Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135574 nr. 11

35 574 Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op verbetering van de uitvoerbaarheid van toeslagen (Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen)

Nr. 11 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 9 november 2020

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel IV wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel J wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel 2 wordt, onder vernummering van onderdeel 3 tot 4, een onderdeel ingevoegd, luidende:

3. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:

6. In de gevallen waarin het burgerservicenummer dient te worden vermeld, is degene op wie de in het eerste of tweede lid bedoelde gegevens en inlichtingen betrekking hebben gehouden zijn burgerservicenummer te verstrekken aan de in het eerste lid bedoelde openbare lichamen met uitzondering van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, administratieplichtigen als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en verhuurders van een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet op de huurtoeslag, onderscheidenlijk aan de lichamen, instellingen, diensten, rechtspersonen of personen die ingevolge het tweede lid bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.

b. In onderdeel 4 (nieuw) wordt in de aanhef «wordt een lid» vervangen door «worden twee leden». Voorts wordt een lid toegevoegd, luidende:

9. Een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid met een datum van inwerkingtreding die gelegen is na 1 januari 2021 wordt ten minste vier weken voordat de maatregel wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.

2. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

Lc

Na artikel 49f wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 49g. Eenmalige tegemoetkomingsregeling herstel

1. Indien een belanghebbende voor 1 november 2020 aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft verzocht een of meer beschikkingen als bedoeld in de artikelen 49, 49b of 49c te geven, kent de Belastingdienst/Toeslagen aan de belanghebbende een eenmalige tegemoetkoming toe van € 750. De eenmalige tegemoetkoming, bedoeld in de eerste zin, is een tegemoetkoming voor noodzakelijke uitgaven van de belanghebbende of diens partner als gevolg van vertraging bij het vaststellen van een of meer beschikkingen als bedoeld in de artikelen 49, 49b of 49c.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een belanghebbende heeft verzocht om:

a. herziening van een beschikking tot vaststelling of tot terugvordering die heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 49, eerste lid, en die verzochte herziening ertoe strekt de onevenredigheid van de nadelige gevolgen van die beschikking tot vaststelling of tot terugvordering voor de belanghebbende weg te nemen overeenkomstig artikel 49, derde lid, onderdeel a of b; of

b. de onevenredigheid van de nadelige gevolgen van een beschikking tot herziening van een voorschot, welke beschikking heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 49, eerste lid, weg te nemen door bij de samenhangende beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming het recht op kinderopvangtoeslag vast te stellen naar rato van het bedrag aan kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald.

3. De eenmalige tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Elk beding dat strijdt met de eerste zin is nietig.

4. De Belastingdienst/Toeslagen stelt de eenmalige tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 15 december 2020 bij beschikking vast.

B

Aan artikel VI wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. artikel IV, onderdeel Lc, terugwerkt tot en met 1 november 2020.

TOELICHTING

Algemeen

Het kabinet vindt het van belang dat het parlement meer betrokken is bij de keuze welke persoonsgegevens bij de inkomensafhankelijke regelingen worden gedeeld. Daarom wordt door middel van deze nota van wijziging voorzien in een voorhangprocedure met betrekking tot de algemene maatregel van bestuur (AMvB) die voorziet in het eigener beweging verstrekken van gegevens met een zogenoemd toeslagenbelang door degene die daartoe een verplichting krijgt. Met deze nota van wijziging wordt geen voorhang geregeld voor de initiële AMvB.1 Het concept van deze AMvB ligt ten tijde van het opstellen van deze nota van wijziging voor bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Er wordt geen voorhang geregeld voor de initiële AMvB om te verzekeren dat deze AMvB met ingang van 1 januari 2021 in werking kan treden. Dat is nodig om al met ingang van het berekeningsjaar 2021 de doelstellingen van de bovenliggende maatregel te kunnen realiseren, te weten het voorkomen van hoge terugvorderingen van kinderopvangtoeslag en het ontlasten van de burger. Ook is van de gelegenheid gebruikgemaakt om enkele technische omissies te herstellen.

Verder is het een gedeelde wens van de Kamer en het kabinet om zo spoedig doch zo zorgvuldig mogelijk tegemoet te komen aan de onbillijkheden die gedupeerde ouders van onredelijke hardheid van het toeslagenstelsel en de uitvoering daarvan bij de kinderopvangtoeslag hebben ervaren. Bij de hersteloperatie kinderopvangtoeslag vindt een maximale inspanning plaats om recht te doen aan deze ouders. Helaas is gebleken dat de hersteloperatie vertraging heeft opgelopen. Hierdoor worden de ouders geconfronteerd met een langere wachttijd.

Het kabinet acht het wenselijk om gegeven de verwachtingen die over de behandeling van verzoeken zijn gewekt, de gedupeerde ouders eenmalig tegemoet te komen. Daarom acht het kabinet het redelijk en gerechtvaardigd om ouders die voor 1 november 2020 een verzoek voor herstel hebben ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen, een eenmalige tegemoetkoming toe te kennen van € 750. Deze eenmalige tegemoetkoming is een tegemoetkoming voor noodzakelijke uitgaven van de belanghebbende of diens partner als gevolg van vertraging bij het herstel. Om ervoor te zorgen dat het bedrag van € 750 zoveel mogelijk bij de belanghebbende terecht komt, wordt wettelijk geregeld dat de eenmalige tegemoetkoming niet vatbaar is voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De eenmalige tegemoetkoming wordt ook niet verrekend met een eventuele tegemoetkoming, compensatie of andere herstelbetaling.

De eenmalige tegemoetkoming zal uiterlijk 15 december 2020 bij beschikking worden vastgesteld. Er vindt bij het toekennen van de eenmalige tegemoetkoming geen inhoudelijke toets plaats of de ouder in aanmerking komt voor een verzochte tegemoetkoming, compensatie of andere herstelbetaling. Ook zal wegens het forfaitaire karakter van de eenmalige tegemoetkoming niet worden getoetst of de noodzakelijke uitgaven als gevolg van vertraging bij het herstel € 750 belopen.

Budgettaire gevolgen

De budgettaire gevolgen ten aanzien van de maatregel met betrekking tot de eenmalige tegemoetkomingsregeling herstel (ETH) worden gedekt binnen beschikbare programmamiddelen van de hersteloperatie. De overige wijzigingen hebben geen budgettaire gevolgen.

Gevolgen voor burgers en bedrijfsleven

De in deze nota van wijziging opgenomen wijzigingen van het wetsvoorstel hebben zeer beperkt effect op de dienaangaande eerder in kaart gebrachte administratieve lasten voor burgers. De maatregel met betrekking tot de ETH wordt binnen de hersteloperatie ondervangen. De overige wijzigingen hebben geen gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers.

Uitvoeringskosten Belastingdienst

De uitvoeringskosten met betrekking tot de ETH worden gedekt binnen het apparaatsbudget van artikel 1 van de Financiënbegroting.

Onderdeelsgewijs

Onderdeel A

Artikel IV, onderdeel J (artikel 38 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

De wijzigingen van artikel38 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) kunnen als volgt worden toegelicht. Ten eerste wordt met een nieuwe redactie van artikel 38, zesde lid (nieuw), Awir een technische omissie hersteld. In de oorspronkelijke redactie werd namelijk verwezen naar een AMvB als bedoeld in artikel 38, eerste lid, Awir. In de voorgestelde nieuwe redactie van artikel 38, eerste lid, Awir is evenwel geen sprake meer van een delegatiebepaling. De bedoeling van artikel 38, zesde lid (nieuw), Awir blijft dat de organisaties en personen die op grond van artikel 38, eerste en tweede lid, Awir informatie aan de Belastingdienst/Toeslagen moeten verstrekken, hiertoe in staat worden gesteld door aan degene op wie die informatie betrekking heeft (de belanghebbende) de verplichting op te leggen om zijn burgerservicenummer aan die organisaties of personen te verstrekken in gevallen waarin die organisaties of personen het burgerservicenummer moeten vermelden bij de informatie die zij aan de Belastingdienst/Toeslagen moeten verstrekken.2 Er is dus geen inhoudelijke wijziging beoogd. Omwille van de leesbaarheid is de tekst van artikel 38, zesde lid (nieuw), Awir integraal vervangen.

Ten tweede wordt in artikel 38, negende lid, Awir voorzien in een voorhangprocedure met betrekking tot de AMvB die zijn grond vindt in het voorgestelde artikel 38, tweede lid, Awir. De initiële AMvB treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is vermeld dient de voorhang geen betrekking te hebben op de initiële AMvB. De voorhangprocedure heeft daarmee dus betrekking op alle nadien bij AMvB aangebrachte wijzigingen op de initiële AMvB of geheel nieuwe AMvB’s op grond van het voorgestelde artikel 38, tweede lid, Awir.

Artikel IV, onderdeel Lc (artikel 49g van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Het voorgestelde artikel 49g Awir betreft de ETH. Deze nieuwe regeling maakt onderdeel uit van de hersteloperatie. Op grond van het voorgestelde artikel 49g, eerste lid, Awir kent de Belastingdienst/Toeslagen aan de belanghebbende een eenmalige tegemoetkoming toe van € 750 indien een of meer beschikkingen als bedoeld in de artikelen 49, 49b of 49c Awir voor 1 november 2020 zijn verzocht aan de Belastingdienst/Toeslagen. De eenmalige tegemoetkoming is een tegemoetkoming voor de noodzakelijke uitgaven van de belanghebbende of diens partner als gevolg van vertraging bij het herstel. De eenmalige tegemoetkoming zal niet worden verrekend. In een bevoegdheid hiertoe is dan ook niet voorzien.3

De ETH ziet onder andere op een door een belanghebbende gedaan verzoek tot vaststelling van een beschikking op grond van de hardheidsregeling van artikel 49 Awir, de compensatieregeling van artikel 49b Awir of de O/GS-tegemoetkomingsregeling van artikel 49c Awir. De regeling geldt niet voor een gedaan verzoek tot toekenning van een bijzondere tegemoetkoming op grond van de vangnetbepaling van artikel 49a Awir. De reden hiervoor is dat een verzoek tot toekenning van een bijzondere tegemoetkoming op grond van de vangnetbepaling tot op heden nog niet mogelijk is wegens het ontbreken van de benodigde AMvB.

Met het voorgestelde artikel 49g, tweede lid, Awir wordt geregeld dat de ETH ook van toepassing is op door de belanghebbende verzochte specifieke beschikkingen die niet in hoofdstuk 5 Awir zijn opgenomen doch wel deel uitmaken van de hersteloperatie bij de kinderopvangtoeslag. Het betreft hier een verzoek van de belanghebbende om herziening van een beschikking tot vaststelling of tot terugvordering die heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 49, eerste lid, Awir, waarbij die verzochte herziening ertoe strekt om de onevenredigheid van de nadelige gevolgen van die beschikking tot vaststelling of tot terugvordering voor de belanghebbende weg te nemen overeenkomstig artikel 49, derde lid, onderdeel a of b, Awir. Ook ziet de ETH op een verzoek van de belanghebbende om de onevenredigheid van de nadelige gevolgen van een beschikking tot herziening van een voorschot, welke beschikking heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 49, eerste lid, Awir, weg te nemen, door bij de samenhangende beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming het recht op kinderopvangtoeslag vast te stellen naar rato van het bedrag aan kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald.

De ETH wordt eenmalig toegepast. Het bedrag van € 750 wordt dan ook slechts één keer toegekend aan de betreffende belanghebbende. Dat geldt ook in het geval dat er meerdere verzoeken voor 1 november 2020 door de belanghebbende zijn gedaan tot vaststelling van een of meer van de in artikel 49g Awir genoemde beschikkingen.

Met het voorgestelde artikel 49g, derde lid, Awir wordt geregeld dat de ETH niet vatbaar is voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Elk beding dat hiermee strijdt is nietig.

Via het voorgestelde artikel 49g, vierde lid, Awir wordt de opdracht voor de Belastingdienst/Toeslagen wettelijk verankerd om de eenmalige tegemoetkoming uiterlijk 15 december 2020 bij beschikking vast te stellen. De Belastingdienst/Toeslagen kent de eenmalige tegemoetkoming ambtshalve toe.

Onderdeel B

Artikel VI (inwerkingtreding)

Met de wijziging van artikel VI wordt geregeld dat het voorgestelde artikel 49g Awir met terugwerkende kracht tot en met 1 november 2020 in werking treedt.

De Staatssecretaris van Financiën, A.C. van Huffelen


X Noot
1

Met de initiële AMvB wordt bedoeld de AMvB die zijn grond vindt in artikel 38, tweede lid (nieuw), Awir en die in werking treedt met ingang van 1 januari 2021.

X Noot
2

Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, p. 60–61. Het zesde lid (nieuw) was oorspronkelijk het derde lid van artikel 38 Awir.

X Noot
3

Artikel 4:93, eerste lid, Awb.