Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135555 nr. 15

35 555 Wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het financieel toezicht, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met de introductie van de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen of op periodieke uitkeringen van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler op de ingangsdatum daarvan te laten afkopen, de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing bij regelingen voor vervroegde uittreding en de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof (Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen)

Nr. 15 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID GIJS VAN DIJK TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 8

Ontvangen 6 november 2020

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel VI wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt «vijf jaar» vervangen door «twee jaar», wordt na «artikel I van deze wet» ingevoegd «, en vervolgens na drie jaar,» en wordt «onderdeel A, C en F» vervangen door «onderdeel C en F».

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Financiën zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel I van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van artikel V, onderdeel A, van deze wet.

Toelichting

Indiener maakt zich grote zorgen over de mogelijke negatieve gevolgen van het uitbetalen van een bedrag ineens van het pensioen voor deelnemers met een laag of middeninkomen. Het laten uitbetalen van een bedrag in een keer zorgt ervoor dat inkomensgerelateerde toeslagen (zoals de huur- en zorgtoeslag) ook lager worden met als gevolg dat deze regeling onderaan de streep fors nadeliger uitpakt voor mensen met een lager inkomen. Mensen met een laag inkomen houden daardoor netto minder over dan mensen met een hoog inkomen.

Door deze mogelijke negatieve uitkomst is het van groot belang hier vroegtijdig al een beeld over te kunnen vormen. Om die reden stelt de indiener voor om de artikelen met betrekking tot het bedrag ineens, zijnde de artikelen I, II, III, IV en V, onderdeel C en F, al binnen twee jaar te evalueren na de inwerkingtreding van artikel I. Hiermee kan voorkomen worden dat mensen met een lager of middeninkomen, die kiezen voor een bedrag ineens, te maken krijgen met forse nadelige inkomensgevolgen, vanwege bijvoorbeeld het moeten terugbetalen van inkomensgerelateerde toeslagen, zoals onder andere de huur- en zorgtoeslag. De artikelen met betrekking tot het bedrag ineens worden drie jaar later, dus vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel I, nogmaals geëvalueerd.

Naast het evalueren van de individuele gevolgen van het bedrag ineens, is het ook van belang om de gevolgen voor het collectieve systeem onderdeel van deze evaluatie te laten zijn. Voorkomen moet worden dat, als een dermate grote groep deelnemers gebruik maakt van het bedrag ineens, er hierdoor een drukkend effect op dekkingsgraden kan ontstaan. Dit kan dan vervolgens mogelijk leiden tot kortingen voor alle deelnemers bij de pensioenfondsen. Dat is wat de indiener betreft onwenselijk en om die reden is het van belang om het bedrag ineens goed te monitoren om zodoende vroegtijdig te kunnen ingrijpen.

Gijs van Dijk