Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juli 2021
In het themadebat «Verhouding centrale overheid en decentrale overheden» met uw Kamer
op 11 mei jl., heb ik uw Kamer toegezegd om op het geëigende moment mijn inbreng over
dat thema bij de (in)formateur met u te delen. De (in)formateur heeft mij tot op heden
nog niet gevraagd naar mijn beschouwing op de interbestuurlijke en/of financiële verhoudingen,
maar aangezien de Tweede Kamer mij recent, bij motie van het lid Bromet (nr. 35830-VII-10), heeft gevraagd om een gezamenlijke probleemanalyse over de interbestuurlijke en
financiële verhoudingen, acht ik het passend om dit «voorbereidend huiswerk» ook met
uw Kamer te delen. Bij deze treft u bijgevoegd daarom een afschrift van mijn brief
van heden aan de Tweede Kamer aan, waarmee ik de «Notitie Aanbevelingen verbeteringen
in bestuur en financiën medeoverheden» deel. Daarmee beschouw ik mijn toezegging uit
het voornoemde debat als afgedaan.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.H. Ollongren
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juli 2021
Uw Kamer heeft op 22 juni jl. een motie van het lid Bromet aangenomen (nr. 35830-VII-10),
waarin de regering wordt verzocht «... om ervoor zorg te dragen dat er zo spoedig mogelijk een gezamenlijke probleemanalyse
over de interbestuurlijke verhoudingen en financiële verhoudingen wordt opgesteld
en de Kamer hierover te informeren.» Met deze brief zend ik u de notitie «Aanbevelingen verbeteringen in bestuur en
financiën medeoverheden».
Ik hecht eraan te benadrukken dat deze notitie is voorbereid ter uitvoering van de
motie Özütok (nr. 35300-B-23) en gereed ligt voor het geval een (in)formateur vraagt om een beschouwing op de
interbestuurlijke en/of financiële verhoudingen. De notitie is opgesteld tegen de
achtergrond van de ervaringen van de afgelopen kabinetsperiode, de recente adviezen
van de Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële verhoudingen, de Raad van State
en de Raad voor het Openbaar Bestuur en de grote maatschappelijke opgaven die overheden
in gezamenlijkheid moeten oppakken. De notitie is door mijn ambtenaren gezamenlijk
met de koepels van medeoverheden opgesteld en bevat de gevraagde gezamenlijke probleemanalyse
en tevens mogelijke oplossingsrichtingen daarvoor. Over de notitie heeft geen interdepartementale
afstemming plaatsgevonden; zij is ook niet gewogen door het huidige demissionaire
kabinet en kan dus niet gezien worden als standpunt van het kabinet.
De notitie richt zich vooral op wat er nodig zou zijn aan (inter)bestuurlijke en financiële
randvoorwaarden om de grote maatschappelijke opgaven van dit moment te realiseren.
Hierbij zijn de meest recente ontwikkelingen, zoals het besluit van het kabinet om
extra middelen beschikbaar te stellen voor de jeugdzorg in 2021 en 2022 nog niet meegenomen.
Tevens zijn het rijk en medeoverheden actief in gesprek op vijf maatschappelijk urgente
opgaven (Regionale economie, Klimaat & Energie, Landelijk gebied, Sociaal domein en
Wonen), zoals dit ook beoogd werd in de motie Özütok.
Gegeven het themadebat «Verhouding centrale overheid en decentrale overheden» dat
ik met de Eerste Kamer heb gevoerd op 11 mei jl. en waar onderdelen van de probleemanalyse
ook zijn besproken, zal ik de Eerste Kamer ook een afschrift van deze brief en de
notitie doen toekomen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.H. Ollongren