Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202135573 nr. C

35 573 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2021)

C NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 3 december 2020

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA. Zij vragen wat de gevolgen zijn van het naar voren halen van het fictieve genietingsmoment voor levenslooptegoeden en wat dit betekent voor deelnemers die met hun werkgever hebben afgesproken om in bijvoorbeeld de tweede helft van 2021 verlof op te nemen. Ook vragen de leden van de fractie van het CDA of werknemers en werkgevers hier opnieuw afspraken over moeten maken en, in aansluiting hierop, wat er feitelijk verandert als het afgesproken verlof wordt opgenomen. In het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld het fictieve genietingsmoment te vervroegen naar 1 november 2021. Op dit fictieve genietingsmoment is de levensloopinstelling inhoudingsplichtig en daarmee verantwoordelijk voor het – na inhouding van loonheffing en afhankelijk van de gemaakte afspraken – ter beschikking stellen van het levenslooptegoed aan de deelnemer. In verband met de heffing in box 3 is het wenselijk om het fictieve genietingsmoment naar voren te halen. Hiermee wordt geborgd dat voor de berekening van de over 2022 verschuldigde belasting in box 3 niet hoeft te worden uitgegaan van de waarde van de levensloopaanspraak vóór loonheffing. Hiernaast is het fiscale genietingsmoment naar voren gehaald omwille van de uitvoerbaarheid voor de instellingen. Door het vervroegen van het fictieve genietingsmoment, genieten deelnemers uiterlijk op 1 november het (restant van het) levenslooptegoed. Wel blijft tot en met 31 oktober 2021 de huidige mogelijkheid bestaan om de waarde van de levensloopaanspraak op te nemen bij de (ex)-werkgever. In overleg met de (ex)-werkgever kunnen deelnemers het (restant van het) levenslooptegoed laten uitkeren door de (ex)-werkgever. Indien deelnemers hier gebruik van willen maken, moeten zij dit uiterlijk op een door de uitvoerder te bepalen moment gezamenlijk met hun (ex)-werkgever aangeven. Indien deelnemers met hun werkgever hebben afgesproken om het levenslooptegoed in te zetten door de tweede helft van 2021 verlof op te nemen, betekent dit dat de uitkering over de maanden november en december uiterlijk op het fictieve genietingsmoment wordt belast met loonheffing. Werknemers kunnen in overleg met hun werkgever aanvullend afspreken dat zij de periode november en december van het jaar 2021 onbetaald verlof opnemen. Met de uitbetaling van het restant van levenslooptegoed voor november en december op het fictieve genietingsmoment kunnen zij deze periode van onbetaald verlof overbruggen.

De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, J.A. Vijlbrief