Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135594 nr. 2

35 594 Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag ter uitvoering van de afbouw van de salderingsregeling voor kleinverbruikers

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het stellen van regels noodzakelijk is ter uitvoering van de afbouw van de salderingsregeling voor kleinverbruikers;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Elektriciteitswet 1998 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «het bepaalde bij of krachtens deze wet» vervangen door «het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen, bedoeld in het zevende lid,»

2. Na het zesde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Onze Minister wijst bij besluit de ambtenaren aan die toezicht houden op de naleving van artikel 26aa, tweede lid, en 78, vijfde lid.

B

In artikel 5a wordt «het bepaalde bij of krachtens deze wet» vervangen door «het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen, bedoeld in artikel 5, zevende lid,»

C

Artikel 26aa wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst van het artikel wordt de aanduiding «1» geplaatst.

2. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, beschikt over een geïnstalleerde meetinrichting die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten, tenzij:

    • a. die afnemer blijkens de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen a of b, beschikt over een onbemeten aansluiting;

    • b. de netbeheerder na het tijdstip waarop de periode, bedoeld in artikel 26ae, eerste lid, aanvangt de afnemer nog geen geïnstalleerde meetinrichting die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten ter beschikking heeft gesteld;

    • c. de netbeheerder redelijkerwijs niet in staat is een dergelijke meetinrichting te plaatsen en de oorzaak daarvan niet in de macht van de afnemer ligt.

D

Artikel 26ae wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «tenzij die afnemer blijkens de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen a of b, beschikt over een onbemeten aansluiting.» vervangen door «tenzij:

  • a. die afnemer blijkens de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen a of b, beschikt over een onbemeten aansluiting;

  • b. de netbeheerder redelijkerwijs niet in staat is een meetinrichting te plaatsen die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten;

  • c. die afnemer reeds de beschikking heeft over een geïnstalleerde meetinrichting die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten.»

2. In het vierde lid wordt:

a. «een eerder tijdstip» gewijzigd in «een ander tijdstip»;

b. «een meetinrichting ter beschikking wordt gesteld die ten minste voldoen aan de krachtens artikel 95la, eerste lid, gestelde eisen» gewijzigd in «een meetinrichting als bedoeld in het elfde lid ter beschikking wordt gesteld».

3. In het elfde lid wordt «In dat geval wordt door de netbeheerder een niet op afstand uitleesbare meetinrichting ter beschikking gesteld.» vervangen door «In dat geval wordt door de netbeheerder een niet op afstand uitleesbare meetinrichting ter beschikking gesteld die de elektriciteit die van het net wordt afgenomen en de elektriciteit die op het net wordt ingevoed afzonderlijk kan meten.»

4. Na het veertiende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 15. De netbeheerder zendt Onze Minister de persoonsgegevens van een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, indien de netbeheerder deze afnemer een geïnstalleerde meetinrichting als bedoeld in artikel 26aa, tweede lid, ter beschikking heeft gesteld maar dit niet heeft geleid tot installatie van de meetinrichting.

E

Artikel 31c wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en tweede lid wordt «te verminderen met de op het net ingevoede elektriciteit» vervangen door «te verminderen met een percentage als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag van de op het net ingevoede elektriciteit».

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de hoogte of de berekening van de redelijke vergoeding.

F

Artikel 77h wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst van het artikel wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid wordt «en 26ae, tiende lid,» vervangen door «, 26ae, tiende en vijftiende lid, en 78, vijfde lid,»

3. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onze Minister kan in geval van overtreding van artikel 26aa, tweede lid, en 78, vijfde lid, de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

G

Na artikel 78, vierde lid, wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Onze Minister kan een leverancier verzoeken de persoonsgegevens van een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, te verstrekken indien deze afnemer blijkens de door de netbeheerder op grond van artikel 26ae, vijftiende lid, verstrekte informatie niet beschikt over een geïnstalleerde meetinrichting als bedoeld in artikel 26aa, tweede lid. Een leverancier verstrekt deze persoonsgegevens.

ARTIKEL II

In artikel 50, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag wordt «de via de aansluiting ingevoede elektriciteit» vervangen door «een percentage van de via de aansluiting ingevoede elektriciteit. Dit percentage bedraagt in:

  • a. het kalenderjaar 2023 91%;

  • b. het kalenderjaar 2024 82%;

  • c. het kalenderjaar 2025 73%;

  • d. het kalenderjaar 2026 64%;

  • e. het kalenderjaar 2027 55%;

  • f. het kalenderjaar 2028 46%;

  • g. het kalenderjaar 2029 37%;

  • h. het kalenderjaar 2030 28%;

  • i. de kalenderjaren vanaf 2031 0%.»

ARTIKEL III

  • 1. Artikel I, onderdelen A, B, C, D, F en G, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2. Artikel I, onderdeel E, en artikel II, treden in werking op 1 januari 2023.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

De Staatssecretaris van Financiën,