35 597 Wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met de implementatie van de Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online -uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn online omroepdiensten)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID1

Vastgesteld 6 april 2021

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks hebben kennisgenomen van het voorstel en steunen de wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten ter implementatie van de richtlijn online omroepdiensten (2019/789)2 om de werking van de interne markt te verbeteren. Deze leden hebben nog enkele vragen.

2. Financiële gevolgen

De richtlijn zorgt voor een bredere verspreiding van televisie- en radioprogramma’s uit andere lidstaten ten behoeve van gebruikers in de Europese Unie, door het verlenen van licenties te vergemakkelijken of te verduidelijken. Vanuit de kant van de leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks is er bezorgdheid over een onduidelijkheid die bestaat in de nota naar aanleiding van het verslag3, waarin de regering stelt dat «alle filmmakers die de rechten als genoemd in het eerste lid van artikel 45d aan de producent overdragen, en dus niet alleen de scenarioschrijver en de hoofdregisseur, op grond van het tweede lid van dat artikel recht krijgen op een proportionele billijke vergoeding voor doorgifte en directe injectie».

Europese regelgeving geeft filmmakers recht op een passende en evenredige vergoeding voor exploitaties van hun werk. Artikel 45d, eerste lid van de Auteurswet heeft als het gaat om het innen van vergoedingen een beperktere werking dan het voorgestelde artikel 45d, tweede lid. Artikel 45d, eerste lid van de Auteurswet geeft slechts aanspraak op een billijke vergoeding voor de producent, terwijl het voorgestelde artikel 45d, tweede lid voor de daar bedoelde exploitaties voorziet in een billijke en proportionele vergoeding, die betaald moet worden door de eindexploitant. Door de rechtenoverdracht van artikel 45d, eerste lid van de Auteurswet (onbedoeld) te koppelen aan de vergoedingen bedoeld in het voorgestelde artikel 45d, tweede lid wordt gesuggereerd dat de maker verplicht is om rechten over te dragen aan de producent, waarvoor het tweede lid thans niet in een passende en evenredige vergoeding voorziet. Het recht op de vergoedingen bedoeld in het voorgestelde artikel 45d, tweede lid zou dan in feite afhankelijk gemaakt worden van de overdracht van rechten, die met die vergoedingen niets te maken hebben. Als die interpretatie zou worden gevolgd, doet dat afbreuk aan de onderhandelingspositie van de makers en daarmee hun mogelijkheid om daadwerkelijk een passende en evenredige vergoeding voor de exploitatie van hun werk te kunnen bedingen.

De aan het woord zijnde leden vragen aan de regering of zij kan bevestigen dat deze uitleg/koppeling niet de bedoeling van het wetsvoorstel is, dan spreekt de voorgestelde wettekst voor zich en wordt recht gedaan aan de strekking van de Europese richtlijn en het wetsvoorstel voor implementatie.

3. Collectieve beheersorganisatie buiten de EU/EER

Vanuit de zijde van Association de Gestion Internationale Collective des Oeuvres Audiovisuelles, gevestigd te Genéve, Zwitserland, (AGICOA), vertegenwoordigd door Kennedy van der Laan advocaten is aangevoerd4 dat in de toelichting van nota van wijziging5 onjuist wordt aangevoerd dat collectieve beheersorganisaties in een EU/EER-lidstaat gevestigd moeten zijn. De leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks horen graag of de regering gemotiveerd kan aangeven wat de bedoeling van de Europese wetgever op dit punt is geweest. Kunnen collectieve beheersorganisaties volgens de Europese wetgever ook buiten de EU/EER gevestigd zijn? Zo ja, waarom heeft de regering gekozen om dit te beperken tot collectieve beheersorganisaties die daar wel gevestigd zijn? Heeft de regering gekozen om collectieve beheersorganisaties hun vestiging in de EU/EER te hebben zodat het Europese toezicht is gegarandeerd en er een level playing field ontstaat inzake transparantie en governance, of is er een andere reden? Kan de regering aangeven wat dit voor gevolgen heeft voor collectieve rechtenorganisaties als AGICOA?

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien de reactie van de regering met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Boer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Backer (D66), De Boer (GL) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Rombouts (CDA), vac. (CU), Baay-Timmerman (50PLUS), Adriaansens (VVD), arbouw (VVD), Bezaan (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Frentrop (FVD), Janssen (SP), Karimi (GL), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Otten (Fractie-Otten) (ondervoorzitter), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Veldhoen (GL), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga). Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU)

X Noot
2

Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad.

X Noot
3

Kamerstukken II 2020/21, 35 597, nr. 6, p. 3.

X Noot
4

Ter inzage gelegd onder griffienummer 168571.02.

X Noot
5

Kamerstukken II 2020/21, 35 597, nr. 7, p. 3.

Naar boven