35 570 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2021

Nr. 103 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 maart 2021

Het staat als een paal boven water dat financiële problemen tot crimineel gedrag kunnen leiden. Dit betekent niet dat eenieder met financiële problemen crimineel gedrag vertoont. Bij een deel van de mensen kunnen geldproblemen de eerste prikkel vormen voor crimineel handelen en zorgen voor een hoger recidiverisico. Controle en toezicht op de financiën lijkt een mogelijkheid om de criminele routine te doorbreken. De leden Van Nispen en Van Oosten hebben daarom een motie ingediend die mij kortweg verzoekt om verplicht financieel toezicht in het strafrecht mogelijk te maken.1

Ik heb de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) gevraagd te adviseren over de wenselijkheid van nieuwe wetgeving voor financieel toezicht in het strafrechtelijk kader. Hierbij bied ik u het advies Verplicht financieel toezicht aan2. Daarnaast heb ik het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) gevraagd om onderzoek te doen naar de bestaande mogelijkheden voor verplicht financieel toezicht, zowel voor jongeren als volwassenen. Het WODC-onderzoek is op 12 januari 2021 aan uw Kamer aangeboden.3 Ik heb uw Kamer toegezegd op een later moment met een beleidsreactie te komen. Daaraan geef ik met deze brief invulling.

Hoofdconclusie

Zowel het advies van de RSJ als het onderzoek van het WODC tonen aan dat de bestaande mogelijkheden voor een verplichte vorm van financieel toezicht toereikend zijn en dat er nu geen noodzaak is voor nieuwe wettelijke mogelijkheden. Binnen het (jeugd)strafrecht kunnen de bestaande mogelijkheden wel meer worden ingezet.

RSJ-advies

De RSJ is gevraagd te adviseren over de invoering van een nieuwe wettelijke mogelijkheid in het strafrecht waarbij de strafrechter zelfstandig onderbewindstelling kan opleggen. In hoeverre een wetswijziging nodig is kan volgens de RSJ pas worden vastgesteld als duidelijk is dat de bestaande wettelijke mogelijkheden om verplicht financieel toezicht op te leggen, onvoldoende functioneren. Het WODC-onderzoek was ten tijde van oplevering van het RSJ-advies nog niet gereed.

WODC-onderzoek

Het WODC-onderzoek stelt dat er verschillende mogelijkheden bestaan om verplicht financieel toezicht op te leggen, veelal in de vorm van een bijzondere voorwaarde die aan een voorwaardelijke straf verbonden is. In de praktijk worden deze toegepast en als toereikend ervaren. Tegelijkertijd kunnen deze mogelijkheden vaker worden ingezet. Het WODC-onderzoek noemt vijf aanbevelingen om toepassing in de praktijk te versterken.

Aanbeveling 1: het versnellen van de toegang tot civiele maatregelen, zoals de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) of onderbewindstelling.

Ik herken het signaal dat eenvoudigere en daarmee snellere toegang tot gemeentelijke schuldhulp en de schuldsanering door de rechter (Wsnp) wenselijk is. Samen met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heb ik uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die we hiertoe nemen.4 De rechtspraak heeft mij laten weten dat goed onderbouwde aanvragen voor toelating tot de Wsnp of onderbewindstelling snel door de rechter worden behandeld. Vanaf 1 mei 2021 start een pilot waarin mensen door bewindvoerders worden begeleid bij het opstellen van een goed onderbouwde schuldsaneringsaanvraag. De vereenvoudiging van toelating tot schuldhulpverlening en begeleiding bij aanvraag van schuldsanering, zal leiden tot een versnelling in het proces naar de civiele rechter.

Aanbeveling 2 en 3: het vaker opleggen van financiële voorwaarden en meer aandacht voor financiën in de adviesfase.

De rechter bepaalt of een financiële voorwaarde wordt opgelegd en baseert zich hierbij voor een belangrijk deel op het advies van de reclassering of de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). De financiële situatie van de verdachte wordt door beide instanties meegenomen bij het opstellen van het advies. Het is van belang te weten of meer inzicht in de financiële situatie in de adviesfase vaker leidt tot het advies om een bijzondere voorwaarde die gericht is op de financiële problemen op te leggen. In het najaar van 2020 is een pilot gestart binnen het jeugdstrafrecht in de regio Haaglanden waarin de RvdK in het strafonderzoek extra tijd besteedt aan de financiële omstandigheden van de jongere.

Aanbeveling 4: een nauwere samenwerking tussen instanties

Ik zet mij ook in het kader van verplicht financieel toezicht in voor een betere samenwerking tussen de ketenpartners in het strafrecht, hulpverleningsorganisaties en gemeenten. Voorbeelden hiervan zijn de hierboven genoemde pilot en de andere lopende pilot «Schuldenvrij Terug in de Maatschappij». In deze pilot wordt door een versterkte samenwerking tussen de reclassering, Schuldenlab070 en de gemeente Den Haag, gewerkt aan een toekomst zonder schulden bij volwassen reclasseringscliënten. In de samenwerking wordt ingezet op het delen van kennis, kunde en aandacht voor financiële problemen in relatie tot resocialisatie en delictgedrag.

Aanbeveling 5: het ontwikkelen van specifieke programma’s gericht op financiën binnen een strafrechtelijk kader

Voor het oplossen en voorkomen van problematische schulden is primair de gemeente het loket voor hulp en ondersteuning. De RvdK en reclassering kunnen financiële problematiek signaleren in de adviesfase en toezicht houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden. Voor de concrete uitvoering van de bijzondere voorwaarde verwijst de (jeugd)reclassering door naar (gemeentelijke) instanties met programma’s en expertise op het gebied van financiën en schulden. Ik zie daarom geen reden voor het ontwikkelen van aparte programma’s in het strafrechtelijk kader.

Slot

Het RSJ-advies en het WODC-onderzoek bevestigen voor mij het belang om in te zetten op het terugdringen van financiële problematiek en schulden binnen het strafrechtelijk kader. Op basis van de onderzoeken kom ik tot de conclusie dat de bestaande mogelijkheden voor verplicht financieel toezicht toereikend zijn en dat er geen behoefte is aan nieuwe wettelijke mogelijkheden. Wel kunnen deze mogelijkheden vaker en beter worden benut. Om inzicht te krijgen in de betere toepassing van de bestaande mogelijkheden voor verplicht financieel toezicht en om te werken aan betere ketensamenwerking op dit punt worden de hierboven genoemde pilots uitgevoerd. Ik houd u van de voortgang en resultaten van de pilots op de hoogte.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 28 741, nr. 47, Motie van de leden Van Nispen en Van Oosten.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
3

Kamerstuk 35 570 VI, nr. 95 en Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
4

Kamerstuk 24 515, nr. 572.

Naar boven