35 555 Wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het financieel toezicht, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met de introductie van de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen of op periodieke uitkeringen van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler op de ingangsdatum daarvan te laten afkopen, de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing bij regelingen voor vervroegde uittreding en de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof (Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen)

Nr. 17 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 17 november 2020

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel C, wordt het voorgestelde artikel 69a als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, vervalt «op de ingangsdatum».

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot het vierde tot en met zesde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

2. In afwijking van het eerste lid is een pensioenuitvoerder verplicht om na een verzoek van een deelnemer of gewezen deelnemer over te gaan tot afkoop van een deel van de waarde van diens recht op ouderdomspensioen in de maand februari volgend op het jaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt, met dien verstande dat afkoop op dat moment alleen mogelijk is als dat moment ligt na de ingangsdatum van het ouderdomspensioen. Het eerste lid, onderdelen a, c, d en e, zijn van overeenkomstige toepassing. Indien afkoop geschiedt in de maand februari, bedoeld in dit artikellid, wordt het ouderdomspensioen tot het moment van de afkoop vastgesteld alsof geen gebruik wordt gemaakt van het recht op afkoop.

3. Het verzoek om gebruik te maken van het recht op afkoop, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt voor de ingangsdatum van het ouderdomspensioen.

B

In artikel II, onderdeel C, wordt het voorgestelde artikel 80b als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, vervalt «op de ingangsdatum».

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot het vierde tot en met zesde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

2. In afwijking van het eerste lid is een pensioenuitvoerder verplicht om na een verzoek van een deelnemer of gewezen deelnemer over te gaan tot afkoop van een deel van de waarde van diens recht op ouderdomspensioen in de maand februari volgend op het jaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt, met dien verstande dat afkoop op dat moment alleen mogelijk is als dat moment ligt na de ingangsdatum van het ouderdomspensioen. Het eerste lid, onderdelen a, c, d en e, zijn van overeenkomstige toepassing. Indien afkoop geschiedt in de maand februari, bedoeld in dit artikellid, wordt het ouderdomspensioen tot het moment van de afkoop vastgesteld alsof geen gebruik wordt gemaakt van het recht op afkoop.

3. Het verzoek om gebruik te maken van het recht op afkoop, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt voor de ingangsdatum van het ouderdomspensioen.

C

In artikel III komt het voorgestelde artikel 4:71.0a, eerste lid, te luiden:

1. Een aanbieder van een uitkeringsproduct biedt de consument de mogelijkheid om uiterlijk op de ingangsdatum van de periodieke uitkeringen voortvloeiend uit een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de keuze te maken om een deel van de aanspraak op die uitkeringen als bedrag ineens uit te laten keren, waarbij wordt voldaan aan artikel 3.133, elfde en twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

D

Artikel IV, onderdeel A, onder 3, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «drie leden» vervangen door «vier leden».

2. In het voorgestelde elfde lid, onderdeel b, wordt «op de ingangsdatum van de lijfrentetermijnen» vervangen door «op de ingangsdatum van de lijfrentetermijnen dan wel, ingeval op die ingangsdatum geen gedeeltelijke afkoop heeft plaatsgevonden, in de maand februari volgend op het kalenderjaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt».

3. Onder vernummering van het voorgestelde twaalfde lid tot dertiende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

12. Indien de afkoop, bedoeld in het elfde lid, geschiedt in de maand februari volgend op het kalenderjaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt, geldt mede als voorwaarde voor de toepassing van het elfde lid dat de lijfrentermijnen tot het moment van de afkoop worden vastgesteld alsof geen gebruik wordt gemaakt van het recht op afkoop.

E

Aan artikel VII worden twee zinnen toegevoegd, luidende: In dat besluit kan worden bepaald dat artikel V, onderdelen A en D, van deze wet terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. Bij toepassing van de tweede zin is het in artikel V, onderdeel D, opgenomen artikel 32ba, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing op de datum van inwerkingtreding.

Toelichting

Onderdelen A, B, C en D

Met het wetsvoorstel wordt onder bepaalde voorwaarden het recht voor deelnemers gecreëerd om maximaal 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen af te laten kopen («opname bedrag ineens»). In het wetsvoorstel is vastgelegd dat de gedeeltelijke afkoop op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen dient plaats te vinden. Dit betekent dat het bedrag ineens in beginsel slechts op één moment tot uitbetaling kan komen. De gedeeltelijke afkoop is niet toegestaan tijdens de opbouwfase of gedurende de uitkeringsfase. Met deze nota van wijziging wordt voorgesteld dat de afkoop in bepaalde gevallen ook op één ander vast moment kan plaatsvinden, namelijk in de maand februari volgend op het jaar waarin iemand de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het effect is dat er dan geen AOW-premie is verschuldigd over het bedrag ineens.

De achtergrond hiervan is als volgt. Indien een deelnemer met pensioen gaat in een jaar voorafgaand aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt en besluit een bedrag ineens op te nemen, kan – afhankelijk van het overige inkomen – over het bedrag ineens AOW-premie verschuldigd zijn. Vanaf de eerste dag van de maand waarin de betreffende persoon de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, is geen AOW-premie meer verschuldigd. Als een persoon lopende het jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, is een evenredig gedeelte van de AOW-premie verschuldigd over het jaarinkomen (waaronder het bedrag ineens).

Met deze nota van wijziging wordt voorgesteld de deelnemer die met pensioen gaat voorafgaand aan het jaar van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt de mogelijkheid te bieden om de gedeeltelijke afkoop op een later moment te laten plaatsvinden, te weten in de maand februari volgend op het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt. In dat geval is de (inmiddels) pensioengerechtigde geen AOW-premie verschuldigd over het bedrag ineens. Immers, de gedeeltelijke afkoop vindt dan pas plaats in het jaar na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd en het bedrag ineens wordt derhalve tot het belastbare inkomen in dat betreffende jaar gerekend. Dit biedt de betreffende persoon ruimte voor een afweging wanneer de gedeeltelijke afkoop («de uitbetaling van het bedrag ineens») gezien zijn persoonlijke omstandigheden en eventuele gevolgen voor de premieheffing aantrekkelijker is: op de pensioeningangsdatum of in de maand februari volgend op het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt.

Als de gedeeltelijke afkoop plaatsvindt in de maand februari volgend op het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt, dient onverkort te worden voldaan aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 69a, eerste lid, onderdelen a, c, d en e, van de Pensioenwet dan wel artikel 80b, eerste lid, onderdelen a, c, d en e, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Deze zijn van overeenkomstige toepassing. Dit brengt onder meer met zich dat maximaal 10% van de (op dat moment resterende) waarde van het recht op ouderdomspensioen als bedrag ineens kan worden opgenomen en dat de resterende levenslange pensioenuitkering na de gedeeltelijke afkoop boven de afkoopgrens van kleine pensioenen moet liggen.

De mogelijkheid om de gedeeltelijke afkoop te laten plaatsvinden in de maand februari volgend op het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt staat open voor deelnemers of gewezen deelnemers die met pensioen gaan in een jaar voorafgaand aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt. Bij gedeeltelijke afkoop op dit latere moment wordt derhalve al ouderdomspensioen uitgekeerd voordat de afkoop plaatsvindt. Voorgesteld wordt expliciet vast te leggen dat de hoogte van het ouderdomspensioen (de periodieke pensioenuitkering) dat wordt uitgekeerd voordat de afkoop plaatsvindt, wordt vastgesteld alsof geen gebruik is gemaakt van het afkooprecht. De afkoop heeft immers nog niet plaatsgevonden en het bedrag ineens is vóór het afkoopmoment niet opeisbaar. In het verlengde hiervan geldt dat als de deelnemer overlijdt nadat het ouderdomspensioen is ingegaan doch voor het latere afkoopmoment, de gedeeltelijke afkoop niet meer plaatsvindt («het bedrag ineens wordt niet uitgekeerd»). Doordat bij de hoogte van het ouderdomspensioen vóór de gedeeltelijke afkoop geen rekening wordt gehouden met de gedeeltelijke afkoop die op een later moment plaatsvindt, is een pensioengerechtigde die overlijdt voor het afkoopmoment geen pensioen misgelopen. Door een tweede afkoopmoment op te nemen blijft ook de fiscale omkeerregel (aanspraak onbelast, uitkering belast) van toepassing zodat het bedrag ineens pas in de belastingheffing wordt betrokken op het tweede afkoopmoment, indien voor dit tweede afkoopmoment wordt gekozen.

De keuze om gebruik te maken van het recht op gedeeltelijke afkoop en het daartoe strekkende verzoek aan de pensioenuitvoerder dient altijd vóór ingang van het ouderdomspensioen te geschieden. Tijdig voorafgaand aan de pensioeningangsdatum wordt de deelnemer of gewezen deelnemer de keuze voorgelegd of hij/zij gebruik wil maken van het recht om een bedrag ineens op te nemen. Als een deelnemer of gewezen deelnemer gebruik wil maken van het afkooprecht, dient daarbij aangegeven te worden welk percentage van de aanspraken (of het recht) op ouderdomspensioen de deelnemer of gewezen deelnemer wenst te laten afkopen (met een maximum van 10%) en op welk moment de afkoop dient plaats te vinden (pensioeningangsdatum of in de maand februari volgend op het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt). Het voorschrift dat de keuze altijd op één moment gemaakt moet zijn – voor de pensioeningangsdatum – heeft onder meer als voordeel dat de informatie over het keuzerecht bedrag ineens mee kan lopen in de huidige informatievoorziening rondom pensioeningang. Voorts blijven op deze wijze de selectie-effecten beperkt.

Uit het voorschrift dat het verzoek om gebruik te maken van het recht op gedeeltelijke afkoop altijd vóór ingang van het ouderdomspensioen dient te geschieden, volgt dat deelnemers of gewezen deelnemers die vanaf het moment van inwerkingtreding van het keuzerecht bedrag ineens (beoogd: 1 januari 2022) het ouderdomspensioen in laten gaan gebruik kunnen maken van het keuzerecht, waaronder het tweede afkoopmoment.

Voor de volledigheid zij opgemerkt dat met deze nota van wijziging het latere moment van afkoop ook mogelijk wordt gemaakt voor het recht op afkoop dat met het wetsvoorstel wordt geïntroduceerd voor een zogenoemd bevroren pensioen in eigen beheer, het nettopensioen, oudedagsvoorzieningen die zijn opgebouwd in de derde pijler (een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening en lijfrentebeleggingsrecht) en de nettolijfrente.

Bij algemene maatregel van bestuur zullen nadere regels worden gesteld over het keuzerecht bedrag ineens. In het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling worden nadere regels gesteld over de informatievoorziening rondom het keuzerecht, zodat deelnemers en gewezen deelnemers in staat worden gesteld tijdig voor de pensioeningangsdatum een weloverwogen beslissing te nemen om al dan niet gebruik te maken van het keuzerecht.

Onderdeel E

Tot slot wordt met deze nota wijziging voorgesteld in de inwerkingtredingsbepaling de mogelijkheid tot terugwerkende kracht op te nemen voor de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing bij regelingen voor vervroegde uittreding en de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof. Deze mogelijkheid wordt zekerheidshalve gecreëerd met het oog op de in het pensioenakkoord gemaakte afspraak dat wordt gestreefd naar inwerkingtreding van deze maatregelen met ingang van 1 januari 2021.

Deze toelichting wordt ondertekend mede namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Naar boven