Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135577 nr. 3

35 577 Wijziging van enkele wetten houdende aanpassing van de belastingheffing over sparen en beleggen in de inkomstenbelasting (Wet aanpassing box 3)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

blz.

         

I.

ALGEMEEN

1

 

1.

Inleiding

1

 

2.

Voorgestelde wijzigingen

3

   

2.1.

Materieelrechtelijke wijzigingen in de vermogensrendementsheffing

3

   

2.2.

Formeelrechtelijke wijzigingen

4

 

3.

Budgettaire effecten

7

 

4.

Effecten voor individuele belastingplichtigen

8

 

5.

EU-aspecten

9

 

6.

Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

9

 

7.

Gegevensbescherming

11

 

8.

Uitvoeringsaspecten

13

 

9.

Advies en consultatie

14

 

10.

Evaluatie schijven box 3 en monitoring effecten op groene beleggingen

14

II.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

15

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Met dit wetsvoorstel wordt de vermogensrendementsheffing in box 3 aangepast zodat met ingang van 2021 met name de belastingdruk op kleinere vermogens in box 3 daalt. Hiertoe wordt het heffingvrije vermogen met ingang van 1 januari 2021 verhoogd van momenteel € 30.846 naar € 50.000. Voor partners wordt het heffingvrije vermogen met ingang van genoemde datum verhoogd van € 61.692 naar € 100.000. De schijfgrenzen worden opnieuw vastgesteld, waarbij de 2e schijf begint bij een box 3 vermogen van € 100.000 en de 3e schijf bij een vermogen van € 1.000.000. Als gevolg van de verhoging van het heffingvrije vermogen daalt het aantal belastingplichtigen dat belasting betaalt over inkomen in box 3 met ongeveer 900.000. Om dit pakket deels te dekken wordt het belastingtarief in box 3 verhoogd naar 31%.

Voor diverse inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen is de grondslag sparen en beleggen in box 3 van belang voor het bepalen van het recht op of de hoogte van bijvoorbeeld een toeslag of een eigen bijdrage aan een zorginstelling. Zonder nadere maatregelen werkt een aanpassing van de hoogte van het heffingvrije vermogen, en daarmee de omvang van de grondslag sparen en beleggen, door in deze regelingen. Deze effecten zijn niet beoogd. Daarom bevat het wetsvoorstel maatregelen om doorwerking van de verhoging van het heffingvrije vermogen in box 3 naar de vermogenstoetsen voor inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen en naar eigen bijdragen in het zorgdomein op basis van het vermogen te voorkomen. De tariefsverhoging in box 3 dient deels ter dekking van de doorwerking naar de inkomenstoetsen voor inkomensafhankelijke regelingen. Paragraaf 3 bevat een overzicht van de budgettaire gevolgen van dit voorstel, met inbegrip van de doorwerking in inkomensafhankelijke regelingen.

Al geruime tijd leeft de wens om de vermogensrendementsheffing beter aan te laten sluiten bij het werkelijke rendement. In de afgelopen jaren zijn er reeds stappen in deze richting gezet. Ten eerste is met ingang van 1 januari 2016 het heffingvrije vermogen verhoogd van € 21.330 naar € 24.437. Vervolgens is de vermogensrendementsheffing met ingang van 1 januari 2017 herzien zodat bij de bepaling van het forfaitaire rendement beter rekening wordt gehouden met uiteenlopende rendementen voor spaargeld en overige bezittingen en verschil in verdeling van het vermogen over spaargeld en overige bezittingen. Het forfaitaire rendement wordt vanaf 2017 gebaseerd op indicatoren van in de markt gerealiseerde rendementen op spaargeld en beleggingen. De verdeling van het vermogen in box 3 over spaargeld en overige bezittingen is daarbij ontleend aan de feitelijke gemiddelde verdeling over spaargeld en overige bezittingen (de vermogensmix) van alle belastingplichtigen. Deze rendementen op spaargeld en overige bezittingen worden jaarlijks aangepast aan de hand van actuele beschikbare gegevens.

Niettemin ervaren veel belastingplichtigen deze heffing nog altijd als te hoog, met name wanneer zij meer sparen dan forfaitair wordt aangenomen. Op 6 september 2019 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Financiën de contouren van een aanpassing van box 3 gepresenteerd.1 Het ging om een aanpassing om op de kortere termijn belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld tegemoet te komen binnen een forfaitair stelsel. In dit voorstel werd gerekend met de werkelijke verhouding van spaargeld, overige bezittingen en schulden van de belastingplichtige, in plaats van een forfaitair toegerekende vermogensmix op basis van de gemiddelde vermogensmix van alle belastingplichtigen. Ieder van deze drie categorieën vermogensbestanddelen had in dit voorstel een eigen forfaitair rendement of debetrente (in geval van schulden). Dat voorstel zou weliswaar spaarders tegemoet zijn komen, maar tegelijkertijd zouden andere belastingplichtigen door dit voorstel zwaarder worden belast. Voor mensen waarvan het vermogen in box 3 voor een relatief klein deel uit spaargeld bestaat, zou de belastingdruk aanzienlijk stijgen ten opzichte van de huidige situatie. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om relatief kleine beleggers. Dit voorstel zou daarom andere groepen dan spaarders onevenredig hebben benadeeld en zou hebben geleid tot onevenwichtige uitkomsten.

Het kabinet realiseert zich dat de wens om beter aan te sluiten bij het werkelijke rendement onverminderd leeft. Tegelijkertijd moet een stelselwijziging op voldoende draagvlak kunnen rekenen en mag het niet tot onevenwichtigheden leiden. Het belasten van het werkelijke rendement is voor het huidige kabinet het uiteindelijke doel. Dit doel is echter niet op de korte termijn te realiseren. Om op korte termijn toch een groot deel van de spaarders tegemoet te komen zijn alleen aanpassingen binnen de kaders van het huidige stelsel mogelijk. Van belastingplichtigen in box 3 met relatief kleine vermogens bestaat dit vermogen voor een groter deel uit spaargeld dan van belastingplichtigen met grotere vermogens. Dit komt in het huidige schijvensystematiek reeds tot uitdrukking. Een deel van de belastingplichtigen met vermogen in alleen de huidige eerste schijf heeft echter uitsluitend spaargeld. Binnen de kaders van het huidige stelsel is het verhogen van het heffingvrije vermogen daarom de meest geëigende manier om zoveel mogelijk spaarders tegemoet te komen en tegelijkertijd de kleine beleggers te ontzien. Door deze maatregel deels budgettair te dekken met een verhoging van het tarief, zullen belastingplichtigen met relatief grotere vermogens in box 3 meer belasting verschuldigd zijn dan nu.

Door de verhoging van het heffingvrije vermogen naar € 50.000 daalt het aantal belastingplichtigen in box 3 met circa 900.000: van circa 3 miljoen naar circa 2,1 miljoen. Van de resterende 2,1 miljoen belastingplichtigen daalt het belastbaar inkomen in box 3.

Het belastbaar inkomen in box 3 daalt voor iedereen. Dit heeft een neerwaarts effect op het verzamelinkomen van deze groep, waardoor het recht op inkomensafhankelijke regelingen voor een deel van deze groep kan toenemen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor in de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag. De voorgestelde wijzigingen in box 3 hebben geen effect op het recht op en de hoogte van de huurtoeslag en rechtsbijstand. Dit komt doordat belastingplichtigen die op dit moment al een belastbaar inkomen in box 3 hebben, nu al niet in aanmerking komen voor deze regelingen.

2. Voorgestelde wijzigingen

De voorgestelde wijzigingen bestaat op hoofdlijnen uit twee onderdelen: materieelrechtelijke aanpassingen in de vermogensrendementsheffing en formeelrechtelijke aanpassingen.

2.1. Materieelrechtelijke wijzigingen in de vermogensrendementsheffing

Het heffingvrije vermogen wordt verhoogd van € 30.846 (in 2020) naar € 50.000 (in 2021). Deze bedragen gelden per individu, partners mogen het heffingvrije vermogen dus tweemaal in aanmerking nemen in het bepalen van hun gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De schijfgrenzen worden opnieuw vastgesteld, waarbij de 2e schijf begint bij een box 3 vermogen van € 100.000 en de 3e schijf bij een vermogen van € 1.000.000. Voor alle circa 3 miljoen belastingplichtigen in box 3 daalt het inkomen in box 3. Voor circa 900.000 mensen daalt het box 3-inkomen naar nihil.

Het belastingtarief in box 3 stijgt per 2021 van 30% naar 31%. Met de verhoging van het tarief naar 31% worden de verhoging van het heffingvrije vermogen en het geraamde gedragseffect door de wijzigingen deels gedekt. De combinatie van de verhoging van het heffingvrije vermogen en de verhoging van het tarief leidt tot een lastenverlichting voor het grootste deel van de huidige groep belastingplichtigen in box 3. Van de huidige populatie betalen 900.000 mensen geen belasting meer in box 3. Iedereen met een vermogen dat tussen de € 50.000 en circa € 220.000 (voor partners minder dan € 440.000) ligt gaat minder belasting betalen. Dit zijn circa 1.700.000 mensen. Voor de circa 400.000 mensen met een vermogen van meer dan € 220.000 (voor partners meer dan € 440.000) leidt dit voorstel tot een lastenverzwaring. Hieruit blijkt duidelijk dat voor de effectieve belastingdruk het heffingvrije vermogen en het tarief onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Voor de groep van belastingplichtigen voor wie de belastingdruk stijgt treden naar verwachting gedragseffecten op, zoals het verschuiven van vermogen van box 3 naar box 2.

2.2. Formeelrechtelijke wijzigingen

De formeelrechtelijke aanpassingen moeten voorkomen dat een ophoging van het heffingvrije vermogen doorwerkt naar de vermogenstoets die in veel inkomensafhankelijke regelingen wordt gehanteerd. Zonder deze aanpassingen zouden meer betrokkenen in aanmerking komen voor een (hogere) inkomensafhankelijke tegemoetkoming. Gevolg van het voorkomen van deze doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen, is dat belastingplichtigen met een vermogen van € 31.430 (per 2021) nog steeds aangifte inkomstenbelasting over box 3 moeten doen, ook al wordt het heffingvrije vermogen verhoogd tot € 50.000. Daarnaast vergt het voorkomen van deze doorwerking een forse inspanning van de Belastingdienst; vrijwel de gehele uitvoeringslast, zowel incidenteel als structureel is toe te schrijven aan het voorkomen van deze doorwerking. Dit is nader toegelicht in paragraaf 9. Desalniettemin acht het kabinet het doelmatig om deze doorwerking te voorkomen, omdat het achterwege laten ervan forse budgettaire gevolgen zou hebben.

Doorwerking ophoging heffingvrije vermogen naar inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen

De grondslag sparen en beleggen in box 3 is een gegeven dat door het merendeel van de inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen wordt gebruikt als basis voor de vormgeving van een vermogenstoets. Deze grondslag wordt gevormd door de rendementsgrondslag verminderd met het heffingvrije vermogen. Voorbeelden van inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen die verband houden met de grondslag sparen en beleggen zijn de huurtoeslag, de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de eigen bijdrage in het kader van de Wet langdurige zorg. In deze regelingen is de aanspraak op de toeslag of de hoogte van de eigen bijdrage afhankelijk gesteld van (onder andere) het vermogen in box 3. De vermogenstoets houdt in dat het recht op een toeslag vervalt indien de grondslag sparen en beleggen boven het heffingvrije vermogen of een daarop gebaseerde hogere grens uitkomt. De hoogte van de eigen bijdrage aan (bijvoorbeeld) een zorginstelling is mede afhankelijk van de grondslag sparen en beleggen, waarbij een hogere grondslag sparen en beleggen leidt tot een hogere eigen bijdrage.

Zonder nadere regeling zouden, als gevolg van de verhoging van het heffingvrije vermogen en de daarop gebaseerde vermogenstoets in inkomensafhankelijke regelingen, meer mensen aanspraak maken op een toeslag of in aanmerking komen voor een hogere toeslag. Met deze doorwerking zou een budgettair beslag van ongeveer € 163 miljoen gemoeid zijn. Met de hogere eigen bijdragen aan (bijvoorbeeld) een zorginstelling zou eveneens een budgettair beslag gemoeid zijn. Naar het oordeel van het kabinet zouden dit ongewenste neveneffecten zijn van de aanpassing van de grondslag sparen en beleggen. Om deze effecten te voorkomen, kan voor wat betreft de hoogte van de vermogenstoets voor de vermogensafhankelijke regelingen niet meer onverkort worden aangesloten bij de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen bestaat immers uit de rendementsgrondslag minus het heffingvrije vermogen. Nu dit heffingvrije vermogen wordt verhoogd zou dit een ongewenst effect hebben naar inkomensafhankelijke regelingen die voor de hoogte van hun vermogenstoets aansluiten bij de grondslag sparen en beleggen. In dit wetsvoorstel wordt daarom voorgesteld om de vermogenstoets voortaan te gaan baseren op de rendementsgrondslag in box 3. Materieel blijft de samenstelling van het vermogen, ook voor de verschillende vermogenstoetsen, daarmee overigens bestaan uit dezelfde vermogensbestanddelen als naar huidig recht al het geval is. De aanpassing zorgt er uitsluitend voor dat in inkomensafhankelijke regelingen bij het bepalen van de hoogte van het vermogen een iets andere rekensom wordt gemaakt dan naar huidig recht het geval is.

De in dit wetsvoorstel voorgestelde aanpassing van box 3 leidt ook tot een neerwaarts effect op het verzamelinkomen bij belastingplichtigen die op dit moment box 3-heffing verschuldigd zijn. Dit lagere verzamelinkomen werkt door in een aantal inkomensafhankelijke regelingen, zoals de hiervoor genoemde toeslagen en de kinderopvangtoeslag. Het budgettaire beslag hiervan is ongeveer € 25 miljoen. Hoewel ook dit effect niet is beoogd, zou het voorkomen hiervan leiden een aanzienlijke toename van de complexiteit voor zowel burgers als de uitvoering. Aangezien daarnaast het budgettaire belang relatief beperkt is in het licht van dit wetsvoorstel en de effecten uitsluitend in het voordeel zijn van de rechthebbenden op de betreffende inkomensafhankelijke regelingen, bevat dit wetsvoorstel geen nadere maatregelen om het effect van het lagere verzamelinkomen te voorkomen.

Inzicht in vermogens

De Belastingdienst heeft van oudsher, vanwege de heffing over inkomen genoten in box 3, inzicht in het vermogen van belastingplichtigen. Omdat andere overheidsorganisaties niet het totale vermogen van een belanghebbende uitvragen, ontbreekt bij hen in beginsel de informatie om een vermogenstoets vorm te geven. Is een vermogenstoets nodig dan wordt om deze reden voor inkomensafhankelijke regelingen vaak aansluiting gezocht bij het vermogensbegrip zoals dit door de Belastingdienst gehanteerd wordt.

Om de hiervoor genoemde ongewenste effecten voor inkomensafhankelijke regelingen met een vermogenstoets te voorkomen, wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om aan de inspecteur de taak te geven het bedrag van de rendementsgrondslag, voor zover deze meer bedraagt dan € 31.340, vast te stellen in een beschikking die wordt opgenomen op de aanslag inkomstenbelasting, ook in gevallen waarbij vermoedelijk geen belasting verschuldigd is. Om deze beschikking te kunnen afgeven is een verstrekking van gegevens door de belastingplichtige noodzakelijk. Dit is vormgegeven door de aangifteplicht voor de inkomstenbelasting zodanig in te richten dat naast diegenen die vermoedelijk belasting verschuldigd zijn, ook degenen die een rendementsgrondslag van meer dan € 31.340 hebben in box 3, worden uitgenodigd om aangifte te doen. Om doelmatigheidsredenen is er voor gekozen om een drempel te hanteren bij de uitvraag van de rendementsgrondslag. Deze drempel is bewust gekozen op een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het heffingvrije vermogen voor inwerkingtreding van deze wet. De keuze voor deze drempel zorgt ervoor dat belastingplichtigen die nu ook al gewend zijn om aangifte inkomstenbelasting te doen, dit straks blijven doen. De gegevens die de Belastingdienst hierdoor verkrijgt dienen twee doelen. Aan de ene kant wordt hierdoor aan uitvoerders van inkomensafhankelijke regelingen met een vermogenstoets de levering van een vermogensgegeven gecontinueerd. Aan de andere kant zal de Belastingdienst de ontvangen gegevens ook gebruiken voor controledoeleinden in het kader van de belastingheffing en beoordeling van de vraag of toch nog inkomstenbelasting verschuldigd zou kunnen zijn.

Systematiek van de oplossing

Het bestaande beleid is dat degenen die vermoedelijk belastingplichtig zijn, door de inspecteur worden uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen. Belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting zijn alle natuurlijke personen die in Nederland wonen of niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten. In beginsel kan de inspecteur dus ruim uitnodigen tot het doen van aangifte. In de praktijk zoekt de inspecteur in het uitnodigingenbeleid naar een balans tussen administratieve lasten en uitvoeringslasten enerzijds en de toegevoegde waarde van informatie die uit de aangifte kan worden gehaald anderzijds. De regel dat degene die vermoedelijk belastingplichtig is en die geen uitnodiging heeft ontvangen kan worden verplicht zelf om een uitnodiging te vragen, sluit om deze reden in de vigerende regelgeving zoveel mogelijk aan bij de verwachting die de inspecteur heeft dat een belastingplichtige ook daadwerkelijk belasting verschuldigd zal zijn. Dit evenwicht is nader uitgewerkt in lagere regelgeving. In de Wet IB 2001 is vervolgens opgenomen dat degenen die aangifte hebben gedaan ook een aanslag inkomstenbelasting ontvangen.

Door de voorgenomen verhoging van het heffingvrije vermogen in box 3, zou een behoorlijk deel van de belastingplichtigen die momenteel aangifte doen, hiertoe volgens de vigerende regels niet meer verplicht zijn. Het gaat dan om belastingplichtigen die geen (aanvullende) belasting hoeven te betalen over hun box 1 inkomen en een vermogen in box 3 (rendementsgrondslag) hebben dat lager is dan € 50.000 of (indien sprake is van fiscaal partnerschap) € 100.000. Om de hiervoor beschreven doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen die een vermogenstoets of vermogensinkomensbijtelling hanteren zoveel mogelijk te voorkomen, is het nodig om van deze groep belastingplichtigen informatie te (blijven) ontvangen over de hoogte van hun rendementsgrondslag. Deze informatie zal ook worden gebruikt om zicht te houden op de mate waarin belastingplichtigen compliant zijn. Om deze informatie te blijven ontvangen, zal het beleid inzake het uitnodigen tot het doen van aangifte worden aangepast. Op grond van artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in combinatie met artikel 2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is het mogelijk om iedere inwoner van Nederland uit te nodigen om aangifte inkomstenbelasting te doen. In de praktijk beperkt de inspecteur de uitnodiging tot het doen van aangifte tot degenen die vermoedelijk een bedrag moeten betalen of die ondernemer zijn. Dit is geregeld in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Dit Besluit zal worden aangevuld met het vraagpunt of belastingplichtige vermoedelijk een rendementsgrondslag in heeft die hoger is dan een bedrag van € 31.340 dan wel dat belastingplichtige in het bezit is van groene beleggingen die zijn vrijgesteld. Voor deze belastingplichtigen wordt de gehele rendementsgrondslag vastgesteld in een geïndividualiseerde beschikking en vermeld op de aanslag. In de praktijk betekent dit dat grosso modo dezelfde groep belastingplichtigen een uitnodiging blijft ontvangen als naar huidig recht al het geval is. Echter, een deel van deze groep zal geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn en een nihilaanslag ontvangen. Op deze nihilaanslag zal naast een vermelding van het verzamelinkomen, ook het bedrag aan rendementsgrondslag worden vastgesteld. Deze vaststelling, die met name plaatsvindt omwille van de doorlevering daarvan ten behoeve van inkomensafhankelijke regelingen, vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking. Hiervoor is gekozen om te borgen dat belastingplichtigen een rechtsingang hebben, ook wanneer zij een aanslag ontvangen zonder een te betalen belastingbedrag en er dus vanuit fiscale optiek geen belang is voor de rechter om de zaak inhoudelijk in behandeling te nemen.

Als het gaat om een buitenlands belastingplichtige die in aanmerking wil komen voor een tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling, blijft het bestaande proces van kracht. Voor deze belastingplichtigen wordt geen beschikking rendementsgrondslag afgegeven.2 Mocht een buitenlands belastingplichtige een inkomensafhankelijke tegemoetkoming aanvragen, dan kan de uitvoeringsinstantie in kwestie zelf bij de verzoeker de benodigde gegevens opvragen. Daarnaast kan eventueel benodigde informatie mogelijk worden verkregen van de inspecteur door gebruik te maken van de al bestaande bevoegdheden om noodzakelijke informatie op te vragen bij de Belastingdienst.

In de praktijk zal een belanghebbende die bij een uitvoeringsinstantie een verzoek doet om een inkomensafhankelijke tegemoetkoming te mogen ontvangen, met name gebaat zijn met de mogelijkheid om bezwaar en beroep aan te tekenen tegen een gehele of gedeeltelijke afwijzing van dat verzoek. Als het bezwaar ziet op het gehanteerde verzamelinkomen, dan doet de uitvoeringsinstantie hiervan melding bij de Belastingdienst. Het verzamelinkomen is een authentiek gegeven uit de basisregistratie inkomen. De Belastingdienst onderzoekt de melding en stelt zo nodig een nieuw verzamelinkomen vast. Indien nodig wordt daarbij ook de rendementsgrondslag opnieuw vastgesteld. Als het bezwaar uitsluitend ziet op het gehanteerde vermogen, dan zal de uitvoeringsinstantie het bezwaar in eerste instantie zelf in behandeling nemen en mogelijk een verzoek om informatie doen bij de Belastingdienst om vervolgens, na ontvangst van de gevraagde informatie, zelf op het bezwaar te kunnen beslissen. Omdat het vermogensgegeven geen authentiek gegeven is, werkt een eventuele aanpassing van dat gegeven niet automatisch door naar het gegeven dat de Belastingdienst geregistreerd heeft staan. Wel kunnen belanghebbenden in dat geval ingevolge de Wet IB 2001 een verzoek doen bij de inspecteur om hun belastingaanslag of op de aanslag vermelde beschikkingen, ambtshalve te verminderen. Sluitstuk van de rechtsbescherming is dat tegen een gehele of gedeeltelijke afwijzing van zo’n verzoek vervolgens nog bezwaar en beroep openstaat. De wijzigingen in het onderhavige wetsvoorstel zorgen ervoor dat de nieuwe beschikkingen waarbij het bedrag van de rendementsgrondslag wordt vastgesteld, in deze systematiek meelopen.

3. Budgettaire effecten

Het budgettaire effect van het voorstel bestaat uit een aantal componenten. Een deel valt onder het inkomstenkader en een deel valt onder het uitgavenkader. Onder het inkomstenkader (tabel B1) valt ten eerste de verhoging van het heffingvrij vermogen en de aanpassing van de schijfgrenzen op € 100.000 en € 1.000.000. Dit betekent een derving van € 226 miljoen. Vervolgens wordt het voorstel deels gefinancierd door een verhoging van het belastingtarief in box 3. Het tarief wordt 31%. De opbrengst is € 144 miljoen. Er wordt mee gerekend dat van de groep belastingplichtigen waarvoor de heffing per saldo stijgt door een gedragsreactie een deel van hogere opbrengst niet optreedt. Er zijn verschillende reacties denkbaar, zoals een verschuiving van vermogen van box 3 naar box 2, een deel van het vermogen beleggen in onroerende zaken in het buitenland of consumeren. Er is verondersteld dat 20% van de ex-ante meeropbrengst van de groep die meer gaat betalen in box 3 in de structurele situatie niet zal optreden, waarvan de helft al in 2021 optreedt.

De voorgestelde aanpassingen in box 3 hebben ook effect op toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen. Het effect op toeslagen en eigen bijdragen volgens de Wet langdurige zorg (Wlz) bedraagt in totaal ongeveer € 25 miljoen structureel vanaf 2023. Omdat voor de eigen bijdrage volgens de Wlz het toetsinkomen een vertraging kent van twee jaar, treedt dit deel van het effect op in 2023. Van de toeslagen valt de zorgtoeslag onder het inkomstenkader. De andere toeslagen en eigen bijdragen vallen onder het uitgavenkader (tabel B2). De uitgavenkaders van de betrokken departementen zullen hiervoor worden gecorrigeerd. Deze bedragen zijn deels gedekt uit de opbrengst van het hogere belastingtarief.

Tabel B1 Budgettair effect vallend onder het inkomstenkader, bedragen in € mln, -/- betekent derving:
 

2021

2022

2023 (struc)

Verhogen heffingvrij vermogen

en afronden schijfgrenzen

– 226

– 226

– 226

Verhoging belastingtarief

144

144

144

Gedragseffect

– 8

– 17

– 17

Zorgtoeslag

– 10

– 10

– 10

Tegemoetkoming specifieke zorgkosten (VWS)

– 1

– 1

– 1

Totaal inkomstenkader

– 101

– 110

– 110

Tabel B2. Uitgavenkader, bedragen in € mln, -/- betekent derving:
 

2021

2022

2023 (struc)

Kinderopvangtoeslag (SZW)

– 1

– 1

– 1

Kindgebonden budget (SZW)

– 2

– 2

– 2

Eigen bijdrage zorginstellingen (VWS)

– 3

– 3

– 11

Totaal uitgavenkader

– 6

– 6

– 14

Per saldo is er in 2021 een tekort van € 107 miljoen en € 116 miljoen in 2022. Structureel treedt een derving op van € 124 miljoen.

Tabel B3: totaal budgettair effect. Bedragen in € mln, -/- betekent derving:
 

2021

2022

2023 (struc)

Inkomstenkader

– 101

– 110

– 110

Uitgavenkader

– 6

– 6

– 14

Totaal

– 107

– 116

– 124

4. Effecten voor individuele belastingplichtigen

In tabel E1 staan de parameters die bepalend zijn voor het effect op de verschuldigde box 3-heffing van een individuele belastingplichtige.

Tabel E1: Parameters ongewijzigd beleid en voorstel aanpassing box 3
 

Ongewijzigd beleid 2021

Voorstel 2021

Forfaitair spaarrendement

0,03%

0,03%

Forfaitair beleggingsrendement

5,69%

5,69%

Tarief

30%

31%

Heffingvrij vermogen

€ 31.340

€ 50.000

Vermogen einde eerste schijf

€ 105.301

€ 100.000

Begin hoogste schijf

€ 1.053.001

€ 1.000.000

Het effect op de verschuldigde belasting van een belastingplichtige (alleenstaand of één fiscaal partner met de helft van het gezamenlijke vermogen) staat in tabel E2. Tot een vermogen van € 50.000 loopt het belastingbesparende effect op tot 0,19%-punt (€ 106) van het box 3-vermogen. Belastingplichtigen met een vermogen tot circa € 222.000 (€ 444.000 voor fiscale partners samen) betalen minder box 3-heffing. Belastingplichtigen met een groter vermogen betalen meer belasting. Het hogere belastingtarief compenseert dan niet meer het voordeel van het hogere heffingvrij vermogen. Bij een vermogen van € 2.000.000 is de belastingdruk als percentage van het vermogen circa 0,05%-punt (€ 1.108) hoger. Het effect kan tot maximaal 0,0569%-punt van het vermogen oplopen.

Tabel E2 belastingdruk in % van het box 3-vermogen

Box 3

Vermogen

Ongewijzigd beleid

Voorstel 2021

Effect 2021

€ 30.000

0,00%

0,00%

0,00%

€ 50.000

0,21%

0,00%

– 0,21%

€ 100.000

0,39%

0,29%

– 0,10%

€ 222.000

0,90%

0,90%

0,00%

€ 1.000.000

1,25%

1,29%

0,04%

€ 2.000.000

1,47%

1,52%

0,05%

Het effect op de belastingdruk is voor vermogens van € 30.000 tot € 2.000.000 is weergegeven in onderstaande grafiek.

5. EU-aspecten

De in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen maatregelen hebben geen invloed op de (reeds bestaande) EU-aspecten.

6. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen maatregelen hebben in beperkte mate invloed op de regeldruk. Momenteel krijgen mensen enkel een aanslag waarop hun vermogen is vastgesteld indien zij een grondslag sparen en beleggen hebben in box 3. Door de voorgestelde maatregelen uit dit wetsvoorstel wordt het vermogen ook vastgesteld indien er geen grondslag sparen en beleggen is, maar wel een rendementsgrondslag is die meer bedraagt dan € 31.340. Deze wijziging leidt voor de huidige groep belastingplichtige in box 3 dus niet tot een wijziging van de administratieve lasten, zij blijven immers dezelfde gegevens verstrekken en krijgen bij vaststelling een aanslag.

Indien door de vaststelling van dit vermogen een beschikking wordt getroffen die recht op een toeslag terugneemt, bestaat hiertegen de mogelijkheid om in bezwaar te gaan. Dit wijzigt door het onderhavige wetsvoorstel niet. Wat wel wijzigt is de wijze waarop het vermogensgegeven wordt aangepast indien de persoon die bezwaar heeft gemaakt in het gelijk wordt gesteld. Op dit moment wordt het vermogensgegeven op de aanslag inkomstenbelasting en het vermogensgegeven voor de betreffende toeslag aangepast nadat degene die in bezwaar is gegaan gelijk heeft gekregen. In het onderhavige wetsvoorstel wordt het vermogensgegeven bij de betreffende toeslag aangepast, maar dient een separaat verzoek te worden ingediend om dit gegeven op de aanslag inkomstenbelasting aan te passen. Dit leidt tot een beperkte verzwaring van administratieve lasten.

De maatregelen die zijn aan te merken als tariefmaatregelen (wijziging van het belastingtarief en verhoging van het heffingvrije vermogen) hebben in het geheel geen invloed op de regeldruk. Het concept wetsvoorstel is voorgelegd aan de Autoriteit Toetsing Regeldruk (ATR). De ATR zag geen aanleiding tot het maken van een opmerking.

Doenvermogentoets

Het wetsvoorstel raakt in de eerste plaats aan het doenvermogen van de huidige groep belastingplichtigen met een vermogen tussen € 31.340 en € 50.000. Deze belastingplichtigen zijn verplicht om aangifte inkomstenbelasting te doen over box 3 terwijl zij naar alle waarschijnlijkheid geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn over hun vermogen in box 3. Gelet hierop is het de vraag in hoeverre deze belastingplichtigen de urgentie voelen om hun aangiftebiljet over box 3 tijdig en correct in te vullen. Aan hen moet worden uitgelegd dat naast de uitvraag van gegevens ten behoeve van controledoeleinden, de uitvraag ook dient voor het in kaart brengen van vermogens in Nederland ten behoeve van een eventueel beroep op een inkomensafhankelijke regeling door de belastingplichtige nu of in de toekomst. De hiervoor genoemde groep belastingplichtigen was overigens voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel aangifteplichtig voor box 3 en is derhalve al vertrouwd met het doen van aangifte.

Voor de groep burgers die in enig jaar voor het eerst aangifte moeten doen, bestaat er risico dat er in de aangifte fouten worden gemaakt. Dit risico zou vergroot kunnen worden omdat de aangifte als het ware twee doelen dient: het kunnen vaststellen van het verschuldigde bedrag aan inkomstenbelasting en het kunnen vaststellen van de rendementsgrondslag van belastingplichtige.

In de tweede plaats raakt het wetsvoorstel aan het doenvermogen van burgers die in de toekomst een inkomensafhankelijke toeslag willen aanvragen.

De huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget hanteren allemaal andere grenzen voor het vermogen. Dit leidt in het huidige stelsel tot veel correcties. Het wetsvoorstel voegt een additionele vermogensgrens toe voor al deze regelingen.

Tot slot wijzigt voor de groep belastingplichtigen met een vermogen tussen € 31.340 en € 50.000, de wijze waarop een eventueel bezwaar doorwerkt naar andere inkomensafhankelijke regelingen. Omdat het vermogensgegeven geen authentiek gegeven is, werkt een bezwaar waar positief op beslist wordt, niet automatisch door naar andere inkomensafhankelijke regelingen.

Alles overwegende acht het kabinet de druk op het doenvermogen in totaliteit aanvaardbaar.

7. Gegevensbescherming

Zoals hiervoor aangegeven wordt vanaf 2021 voor iedereen met een vermogen in box 3 van meer dan € 31.340, een beschikking rendementsgrondslag vastgesteld. Om dit te kunnen doen wordt aan belastingplichtigen met zo’n vermogen gevraagd om aangifte inkomstenbelasting te doen en de gegevens over box 3 in te vullen, ook als zij vermoedelijk geen belasting hoeven te betalen over hun box 3 inkomen. Daarmee worden fiscaal relevante persoonsgegevens opgevraagd, mede met het oog op een nieuw doel, namelijk het verkrijgen van inzicht in het vermogen van belastingplichtigen voor zover zij groene beleggingen hebben of hun rendementsgrondslag meer bedraagt dan € 31.340. Naar huidig recht wordt op een aanslag inkomstenbelasting ook de rendementsgrondslag vermeld indien deze hoger is dan het heffingvrije vermogen. Het vaststellen van de rendementsgrondslag voor belastingplichtigen is daarom geen nieuwe werkzaamheid voor de belastinginspecteur. Wel nieuw is dat een belangrijke reden om deze gegevens via een belastingaangifte op te vragen voor een deel van de belastingplichtigen voortaan is gelegen in het inzicht dat zo wordt verkregen in hun vermogen voor het geval zij nu of in de toekomst een beroep doen op een inkomensafhankelijke regeling. Nieuw is ook dat de beschikking wordt vastgesteld in een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking.

Persoonsgegevens behoren tot de persoonlijke levenssfeer en worden daarom beschermd door de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).3 Het opvragen van informatie over het vermogen van een belastingplichtige is een inmenging in diens persoonlijke levenssfeer («private life») en is op grond van het EVRM alleen toegestaan als de maatregel bij wet- en regelgeving is voorzien, de betreffende regeling voldoende toegankelijk is en de maatregel voldoende voorzienbaar is. De maatregel voldoet hieraan omdat hij wordt opgenomen in de belastingwetgeving. Uitwerking vindt plaats in de Wet IB 2001 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen en in de bijbehorende lagere regelgeving. In de Wet IB 2001 valt precies te lezen welke gegevens de belastingplichtige, naast zijn adresgegevens en burgerservicenummer, moet verstrekken aan de Belastingdienst. Ten behoeve van de transparantie naar belastingplichtigen toe is het belangrijk om helder te maken:

  • a. dat de gegevens uit de aangifte inkomstenbelasting worden gebruikt om voor eenieder met een rendementsgrondslag van € 31.340 of meer, een beschikking vast te stellen waarin het bedrag van de rendementsgrondslag is opgenomen; en

  • b. dat deze beschikking de basis vormt voor veel vermogenstoetsen die inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen hanteren.

Het EVRM vereist ook dat de inmenging in de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is in een democratische samenleving. Daarnaast moet de maatregel proportioneel en subsidiair zijn. Naar het oordeel van het kabinet is het noodzakelijk de rendementsgrondslag uit te vragen, omdat deze de basis vormt voor de vermogenstoets die veel inkomensafhankelijke regelingen hanteren. Tot op heden is er geen andere vermogensuitvraag waar inkomensafhankelijke regelingen zich op kunnen baseren. Alternatief is dat de uitvoeringsorganisaties die deze vermogensgegevens nodig hebben, zelf een uitvraag van vermogen doen bij belanghebbenden. Dit zou op het eerste gezicht meer proportioneel kunnen zijn naar betrokkenen toe, omdat in die oplossing slechts vermogensgegevens worden uitgevraagd bij belanghebbenden die ook daadwerkelijk een aanvraag doen om een inkomensafhankelijke tegemoetkoming te mogen ontvangen. Aan de andere kant is op voorhand niet te voorzien wie op korte termijn een beroep zouden kunnen gaan doen op een inkomensafhankelijke regeling waarin een vermogenstoets is opgenomen. En niet iedere inkomensafhankelijke regeling sluit voor de gegevens over de vermogenstoets aan bij het actuele jaar (van aanvraag). Soms wordt in de vermogenstoets een eerder jaar als uitgangspunt genomen. Voor degenen die daadwerkelijk een aanvraag voor een tegemoetkoming indienen, zou het grote administratieve lasten tot gevolg hebben om wellicht over meer jaren het vermogen inzichtelijk te maken voor uitvoeringsorganisaties. Zij moeten zelf allerlei gegevens bij elkaar verzamelen, zo nodig gestaafd door documenten, en eventueel over verschillende jaren ten behoeve van verschillende inkomensafhankelijke tegemoetkomingen. Ook voor uitvoeringsorganisaties en derden die vermogensgegevens zouden moeten gaan renseigneren, is de inrichting van een nieuw proces een grote uitvoeringslast c.q. administratieve last. Een dergelijke inrichting van de gegevensuitvraag weegt vanuit een oogpunt van efficiëntie niet op tegen de vaststelling van de rendementsgrondslag door de Belastingdienst. De Belastingdienst levert aan belastingplichtigen immers een aangiftebiljet waarop al zoveel mogelijk gegevens vooraf ingevuld zijn aan de hand van gegevens die de Belastingdienst heeft ontvangen van derden. Voor belastingplichtigen maakt dit het doen van aangifte eenvoudiger.

Alles overwegende kiest het kabinet ervoor om degenen die een rendementsgrondslag hebben voor de inkomstenbelasting van meer dan € 31.340, uit te blijven nodigen tot het doen van aangifte inkomstenbelasting. Daarbij is ook overwogen dat de opgevraagde gegevens als controle-informatie nog fiscaal relevant kunnen zijn, zeker als het vermogen van belastingplichtigen de grens van het heffingsvrije vermogen nadert. Dat andere uitvoeringsorganisaties op deze wijze de bestaande invulling van de vermogenstoets kunnen behouden, draagt bovendien bij aan het streven van de overheid om zoveel mogelijk te volstaan met het eenmalig uitvragen van een (persoons)gegeven bij de belanghebbende.

Tot slot moet een maatregel op grond waarvan persoonsgegevens worden verwerkt voldoen aan de beginselen en vereisten van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Zo moet sprake zijn van een gegevensverwerking die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Daarbij moet de verwerking voldoen aan één van de grondslagen van de AVG.4

In dit geval bestaat voor deze verwerking een wettelijke grondslag en is in de verschillende materiewetten ook voorzien in een grondslag voor verstrekking van het vermogensgegeven aan andere uitvoeringsorganisaties. Uit de constellatie van de voorgestelde wetswijzigingen en de toelichting hierop, blijkt het doel dat met de nieuwe regelgeving wordt beoogd. Naast een fiscaal belang is er ook een ander belang gediend met het verkrijgen van het inzicht in het vermogen van belastingplichtigen: het handhaven van de bestaande vermogenstoets voor inkomensafhankelijke regelingen. Deze helderheid, in combinatie met een goede voorlichting aan belastingplichtigen, zorgt ervoor dat het proces en de doelen ervan voor iedereen inzichtelijk en transparant

zijn.

Niet alle belastingplichtigen met een vermogen tussen € 31.340 en € 50.000 zullen uiteindelijk gebruik maken van een inkomensafhankelijke regeling met een vermogenstoets. Aan de andere kant is met een onverkorte doorwerking van de voorgestelde ophoging van het heffingsvrij vermogen naar bestaande vermogenstoetsen een budgettair beslag gemoeid van € 163 miljoen. Dit is van een zodanige omvang dat het kabinet het voldoende proportioneel en behoorlijk vindt om de maatregelen te treffen die in het onderhavige wetsvoorstel zijn opgenomen.

Advies Autoriteit Persoonsgegevens

Aan de Autoriteit Persoonsgegevens is spoedadvies gevraagd op een concept van dit wetsvoorstel. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft in dat advies aangegeven geen opmerkingen te hebben5.

8. Uitvoeringsaspecten

De Belastingdienst heeft onderhavig voorstel op uitvoerbaarheid getoetst. Daaruit komt naar voren dat het voorstel ingrijpend, maar uitvoerbaar is, mits de risico’s die voorvloeien uit de effecten voor het IV-portfolio worden geaccepteerd. Deze risico’s vloeien voor een groot deel voort uit het feit dat de werkzaamheden in de IT-voortbrenging voor de Inkomensheffingen zodanig groot zijn dat geen capaciteit meer resteert voor andere werkzaamheden. In ieder geval is het niet mogelijk deze te combineren met de werkzaamheden in de Inkomensheffingen voor het Elektronisch berichtenverkeer. Er resteert vanaf half 2021 tot en met het eerste kwartaal van 2022 geen capaciteit om, naast parameterwijzigingen, andere aanpassingen in de systemen te doen, waardoor voor foutherstel, aanpassingen naar aanleiding van jurisprudentie en eventuele nieuwe wetgeving geen ruimte meer is. Er wordt gezocht naar opschaling. Mocht dit niet mogelijk blijken kunnen aanvullende keuzes in het portfolio nodig blijken waarbij werkzaamheden voor voorgenomen wetgeving en/of werkzaamheden die nodig zijn voor beheer en onderhoud van de systemen naar een later moment moeten worden doorgeschoven met mogelijke continuïteitsrisico’s tot gevolg. Het risico op procesverstoringen wordt groot ingeschat.

Naast deze gevolgen wijst de Belastingdienst op het feit dat voor een groep burgers in de aangifte Inkomstenbelasting een uitvraag plaatsvindt voor niet-fiscale doeleinden en dat dit in de communicatie, handhaving en complexiteit gevolgen heeft. De incidentele uitvoeringskosten van het voorstel worden op € 1,4 miljoen en de incidentele kosten op € 1,3 miljoen geraamd.

De maatregel wordt uitvoerbaar geacht door de Belastingdienst per de voorgestelde datum van inwerkingtreding. De gevolgen voor de uitvoering zijn beschreven in de uitvoeringstoets die als bijlage is bijgevoegd6. De uitvoeringskosten zijn opgenomen in onderstaande tabel. De uitvoeringskosten worden gedekt op begroting IX.

Tabel PM: Overzicht uitvoeringskosten Belastingdienst (Bedragen x € 1.000)

Aanpassing heffingvrij vermogen

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aanpassen heffingsvrij vermogen box 3

350

1.740

1.310

1.080

1.080

1.350

TOTAAL

350

1.740

1.310

1.080

1.080

1.350

9. Advies en consultatie

De op 6 september 2019 gepresenteerde contouren van een aanpassing van box 3 hebben geleid tot veel reacties uit de samenleving, van individuele burgers tot brancheorganisaties en de AFM. Er zijn naar aanleiding van de contourenbrief meerdere bijeenkomsten georganiseerd met koepels van belanghebbende partijen, waarin zij hun visie op het voorstel hebben gepresenteerd en toegelicht. De kern van de reacties vanuit de hiervoor genoemde burgers en organisaties is dat er weliswaar begrip is voor het tegemoetkomen van mensen met vooral of uitsluitend spaargeld, maar dat het forfaitaire beleggingsrendement zoals dat in box 3 wordt bepaald voor sommige categorieën van overige bezittingen niet haalbaar is en dat dit zich met name voordoet bij de relatief kleine beleggers in box 3. Het voorstel van 6 september 2019 had er toe kunnen leiden dat kleine beleggers zich gedwongen voelen in zeer risicovolle beleggingen te stappen. Bovendien leeft er een sterke wens om box 3 per 2021 aan te passen, wat voor het oorspronkelijke voorstel niet mogelijk is.

Mede door deze reacties is het voorstel voor aanpassing van box 3 herzien. Het gaat daarbij met name om het vinden van een andere en meer evenwichtige verdeling van de effecten, zowel op het vlak van lastenverlichting als van lastenverzwaring en de snelheid waarmee de aanpassing kan plaatsvinden. In verband met de korte tijd tussen de start van het wetgevingstraject van dit voorstel en de voorgestelde datum van inwerkingtreding, namelijk 1 januari 2021, was er onvoldoende tijd om het wetsvoorstel in openbare (internet)consultatie te geven.

10. Evaluatie schijven box 3 en monitoring effecten op groene beleggingen

In het wetsvoorstel is net als in de huidige wet sprake van een gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen naar hoeveelheid spaargeld en beleggingen (de vermogensmix) in combinatie met een in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten. Zowel het rendement op het spaardeel als op het beleggingsdeel wordt jaarlijks aangepast aan de hand van de meest actueel beschikbare gegevens. Er wordt dus niet gedifferentieerd naar de vermogenstitels die een belastingplichtige daadwerkelijk bezit, maar naar een gemiddelde vermogensverdeling over sparen en beleggen. Deze gemiddelde vermogensmix is gebaseerd op de belastingaangiften en wordt periodiek geëvalueerd. In het Belastingplan 2016 is opgenomen de vermogensmix te evalueren. De eerste evaluatie is toegezegd voor 2020. Deze evaluatie is uitgevoerd en wordt opgenomen in de Moties en Toezeggingenbrief van 15 september 2020. De conclusie van die evaluatie dat de parameters van de vermogensmix in de schijven geen aanpassing behoeven is in dit wetsvoorstel verwerkt. De eerstvolgende evaluatie van deze parameters is over vijf jaar.

De voorgestelde aanpassing van box 3 heeft gevolgen voor belastingplichtigen met groene beleggingen. Circa 10% van de belastingplichtigen met groene beleggingen heeft inclusief deze groene beleggingen een box 3-vermogen onder de € 50.000. Voor hen neemt het voordeel van de regeling groene beleggingen af. Zij betalen geen box 3-belasting meer waardoor zij geen fiscaal voordeel van de vrijstelling voor groene beleggingen meer hebben. Zij hebben nog wel het voordeel van de heffingskorting voor groene beleggingen. 90% van de groep heeft een totaal vermogen boven de € 50.000. Voor deze groep neemt het fiscale voordeel van de vrijstelling voor groene beleggingen toe, als gevolg van de voorgestelde verhoging van het tarief in box 3. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de voorgestelde aanpassing van box 3 per saldo van invloed is op het gebruik van de regeling en de verdeling tussen groen spaargeld enerzijds en groene beleggingen anderzijds. Vanwege de verschuiving in het voordeel van de regeling zullen de effect op groen spaargeld en groene beleggingen worden gemonitord. De uitkomsten daarvan worden in ieder geval meegenomen bij de eerstvolgende evaluatie van de regeling groen beleggen.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A (artikel 2.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Zoals in het algemeen deel van deze memorie is toegelicht, wordt voorgesteld het tarief van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen te wijzigen. Ingevolge artikel I, onderdeel A, wordt het tarief in artikel 2.13 Wet IB 2001 van 30% verhoogd naar 31% per 1 januari 2021.

Artikel I, onderdeel B (artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Voorgesteld wordt de in artikel 5.2 Wet IB 2001 opgenomen tabel te vervangen door een nieuwe tabel. De eerste schijf wordt in verband met de voorgestelde verhoging van het heffingvrije vermogen naar € 50.000 herijkt op € 100.000. Daarnaast wordt voorgesteld de lengte van de tweede schijf per 2021 vast te stellen op het vermogen tussen de € 100.000 en € 1.000.000. De laatste schijf betreft het vermogen van meer dan € 1.000.000. Alle vermogensschijven zullen jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de tabelcorrectiefactor.

Artikel I, onderdeel C (artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Zoals in het algemeen deel van deze memorie is toegelicht, wordt voorgesteld het heffingvrije vermogen per 1 januari 2021 te verhogen naar € 50.000. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de tabelcorrectiefactor.

Artikel I, onderdeel D (artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In het eerste lid van artikel 9.4 Wet IB 2001 is geregeld welke belastingplichtigen een aanslag inkomstenbelasting ontvangen. Dit is, gelet op het tweede lid van genoemd artikel, een limitatieve opsomming. Niet alle belastingplichtigen met een rendementsgrondslag boven een bedrag van € 31.340 die per 2021 aangifte inkomstenbelasting doen, zouden volgens de nieuwe wetgeving in aanmerking komen om een aanslag te ontvangen. Om zeker te stellen dat hiervan wel sprake is, wordt voorgesteld een onderdeel c toe te voegen. In dat onderdeel is opgenomen dat ingeval sprake is van een rendementsgrondslag van meer dan € 31.340 of de belastingplichtige een bedrag aan groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.13 heeft, een aanslag inkomstenbelasting wordt opgelegd aan de belastingplichtige in kwestie. De beschikking bedrag rendementsgrondslag of beschikking bedrag groen beleggen die ingevolge het voorgestelde artikel 9.4a Wet IB 2001 voor binnenlands belastingplichtigen wordt vastgesteld, wordt dan vermeld op de aanslag.

Artikel I, onderdeel E (artikel 9.4a van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Het voorgestelde artikel 9.4a Wet IB 2001 regelt in het eerste lid in de eerste plaats dat het bedrag van de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 Wet IB 2001, bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld en wordt vermeld op de belastingaanslag indien de rendementsgrondslag per 2021 meer beloopt dan € 31.340. Doordat dit bedrag separaat wordt vastgesteld is het voor degene tot wie de beschikking zich richt, ook in situaties waarin het bedrag van de beschikking is opgenomen in een aanslag, expliciet mogelijk om tegen dit gegeven bezwaar en beroep in te stellen. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de tabelcorrectiefactor.

Voor binnenlands belastingplichtigen wordt voor de definitie van rendementsgrondslag aangesloten bij artikel 5.3 Wet IB 2001: voor elk van deze belastingplichtigen met een vermogen dat per 2021 meer beloopt dan € 31.340 wordt een beschikking rendementsgrondslag vastgesteld.

Voor buitenlands belastingplichtigen wordt niet al bij de aanslag een beschikking rendementsgrondslag gegeven. Het beroep dat buitenlands belastingplichtigen doen op een inkomensafhankelijke regeling is veel beperkter. Bovendien is voor hen beperkter invulling gegeven aan het begrip rendementsgrondslag in artikel 7.7, tweede lid, Wet IB 2001. Mocht een buitenlands belastingplichtige een toeslag aanvragen, dan volgt uit artikel 7, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, dat zijn niet in Nederland belastbare vermogen(sinkomsten) worden meegenomen in de berekening van de rendementsgrondslag.

In het voorgestelde artikel 9.4a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 is opgenomen dat ook het bedrag aan groene beleggingen dat is vrijgesteld op grond van artikel 5.13 Wet IB 2001, separaat wordt vastgesteld bij voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Dit gebeurt zowel voor belastingplichtigen met een rendementsgrondslag die meer dan € 31.340 bedraagt, als voor belastingplichtigen met een lagere rendementsgrondslag. Reden hiervoor is dat enkele inkomensafhankelijke regelingen bij toepassing van de vermogenstoets geen rekeninghouden met een eventuele vrijstelling voor groene beleggingen. Heeft een aanvrager van zo’n inkomensafhankelijke toeslag vrijgestelde groene beleggingen, dan wordt met deze vrijstelling geen rekening gehouden. Het vrijgestelde bedrag aan groene beleggingen wordt voor de toepassing van die vermogenstoets dan bij het vermogen van de aanvrager opgeteld.

In het tweede lid van het voorgestelde artikel 9.4a Wet IB 2001 is opgenomen op welke wijze de bedragen moeten worden toegerekend tussen de belastingplichtige en zijn fiscale partner. Indien de belastingplichtige een fiscale partner heeft en er is belasting verschuldigd over hun gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, wordt voor de onderlinge toerekening van de rendementsgrondslag naar de belastingplichtige en zijn fiscale partner dezelfde toerekening gehanteerd als waarvoor belastingplichtige en zijn partner hebben gekozen op grond van artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001. Indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen nihil is, komt men in de aangifte niet toe aan het kiezen van een onderlinge toerekening. In die situaties kunnen belastingplichtige en zijn partner, omdat artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing is verklaard, het saldo van de gezamenlijke rendementsgrondslag onderling toerekenen. Doordat artikel 2.17, vierde lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing is verklaard, kan de onderlinge toerekening worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag onherroepelijk vaststaat.

In het voorgestelde derde lid van artikel 9.4a Wet IB 2001 is opgenomen dat een eenmaal vastgestelde beschikking nog kan worden herzien naar een lager bedrag als de belastingaanslag wordt aangepast. Belangrijk is dat het bedrag aan rendementsgrondslag dat is opgenomen in de op de voet van het eerste lid vastgestelde beschikking, niet afwijkt van de rendementsgrondslag die als basis is genomen voor de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting over het box 3-vermogen. Hetzelfde geldt voor het bedrag aan groene beleggingen. In het vierde lid is opgenomen dat een beschikking die tot een te laag bedrag is vastgesteld kan worden herzien door de inspecteur op basis van een nieuw feit dat hem niet bekend was en ook niet bekend had horen te zijn, op het moment dat hij de beschikking vaststelde. Daarbij is artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van overeenkomstige toepassing verklaard.

In het voorgestelde vijfde lid van voornoemd artikel 9.4a Wet IB 2001 is analoog aan artikel 24a AWR geregeld dat een bezwaar tegen de beschikking bedrag rendementsgrondslag tevens geldt als een bezwaar tegen de belastingaanslag en vice versa, tenzij uit het bezwaarschrift anders blijkt. Daarmee is geborgd dat mocht belanghebbende onverhoopt uitsluitend bezwaar maken tegen een van beide besluiten, dit vanzelf ook ziet op het andere besluit, mits het onderwerp van geschil relevant is voor dit andere besluit.

Artikel I, onderdeel F (artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Artikel 9.6 Wet IB 2001, eerste lid, Wet IB 2001 bepaalt dat een ambtshalve vermindering van een aanslag inkomstenbelasting uitsluitend plaatsvindt op grond van dat artikel. Een verzoek daartoe kan worden gedaan in gevallen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen. Mocht een dergelijk verzoek tot een ambtshalve vermindering worden afgewezen, dan is deze afwijzing, in tegenstelling tot een afwijzing van een verzoek dat is gedaan op grond van artikel 65 AWR, voor bezwaar en beroep vatbaar. Op grond van het vierde lid van artikel 9.6 Wet IB 2001 geldt deze werkwijze ook voor beschikkingen die op de aanslag inkomstenbelasting zijn vermeld, waaronder automatisch ook de beschikkingen die worden gegeven op grond van het voorgestelde artikel 9.4a, eerste lid, onderdelen a en b, Wet IB 2001. In dat kader wordt voorgesteld tevens te regelen dat de bedragen die in deze beschikkingen worden vastgesteld, voor de toepassing van een bezwaar of beroep tegen een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering geacht worden onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. Concreet heeft dit tot gevolg dat een bezwaar en beroep tegen een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van het bij deze beschikkingen vastgestelde bedrag ook geldt als een bezwaar en beroep tegen een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van de gehele belastingaanslag. Omgekeerd geldt een bezwaar en beroep tegen een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van de belastingaanslag ook als een bezwaar en beroep tegen de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van een van de nieuwe beschikkingen.

Artikel I, onderdeel G (artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De bedragen die zijn vermeld in de in artikel 10.1 Wet IB 2001 genoemde artikelen worden ieder jaar gecorrigeerd met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 Wet IB 2001. De voorgestelde wijziging voegt een verwijzing naar het voorgestelde artikel 9.4a Wet IB 2001 toe, zodat ook het daarin vermelde bedrag ieder jaar wordt geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor.

Artikel II, onderdeel A (artikel 7a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Voorgesteld wordt om na artikel 7 AWR een artikel 7a in te voegen. Dat artikel stelt zeker dat de inspecteur die een belastingplichtige op grond van artikel 6 AWR heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte, ook informatie mag opvragen indien dit – uitsluitend – van belang is om de beschikking bedrag rendementsgrondslag of de beschikking bedrag groen beleggen te kunnen vaststellen. Dit betreft de groep belastingplichtigen met een vermogen lager dan het nieuwe bedrag van het heffingvrij vermogen, maar hoger dan een bedrag van € 31.340 of de groep belastingplichtigen met groene beleggingen.

Artikel II, onderdeel B (artikel 56a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Afdeling 2 van hoofdstuk VIII AWR ziet op de verplichtingen die belastingplichtigen hebben jegens de inspecteur om inlichtingen en gegevens aan hem te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Een belastingplichtige met een fors lagere rendementsgrondslag dan het heffingvrije vermogen zou kunnen stellen dat de door de inspecteur gevraagde inlichtingen om de beschikking inzake het bedrag van de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 9.4a, eerste lid, Wet IB 2001, af te geven, niet zijn bedoeld voor de belastingheffing.

Om discussie op dit punt te voorkomen en expliciet helder te maken dat de bevoegdheden van de inspecteur ook kunnen worden ingezet ten behoeve van het vaststellen van de hiervoor genoemde beschikking, wordt voorgesteld een nieuw artikel (artikel 56a) in de AWR in te voegen. In dat artikel is een opsomming opgenomen van artikelen uitafdeling 2 van hoofdstuk VIII AWR die van overeenkomstige toepassing zijn op de vaststelling van de bedragen, bedoeld in artikel 9.4a, eerste lid, onderdelen a en b, Wet IB 2001. Een uitzondering wordt gemaakt voor artikel 50 AWR, het toegang verlenen tot gebouwen, omdat dit een relatief zwaar middel is indien met name informatie moet worden verkregen om een van de genoemde beschikkingen vast te stellen. Daarnaast worden de artikelen 47a en 52 AWR niet van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel III (artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Door de voorgestelde aanpassing van het heffingvrije vermogen in box 3 wordt de grondslag sparen en beleggen (en daarmee het voordeel uit sparen en beleggen) lager. Zonder meer verwijzen naar deze nieuwe grondslag zou tot gevolg hebben dat fors meer belanghebbenden recht krijgen op een inkomensafhankelijke tegemoetkoming of recht krijgen op een hoger bedrag aan tegemoetkoming. Om deze reden sluiten de vermogenstoetsen na de inwerkingtreding van deze wet aan bij de rendementsgrondslag in plaats van bij de grondslag sparen en beleggen. Voor belastingplichtigen met een fiscale partner geldt dat voor de toerekening van hun gezamenlijke rendementsgrondslag wordt aangesloten bij de onderlinge toerekening die zij hanteren voor het saldo van de grondslag sparen en beleggen.

Artikel IV (artikel 2a van de Wet op de zorgtoeslag)

Een verzekerde heeft op grond van het huidige artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag (Wzt), geen aanspraak op een zorgtoeslag indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001, van de verzekerde in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 85.767. De grondslag sparen en beleggen is op grond van artikel 5.2 Wet IB 2001, de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. Dit heffingvrije vermogen bedraagt thans op grond van artikel 5.5 Wet IB 2001 € 30.846.

Op grond van het huidige artikel 2a, eerste lid, van de Wzt heeft een verzekerde die het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft geen aanspraak op een zorgtoeslag indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van die verzekerde en die partner meer bedraagt dan € 85.767. Het heffingvrije vermogen van twee partners bedraagt thans € 30.846* 2 = € 61.692.

Dit wetsvoorstel beoogt niet een inhoudelijke wijziging van de vermogenstoets voor de zorgtoeslag. Het voorgestelde eerste lid van artikel 2a Wzt, bepaalt in verband daarmee dat een verzekerde geen aanspraak heeft op een zorgtoeslag indien de rendementsgrondslag aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 116.613 (€ 85.767 + € 30.846).

Een verzekerde die het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, heeft op grond van het voorgestelde eerste lid van artikel 2a Wzt, geen aanspraak op een zorgtoeslag indien de gezamenlijke rendementsgrondslag van die verzekerde en die partner aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 147.459 (€ 85.767 + € 61.692). De beide in artikel 2a, eerste lid, Wzt genoemde bedragen worden op grond van het tweede lid van dat artikel, jaarlijks aan het begin van het kalenderjaar, aangepast aan de ontwikkeling van de tabelcorrectiefactor voor de inkomstenbelasting. De aangepaste bedragen treden op grond van artikel 2a vierde lid, Wzt in de plaats van de in het eerste lid van dat artikel genoemde bedragen.

De voorgestelde wijzigingen van het tweede tot en met vierde lid van artikel 2a Wzt houden verband met het feit dat in het voorgestelde eerste lid van dat artikel meer dan één bedrag wordt genoemd.

Artikel V (artikel 1 van de Wet op het kindgebonden budget)

Een ouder heeft op grond van het huidige artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Wkb) geen aanspraak op een kindgebonden budget indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001, in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 85.767. De grondslag sparen en beleggen is op grond van artikel 5.2 Wet IB 2001, de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. Dit heffingvrije vermogen bedraagt thans op grond van artikel 5.5 Wet IB 2001 € 30.846.

Op grond van het huidige artikel 1, vierde lid, Wkb heeft een ouder die het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, geen aanspraak op een kindgebonden budget indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van die ouder en die partner meer bedraagt dan € 85.767. Het heffingvrije vermogen van twee partners bedraagt thans € 30.846* 2 = € 61.692.

Dit wetsvoorstel beoogt niet een inhoudelijke wijziging van de vermogenstoets voor het kindgebonden budget. Het voorgestelde vierde lid van artikel 1 Wkb bepaalt in verband daarmee dat een ouder geen aanspraak heeft op een kindgebonden budget indien de rendementsgrondslag aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 116.613 (€ 85.767 + € 30.846).

Een ouder die het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, heeft op grond van het voorgestelde vierde lid, Wkb geen aanspraak op een kindgebonden budget indien de gezamenlijke rendementsgrondslag van die ouder en die partner aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 147.459 (€ 85.767 + € 61.692).

De beide in artikel 1, vierde lid, Wkb genoemde bedragen, worden op grond van artikel 3, eerste lid, van die wet, jaarlijks aan het begin van het kalenderjaar, aangepast aan de ontwikkeling van de tabelcorrectiefactor voor de inkomstenbelasting. De aangepaste bedragen treden op grond van artikel 3, derde lid, Wkb in de plaats van de in artikel 1, vierde lid, van die wet genoemde bedragen.

Artikelen VI en VII (artikel 28 van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945 en artikel 19 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945)

Bij de aanvraag of de herziening van een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) of de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv), wordt rekening gehouden het vermogen van de belanghebbende.1 Voornoemde wetten kennen een eigen vermogensbegrip. Voor de berekening van de inkomsten uit dat vermogen is echter aangesloten bij de percentages, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, eerste zin, Wet IB 2001, en de verdeling van rendementsklassen in de eerste vermogensschijf, bedoeld in de tabel van artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.1 Derhalve zijn voor het kalenderjaar 2020 de inkomsten uit vermogen in het kader van de Wubo en de Wuv de facto op 1,78% vastgesteld (0,07% van 67% van het vermogen + 5,28% van 33% van het vermogen).

De percentages, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, eerste zin, Wet IB 2001, worden jaarlijks herijkt.1 Dit betekent dat de berekening van de inkomsten uit vermogen op grond van de Wubo en de Wuv jaarlijks verandert. Uitgangspunt is echter om de wetten voor oorlogsgetroffenen zo veel mogelijk ongewijzigd te laten en wijzigingen die tot nadeel van deze groep uitkeringsgerechtigden kunnen leiden zoveel mogelijk te voorkomen. Dit is ook in lijn met de vereenvoudiging van de berekening van de uitkeringen die in 2009 heeft plaatsgevonden.1

Voorgesteld wordt daarom de koppeling tussen de Wubo en de Wuv en de Wet IB 2001 te schrappen en het – voor 2020 geldende – percentage voor de berekening van inkomsten uit vermogen rechtstreeks op te nemen in de Wubo en de Wuv. Dit betekent dat met ingang van 1 januari 2021 de inkomsten uit vermogen in het kader van de Wubo en de Wuv op 1,78% worden vastgesteld en dit percentage niet meer jaarlijks verandert.1

Artikel VIII (artikelen 1, 25, 34 en 34g van de wet op de rechtsbijstand)

In de huidige artikelen 1, 25, 34 en 34g van de Wet op de rechtsbijstand wordt verwezen naar de definitie van het heffingvrije vermogen uit de Wet IB 2001 dat momenteel € 30.846 bedraagt. In onderhavig wetsvoorstel wordt voorgesteld wordt het heffingvrije vermogen te verhogen. Het is niet de bedoeling om hiermee ook de aanspraak op rechtsbijstand aan te passen. Om die reden wordt in de voorgestelde wijzigingen op artikelen 1, 25, 34 en 34g van de Wet op de rechtsbijstand, bepaald dat geen aanspraak bestaat op rechtsbijstand indien de rendementsgrondslag van de belanghebbende meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 9.4a van de Wet IB 2001 (€ 31.340). Ook wordt voorgesteld het recht op rechtsbijstand in te trekken indien de rechtzoekende als resultaat van een zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste de helft van het voornoemde bedrag heeft.

Artikel IX (artikelen 4 en 9 van de wet bevordering eigenwoningbezit)

In het huidige artikel 4 van de Wet bevordering eigenwoningbezit wordt verwezen naar de gemiddelde rendementsgrondslag van artikel 5.2 Wet IB 2001. Deze verwijzing is achterhaald omdat de rendementsgrondslag is geregeld in artikel 5.3 Wet IB 2001. Voorgesteld wordt daarom om deze verwijzing aan te passen naar artikel 5.3 van deze wet. Ook verwijst het huidige artikel 4 van de Wet bevordering eigenwoningbezit naar de inmiddels vervallen vrijstellingen voor maatschappelijke beleggingen en voor beleggingen in durfkapitaal. Voorgesteld wordt daarom om deze verwijzingen aan te passen naar een verwijzing naar de vrijstelling groene beleggingen bedoeld in artikel 5.13 Wet IB 2001.

Artikel 9 van de Wet bevordering eigenwoningbezit bevat het maximaal toegestane toetsvermogen voor het recht op de eigenwoningbijdrage. Het is niet de bedoeling om de aanspraak op de eigenwoningbijdrage aan te passen. Om die reden wordt in de voorgestelde wijziging op artikel 9 van de Wet bevordering eigenwoningbezit de verwijzing naar het heffingvrije vermogen van artikel 5.5 Wet IB 2001 vervangen door een verwijzing naar het bedrag in artikel 9.4a Wet IB 2001 (€ 31.340).

Artikel X (inwerkingtreding)

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. In dit wetsvoorstel is, voor wat betreft de wijzigingen in de Wet IB 2001, reeds rekening gehouden met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 Wet IB 2001 van 1,016. Om die reden worden de bedragen in artikel 5.2 en 5.5 Wet IB 2001 eerst geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor op grond van artikel 10.1 Wet IB 2001, alvorens de wijzigingsopdrachten uit dit wetsvoorstel worden verwerkt. De bedragen in de artikelen 9.4, eerste lid, onderdeel c, en 9.4a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 zijn op de reeds geïndexeerde waarde in het wetsvoorstel opgenomen.

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 74.

X Noot
2

Dit volgt uit het feit dat de beschikking rendementsgrondslag op grond van de voorgestelde wettekst ziet op de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 Wet IB 2001, en niet op de voor een buitenlandse belastingplichtige geldende rendementsgrondslag in Nederland, bedoeld in artikel 7.2 Wet IB 2001.

X Noot
3

Zie artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM.

X Noot
4

Artikel 6 AVG.

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
6

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
1

Anders dan bij de Wet IB 2001, wordt in de Wubo en Wuv derhalve niet jaarlijks met de inkomsten uit het vermogen van de belanghebbende rekening gehouden.

X Noot
1

Artikel 28, vierde lid, van de Wubo, respectievelijk artikel 19, vijfde lid, van de Wuv.

X Noot
1

Artikel 10.6ter, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001.

X Noot
1

Zie uitgebreid Kamerstukken II, 31 551, nr. 3, p. 1–2.

X Noot
1

Er is – ten voordele van de belanghebbende – en in lijn met de overige regelgeving voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen afgerond op twee cijfers na de komma.