ontvangt deze graag zo spoedig mogelijk, zodat een zorgvuldige plenaire behandeling van het wetsvoorstel voor het zomerreces in de Eerste Kamer tot de mogelijkheden blijft behoren.

De voorzitter van de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Dittrich

De griffier van de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Bergman


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), vac. (PvdD), Ganzevoort (GL), De Boer (GL), Van Hattem (PVV), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Koole (PvdA), Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), Bezaan (VVD), Van der Burg (VVD), Crone (PvdA), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Frentrop (FVD), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD) (ondervoorzitter), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), De Vries (Fractie-Otten), Keunen (VVD), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Talsma (CU).

X Noot
2

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 6.

X Noot
3

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 2.

X Noot
4

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 6.

X Noot
5

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 7.

X Noot
6

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 10.

X Noot
7

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 11.

X Noot
8

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 12.

X Noot
9

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 13.

X Noot
10

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 19.

X Noot
11

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 18.

X Noot
12

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 19.

X Noot
13

Handelingen I 2020/21, nr. 36, item 10.

X Noot
14

Kamerstukken I 2020/21, 35 619, C, p. 21.

X Noot
15

Brief d.d. 2 mei 2021 van de Samenwerkende Recreatieondernemers Uden aan de Leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Naar boven