35 527 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie richtlijnen elektronische handel)

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 30 september 2020

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Tielen

Adjunct-griffier van de commissie, Buisman

I. ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wet implementatie richtlijnen elektronische handel. De inhoud van de wet kan op instemming van de VVD-fractie rekenen. Het baart deze leden wel zorgen dat deze Europese richtlijn pas op zijn vroegst op 1 januari 2022 door de Belastingdienst geïmplementeerd kan worden terwijl de Europese Commissie (EC) vooralsnog inwerkingtreding per 1 juli 2021 wenst. De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering er alles aan te doen om de inwerkingtreding in Europese Unie (EU)-verband uit te stellen tot 1 januari 2022 én ervoor zorg te dragen dat implementatie per 1 januari 2022 door de Belastingdienst mogelijk is. Deze leden hebben verder nog verschillende vragen en opmerkingen over de Wet implementatie richtlijnen elektronische handel.

De leden van de VVD-fractie lezen nog verschillende keren de inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2021. Deze leden spreken de verwachting uit dat dit met een nota van wijziging gewijzigd wordt in 1 juli 2021 en spreken de hoop uit dat dit op een later tijdstip gewijzigd kan worden in 1 januari 2022.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wet implementatie richtlijnen elektronische handel. Deze leden vinden het zeer correct dat platforms verantwoordelijk gemaakt worden voor de afdracht van belasting over de toegevoegde waarde (btw), ook in gevallen dat de waarde van het gekochte product lager is dan € 22. Deze grens zorgt al lange tijd voor oneerlijke concurrentie. Bedrijven die goederen invoeren en aan consumenten verkopen betalen daarover netjes btw en douanerechten, maar particulieren kunnen exact dezelfde producten zonder btw en douanerechten kopen bij buitenlandse online platforms. Deze richtlijn maakt een begin met een eerlijkere concurrentie voor goederen met een waarde van minder dan € 22. Daarmee is de concurrentiepositie nog niet gelijk, want waar Nederlandse webshops voor een brievenbuspakketje een kostprijs hebben van minstens € 4, kunnen particulieren kleine goederen op buitenlandse online platforms kopen tegen verzendkosten van vaak bijna nihil. Dit terwijl het toch echt dezelfde Nederlandse postbezorger is die het gekochte product komt bezorgen. Deelt de regering de mening dat dit zorgt voor oneerlijke concurrentie tussen de grote buitenlandse platforms en de kleinere of grotere Nederlandse ondernemers? Welke oplossingen ziet de regering ervoor om ook deze ongelijkheid aan te pakken.

Voor ondernemers is het een groot voordeel om de btw over buitenlandse verkopen af te kunnen dragen in de eigen lidstaat. Natuurlijk moet elke ondernemer de wet kennen, maar omdat alle lidstaten een andere grens hebben vanaf wanneer de btw in dat land moet worden afgedragen, leidt dit bij startende ondernemers nogal eens tot verwarring en mogelijk naheffingen. Het is zeer positief dat deze ondernemers nu de buitenlandse btw bij de eigen belastingdienst kunnen afdragen. Wel hebben de leden van de CDA-fractie vragen bij de uitvoerbaarheid van deze ingrijpende wijzigingen. Deze leden zien op enkele punten significante uitdagingen bij de uitvoering van deze wet, waarbij mogelijk risico op fraude ontstaat en ook problemen kunnen ontstaan met het toezicht op afdrachten.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wet implementatie richtlijnen elektronische handel. Deze leden onderschrijven het doel om de heffing en inning van de btw te moderniseren en vereenvoudigen. Deze leden hebben een aantal vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierbij enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel implementatie richtlijnen elektronische handel. De doelen van de wet worden gesteund door de leden van de PvdA-fractie, namelijk het beschermen van belastinginkomsten en gelijke concurrentie tussen verkopers binnen en buiten de Europese Unie. Dit gaat echter ten koste van een meer complexe uitvoering. Om dat het hoofd te bieden wordt het éénloketsysteem in het leven geroepen. De leden van de PvdA-fractie hebben daarbij enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat er een groot aanbod is van zeer goedkope spullen van buiten de EU, waarop nu geen btw hoeft te worden afgedragen, en bij duurdere aankopen wordt de btw vaak niet afgedragen en gokt men op een lage pakkans. Hoe wordt met dit wetsvoorstel verzekerd dat de btw vanaf nu wel wordt geïnd? Een groot deel van deze spullen zal via de Nederlandse havens de EU binnenkomen, betekent dit dat Nederland de éénloketfunctie bekleedt? Hoe wordt dit in de uitvoering geregeld, en wordt een land gecompenseerd voor de uitoefening van de btw-invordering voor andere lidstaten? Hoe verloopt de samenwerking en informatie-uitwisseling binnen de Europese Unie in het algemeen als het gaat om het éénloketsysteem? Wordt nu btw moet worden afgedragen bij import ook beter acht geslagen op kwaliteitseisen op producten die in de EU wel gelden, maar in andere delen van de wereld soms niet?

De leden van de PvdA-fractie vragen of Nederlandse ondernemers bij de Nederlandse Belastingdienst terecht kunnen met de btw-afdracht over alle verkopen binnen de Europese Unie. Hoe wordt ervoor gezorgd dat dit zo eenvoudig mogelijk wordt, en op welke manier kunnen ondernemers op de hoogte blijven van regel-en tariefswijzigingen in andere landen, zonder daarvoor dure software of adviseurs in te hoeven huren?

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie vragen waarom reeds een klein deel van de richtlijn is geïmplementeerd en welke onderdelen dit zijn?

De leden van de VVD-fractie lezen dat de ondernemers steeds vaker te maken krijgen met de regels rond btw en import van andere EU-lidstaten. Hoe wordt in Europees verband een gelijk speelveld op dit punt nagestreefd en wat draagt voorliggend wetsvoorstel daaraan bij?

De leden van de VVD-fractie lezen dat een van de aspecten van voorliggend wetsvoorstel is dat elektronische interfaces ofwel de handelsplatforms belastingplichtig worden. Kan de regering aangeven of het doorvoeren van deze wet voldoende zekerheid biedt dat alle handelsplatforms ook btw gaan betalen? Welke andere stappen zijn er nodig om deze maatregel vanaf het begin effectief te laten zijn?

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De leden van de fractie van D66 vragen om een nadere toelichting hoe de uitbreiding van de éénloketsystemen er precies uit gaat zien. De leden van de fractie van D66 vragen om een nadere toelichting over de samenloop van dit wetsvoorstel en de uitbreiding van het éénloketsysteem met het voorstel voor het gemeenschappelijk douane-loket.

2.1. Wijziging van de regeling voor afstandsverkopen binnen de Unie

De leden van de VVD-fractie zijn voorstander van vereenvoudiging van regelgeving en het stemt de leden dan ook tevreden dat met dit wetsvoorstel de voorheen ingewikkelde regelgeving rond btw op grensoverschrijdende aankopen eenvoudiger en duidelijker wordt geregeld. De leden van de VVD-fractie achten het verstandig dat de btw toekomt aan het land van bestemming. De leden vragen in welke gevallen dit wel en in welke gevallen dit niet gebeurt en waarom niet? Kan de regering toelichten welke administratieve stappen een ondernemer bij het éénloketsysteem nu meer moet zetten dan voorheen? Wat is eigenlijk het éénloketsysteem?

Wat zijn de administratieve en andere kosten voor de Belastingdienst bij het verrekenen van de btw-aangifte via het éénloketsysteem, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Op basis van welke informatie kiest de ondernemer een lidstaat waar hij via het éénloketsysteem aangifte doet? Kan een ondernemer kiezen op welke moment het goed belast wordt? De leden lezen over de goederenlevering die «belast wordt in de lidstaat waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van verzending» of het «vervoer naar de afnemer». Betekent dit dat de ondernemer uit twee momenten kan kiezen waarop de goederenlevering belast kan worden? In welke gevallen wel en in welke gevallen niet? De leden van de VVD-fractie vragen hier graag een toelichting van de regering.

De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere toelichting op het moment wanneer een goed btw-plichtig is. Wat als goederen bijvoorbeeld een tussenstop maken in een ander (EU)-land? Waar moet btw worden afgedragen en waarom? Kan een mogelijke tussenstop bedoeld zijn als manier om de btw-afdracht te ontwijken? Zo ja, welke acties kunnen de lidstaten ondernemen en hoe ziet de handhaving eruit? Zo nee, waarom niet?

De leden vragen op basis waarvan er is gekozen voor een jaarlijkse omzetdrempel van € 10.000? Wat zijn de gevolgen als de drempel op bijvoorbeeld € 5.000 of € 20.000 staat?

De leden van de VVD-fractie lezen dat «onder de huidige nogal ingewikkelde regels worden deze verkopen vaak belast in de lidstaat van de verkopen, en doorgaans alleen belast in de lidstaat van de consument, wanneer een bepaalde omzet drempel is overschreden». Kan de regering dit nader toelichten op specifiek het punt van het betalen van dubbele belasting?

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de wijziging van de regeling voor afstandsverkopen ertoe leidt dat btw altijd in de lidstaat van de consument wordt geheven. Dat betekent dat ondernemers veel vaker btw-aangifte moeten doen en dus te maken krijgen met btw-regels en tarieven in alle lidstaten waar zij goederen aan consumenten leveren. Dit is een enorme administratieve last voor ondernemers. Deze leden achten het daarom een enorme verbetering dat ter voorkoming van deze lasten ondernemers btw af kunnen dragen in hun eigen lidstaat. Dit betekent echter wel een enorme wijziging in de uitvoering. Deze leden vragen de regering of ondernemers die aan buitenlandse consumenten goederen of diensten leveren zich, wanneer zij onder het nieuwe systeem aangifte doen in hun eigen lidstaat, nog wel moeten melden bij de buitenlandse belastingdienst. Zo niet, houden belastingdiensten binnen de Europese Unie elkaar dan automatisch op de hoogte? Deze leden begrijpen uit de memorie van toelichting dat voor kleine ondernemers een regeling geldt dat zij bij een grensoverschrijdende omzet van minder dan € 10.000 hierover Nederlandse btw(-tarieven) mogen afdragen aan de Nederlandse Belastingdienst. In het geval een ondernemer € 10.001 aan grensoverschrijdende omzet heeft, is hij de buitenlandse btw(-tarieven) verschuldigd, die hij aan de Nederlandse Belastingdienst mag betalen. Die omzet kan over meerdere lidstaten verdeeld zijn, dus de ondernemer kan in één lidstaat best € 1 belaste omzet hebben. Wat gebeurt er als de ondernemer tijdens het jaar over de grens van € 10.000 gaat? Omdat de grens nu niet per lidstaat geldt, maar voor alle buitenlandse omzet samen, moeten ondernemers nog beter gaan opletten of zij over die grens gaan. Verwacht de regering dat dit tot extra problemen kan gaan leiden bij startende of groeiende ondernemers die gedurende het jaar ineens over de omzetgrens gaan? Hoe beziet de regering voorts de grens van € 10.000 voor kleine ondernemers in het licht van de grenzen voor kleine ondernemers in andere EU lidstaten die doorgaans veel hoger liggen? Een Nederlandse ondernemer moet zo al veel sneller met de btw-regels en tarieven van andere lidstaten rekening houden.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de ondernemer de btw die hij is verschuldigd in verschillende lidstaten van verbruik kan aangeven en afdragen in één lidstaat. Deze leden vragen de regering of dit de lidstaat moet zijn waar de ondernemer is gevestigd, of kan de Nederlandse ondernemer er bijvoorbeeld ook voor kiezen zijn btw af te dragen in Malta? Kan de regering aangeven welke lidstaat zorgt voor het toezicht op de juiste afdracht van btw? Een Nederlandse ondernemer verkoopt bijvoorbeeld dierenvoeding in alle lidstaten van de EU en hij kiest ervoor alle btw in Nederland af te dragen. In Nederland valt dierenvoeding onder verschillende btw-tarieven. Moet de Nederlandse Belastingdienst dan controleren of het in alle verschillende lidstaten toegepaste btw-tarief het juiste is? Of heeft de ontvangende belastingdienst van de desbetreffende lidstaat hier een rol in? Welke informatie wordt hiervoor met de buitenlandse belastingdienst gedeeld en moet hierom verzocht worden of gaat dit automatisch?

2.2. Uitbreiding van de niet-Unieregeling

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de handhaving van de uitbreiding van de niet-Unieregeling is geregeld?

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat ook bij de uitbreiding van de niet-Unieregeling onder de nieuwe regels aanbieders van buitenlandse goederen en diensten in één lidstaat hun aangifte kunnen dien. Ook hier vragen deze leden zich af welke lidstaat zorgt voor het toezicht op de juiste afdracht van btw? Als de Amerikaanse ondernemer uit het voorbeeld in de memorie van toelichting software verkoopt aan consumenten in Nederland, Duitsland en Frankrijk en hij kiest ervoor alle btw in Nederland af te dragen. Moet de Nederlandse Belastingdienst dan controleren of de aangegeven Franse en Duitse btw de juiste is? Of moeten de Duitse en Franse belastingdienst dat doen? Welke informatie wordt hiervoor met de buitenlandse belastingdienst gedeeld en moet hierom verzocht worden of gaat dit automatisch? Kunnen de Duitse en Franse belastingdienst contact opnemen met de Amerikaanse ondernemer of loopt de communicatie hoofdzakelijk via de Nederlandse Belastingdienst?

2.3. Uitbreiding van de Unieregeling

De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurt als een goed meerdere landen aandoet? Hoe vindt de controle plaats en waar moet btw worden betaald?

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de toepassing van de Unieregeling en de niet-Unieregeling facultatief is, maar deze leden verwachten dat de regeling wel heel aantrekkelijk is voor de ondernemer. Deze leden vragen zich af hoeveel procent van de ondernemers naar verwachting van de regering gebruik gaat maken van deze beide regelingen. Is deze vrije keuze voor ondernemers bedoeld als tijdelijk? Acht de Nederlandse regering het wenselijk om beide regimes, de Unieregeling en het registreren van buitenlandse ondernemers met Nederlandse omzet boven een bepaalde grens, naast elkaar te handhaven?

2.4. Het schrappen van de btw-vrijstelling bij invoer van goederenzendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22

De leden van de VVD-fractie zijn voorstander van het vervallen van de btw-vrijstelling op goederenzendingen van maximaal € 22 die van buiten de EU naar een EU-lidstaat wordt geïmporteerd. De btw-vrijstelling op goederen van maximaal € 22 heeft met name ondernemers buiten de Europese Unie een voordeel gegeven ten opzichte van de Nederlandse-en Europese ondernemers. Op welke manier zal handhaving plaatsvinden? De leden vragen naar het probleem van onderwaardering en het frauderisico dat op dit punt blijft bestaan. Wat zijn de uitkomsten van deze aanpak? En op welke manier is de regering voornemens hierop te handhaven?

De leden van de CDA-fractie achten het zoals gezegd goed dat de btw-vrijstelling bij invoer van goederenzendingen met een intrinsieke waarde van onder de € 22 wordt geschrapt. Deze leden vragen of het vervallen van de vrijstelling alleen geldt voor de btw of ook voor de invoerrechten? De memorie van toelichting spreekt over het frauderisico dat een lagere waarde bij de invoer van pakketjes wordt opgegeven. Kan de regering iets uitgebreider aangeven hoe deze fraude plaatsvindt? Gaat het dan om het opgeven van een waarde die lager ligt dan de prijs die de consument betaald heeft? Zo zien deze leden voorbeelden in de praktijk langskomen dat consumenten een pakket met een waarde van € 100 ontvangen, waarop zij een sticker van € 20 zien zitten. Of gaat het om de situatie dat de goederen worden ingevoerd in een lidstaat nog voor ze verkocht worden aan de consument? Kan de regering voorts aangeven of het risico op onderwaardering groter wordt op het moment dat grote buitenlandse platforms distributiecentra in de Europese Unie hebben, zodat invoer plaatsvindt nog voordat de goederen aan de consument worden aangeboden? Hoe wordt deze btw-fraude nu en in de toekomst aangepakt voor beide vormen? Kunnen de kosten hiervan in rekening worden gebracht bij de frauderende ondernemer of het frauderende platform, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

De leden van de fractie van D66 constateren dat door deze richtlijn de btw-vrijstelling bij de invoer van goederenzendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22 die worden geleverd door ondernemers van buiten de Unie aan consumenten binnen de Unie wordt afgeschaft. Deze leden vragen of door de Belastingdienst actief toezicht zal worden gehouden op naleving van het afdragen van btw door ondernemers buiten de Europese Unie. Deze leden vragen wat voor type goederen en leveringen worden geraakt door het afschaffen van de vrijstelling en welke ondernemers binnen de EU hier een voordeel van hebben. Deze leden vragen tevens naar de huidige anti-misbruikmaatregelen om onderwaardering te voorkomen. Deze leden vragen of bij het berekenen van de budgettaire opbrengsten rekening is gehouden met de verbetering van de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemingen door afschaffing van de genoemde btw-vrijstelling. Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie geven aan het schrappen van de btw-vrijstelling op kleine zendingen van buiten de Europese Unie logisch te vinden, niet alleen om oneerlijke concurrentie tussen webwinkels onderling tegen te gaan maar ook tussen webwinkels en fysieke winkels. Deze leden vragen de regering aan te geven welke waarde de goederenstroom heeft die nu onder deze vrijstelling valt en hoe dit zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld.

2.5. Introductie van de invoerregeling

De leden van de VVD-fractie lezen over de invoerregeling en vragen zich af of deze invoerregeling de import en btw-aangifte voor de ondernemer niet vooral complexer maken. Waarom is de invoerregeling noodzakelijk en wat doet de introductie van de invoerregeling met het gelijke speelveld?

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de nieuwe invoerregeling inhoudt dat een ondernemer die van buiten de Unie afstandsverkopen doet aan consumenten binnen de Unie, hierover op grond van de invoerregeling btw dient aan te geven en af te dragen in een lidstaat over de verkopen die hij doet met een intrinsieke waarden onder de € 150, waarna een btw-vrijstelling van toepassing is bij invoer van deze goederen zodat consumenten niet achteraf te maken krijgen met een btw-heffing bij invoer en mogelijke afhandelingskosten. Deze leden vragen hoe de heffing van btw verloopt als een ondernemer goederen verkoopt met een waarde onder de € 150 en niet kiest voor de invoerregeling. Hoe weet de Nederlandse consument die een tablet koopt bij de Chinese ondernemer uit de memorie van toelichting of over de tablet wel of niet btw is afgedragen? Hoe kan hij de informatie die de ondernemer daarover geeft controleren en welk risico loopt de consument daarbij?

De leden van de SP-fractie lezen in het wetsvoorstel dat een nieuwe uitzondering wordt gecreëerd voor invoer van buiten de Europese Unie. Deze zogeheten invoerregeling werpt bij deze leden vragen op over de plaats waar btw wordt geheven op goederen die geleverd worden. Deze leden vragen de regering om een verduidelijking over waar en wanneer een consument die een aankoop buiten de Europese Unie doet, c.q. het Chinese telefoonhoesje van € 10, btw betaalt. Houdt het voorstel in dat btw moet worden voldaan bij aankoop en dat de leverancier in deze gevallen dus namens de burger btw afdraagt? Zo ja, hoe gaat hierop gehandhaafd worden?

2.6. Btw-plicht voor elektronische interfaces

De leden van de VVD-fractie vragen hoe het gelijke speelveld wordt geborgd tussen aanbieders van elektronische interfaces in Nederland, de Europese Unie en daarbuiten?

De leden van de CDA-fractie zijn blij met de btw-plicht voor elektronische interfaces, waarmee de verantwoordelijkheid wordt neergelegd op de plek waar die hoort, namelijk bij de grote buitenlandse platforms. Nu ligt de verantwoordelijkheid bij de consument en binnen de omzetbelasting is het niet logisch dat de consument verantwoordelijk is voor het afdragen van de btw. Ook zou het onuitvoerbaar zijn als die verantwoordelijkheid kwam te liggen bij de talloze kleine buitenlandse ondernemers die via het platform goederen verkopen. Deze leden vragen zich wel af hoe onder deze regeling de koper weet of de verkoper voldaan heeft aan de btw-plicht. Voorts vragen deze leden hoe het zit met producten die duurder zijn dan € 150. Zo wordt dikwijls dure elektronica of kleding gekocht bij «elektronische interfaces». Deze leden vragen de regering of het klopt dat de btw-plicht alleen geldt voor goederen die worden ingevoerd van buiten de Unie? Dus niet voor bedrijven als Marktplaats of Bol.com die bemiddelen voor verkopen van Europese ondernemers aan Europese consumenten?

De leden van de fractie van D66 vragen of, wanneer er geen btw-plicht zou worden opgenomen voor elektronische interfaces, dit een verschil zou maken voor de consument. Anders gezegd vragen deze leden of de consument een verschil ervaart als de btw-plicht niet zou worden ingevoerd.

2.7. Regeling voor post- en koeriersdiensten

De leden van de VVD-fractie vragen op dit punt op welke manier deze regeling bijdraagt aan een gelijk speelveld en hoe dit wordt gehandhaafd?

De leden van de CDA-fractie lezen bij de regeling voor post- en koeriersdiensten dat indien een ondernemer niet kiest voor gebruik van de invoerregeling voor goederen en diensten met een intrinsieke waarde van minder dan € 150, de verantwoordelijkheid voor het aangeven van de pakketten bij de douane en het voldoen aan de betalingsverplichtingen voor de invoer dan vaak bij de post- of koeriersdienst komt te liggen, welke de btw doorberekenen aan de consument. De nieuwe regeling zorgt dat de post- en koeriersbedrijven op maandbasis uitstel van betaling wordt verleend voor de verschuldigde btw in verband met de aangifte van elk afzonderlijk pakket bij de douane. De leden van de CDA-fractie hebben enkele vragen bij deze regeling over mogelijk ongewenste situaties die als gevolg van het facultatieve karakter van de invoerregeling kunnen ontstaan bij post- en koeriersbedrijven, nu voor alle kleine zendingen btw verschuldigd is. Deze leden vragen de regering in welke gevallen het voor een ondernemer interessant is om niet te kiezen voor de invoerregeling, waardoor bij invoer btw verschuldigd is. Waarom heeft een ondernemer deze keuze en is in de richtlijn niet gekozen om een van beide routes dwingend voor te schrijven? Voorts vragen deze leden de regering wat deze keuze betekent in het geval van een buitenlandse «elektronische interface». Kan het buitenlandse platform dan kiezen of zij de btw aangeeft middels de invoerregeling of via het post- en koeriersbedrijf? Ontstaat hierbij niet een prikkel om te kiezen voor het post- en koeriersbedrijf, omdat je hiervoor meerdere concurrenten hebt en de buitenlandse interface dus naar believen afspraken kan maken? Heeft het post- en koeriersbedrijf bovendien niet het voordeel dat de controle naar verwachting veel minder is? Deze leden achten het niet verplichten van de invoerregeling voor buitenlandse ondernemers voor zendingen met een lage intrinsieke waarde zeer ongewenst. Postbedrijven krijgen mogelijk te maken met een groot aantal extra leveringen waarover zij btw in rekening moeten gaan brengen. Op welke wijze gaan zij deze enorme extra hoeveelheid aan met name kleine btw-bedragen in rekening brengen? Leidt dit tot situaties waarin een Nederlandse consument straks voor een bestelling haarelastiekjes van € 0,50 aan de deur € 0,10 moet pinnen, contact afgerond te betalen of vooraf over te boeken alvorens de postbode de brief bezorgt? Deze leden vragen de regering of zij dergelijke effecten voor post- en koeriersbedrijven en voor klanten ook niet zeer ongewenst acht. Voorts vragen deze leden de regering hoe dit zich verhoudt tot de huidige praktijk dat postbedrijven vaak genoeg mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt inzetten voor postbezorging, die helemaal niet zijn toegerust voor deze financiële taak.

De leden van de fractie van D66 lezen dat particulieren in bepaalde gevallen btw en afhandelingskosten moeten vergoeden aan een postbezorger. Deze leden vragen hoe vaak dit naar verwachting zal gebeuren. De leden van de fractie van D66 vragen om in te gaan op het voorbeeld dat door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) is geschetst, namelijk hoe situaties worden voorkomen waarbij een consument wordt geconfronteerd met btw bij invoer en de kosten van invoer, bijvoorbeeld als een kwaadwillende leverancier btw int van een consument en het post- of koeriersbedrijf dat de goederen invoert niet het btw-identificatienummer kunnen verstrekken waarmee een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling.

2.8. Overige wijzigingen

De leden van de VVD-fractie steunen de wijzigingen waardoor de administratieve lasten worden beperkt. De leden vragen echter wel naar de balans tussen het beperken van de lasten en het voorkomen van fraude? Hoe wordt deze balans bewaard en hoe is het toezicht hierop?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de leverancier die in geen enkele lidstaat is gevestigd, maar wel in een lidstaat is geregistreerd in verband met de levering van daar opgeslagen goederen via een elektronische interface. Waar betaalt deze leverancier zijn btw? De leden van de VVD-fractie lijken te lezen dat een ondernemer buiten de EU geen btw verschuldigd is over de levering van goederen aan een elektronische interface binnen de EU. Is deze elektronische interface dan wel btw verschuldigd wanneer goederen worden verkocht aan de consument? De leden van de VVD-fractie vragen de regering graag om een uitgebreide toelichting.

3. Budgettaire aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen naar een toelichting op de budgettaire aspecten. Welk budgettair beslag heeft de wijziging voor de regeling rond afstandsverkopen binnen de Europese Unie? Blijven de btw-inkomsten per lidstaat ongeveer gelijk? Welke invloed heeft de COVID-19-crisis op deze budgettaire verwachtingen?

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de opbrengst van de afschaffing van de btw-vrijstelling bij invoer van pakketjes met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22 wordt geraamd op € 150 miljoen per jaar. Deze leden vragen de regering van welke prijsstijging van producten is uitgegaan bij deze raming. Klopt het dat de producten op buitenlandse platforms voor Europese consumenten aanzienlijk duurder zullen worden en dat er dus iets eerlijkere concurrentie ontstaat met EU-ondernemers die ook btw bij invoer hebben betaald? Van die € 150 miljoen is € 55 miljoen al nodig aan uitvoeringskosten. Wat zijn de verwachte economische gevolgen van de wetgeving? Draagt deze enorme operatie bij aan extra economische groei in de Europese Unie?

De leden van de D66-fractie vragen wat de Brexit en de gevolgen van de COVID-19-pandemie betekenen voor de verwachte effecten en budgettaire gevolgen van dit wetsvoorstel.

4. EU-aspecten

De leden van de VVD-fractie verwijzen naar de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU. Welke afspraken zijn er met de Verenigd Koninkrijk gemaakt over de aangifte van btw en rond de implementatie van dit wetsvoorstel?

De leden van de SP-fractie vragen de regering welke gevolgen het uittreden van het Verenigd Koninkrijk heeft voor de uitvoering van de onderhavige richtlijnen en het wetsvoorstel en tot welke vertragingen de te sluiten overeenkomst kan hebben voor de aanpassing van de IT-voorzieningen benodigd voor de uitvoering van deze wet.

5. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de CDA-fractie hebben met zeer grote zorg kennisgenomen van de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel en maken zich grote zorgen over de implementatie van de richtlijnen in Nederland. Uit de uitvoeringstoets blijkt dat uitvoering per datum waarop door Nederland is ingestemd praktisch onuitvoerbaar blijkt voor de Nederlandse Belastingdienst. In eerste instantie achtte de Belastingdienst de implementatie pas mogelijk per 1 januari 2024, wat vervolgens is teruggebracht tot 1 januari 2022. Deze leden vragen zich allereerst af hoe de implementatie met twee jaar kon worden vervroegd. Ook vragen deze leden zich af hoe het kan het dat Nederland heeft ingestemd met de implementatiedatum per 1 januari 2021 en vervolgens per 1 juli 2021, terwijl de Belastingdienst bij lange na niet de benodigde capaciteit en automatisering op orde kan hebben voor een zodanig ingrijpende wijziging van de huidige btw-regels. Immers leidt het wetsvoorstel tot inzet van een groot aantal extra mensen en middelen en een ingrijpende aanpassing van de IT-systemen. Kan de regering aangeven waarom tot twee keer toe is ingestemd met een implementatiedatum die voor Nederland niet haalbaar is? Deze leden vragen voorts of de regering kan aangeven hoe groot zij de kans acht dat de Europese Commissie het voorstel van Nederland en Duitsland overneemt om de implementatiedatum verder te verschuiven naar 1 januari 2022, en dat de Ecofin-Raad hierna met dit voorstel zal instemmen? Voorts begrijpen deze leden uit het BNC-fiche destijds bij deze richtlijn dat nog geen inschatting kon worden gegeven van de gevolgen voor uitvoeringslast van de implementatie van de richtlijn. Kan de regering aangeven hoe de uitvoeringslasten verder in kaart zijn gebracht tussen het verschijnen van het fiche en het aannemen van de richtlijn? Zagen andere lidstaten ook problemen bij de uitvoering, of wordt de uitvoering daar mogelijk makkelijker omdat een groter deel van de taken naar verwachting naar Nederland verschuift?

De leden van de CDA-fractie lezen in de uitvoeringstoets dat voor implementatie eenmalig een extra inzet van 197 fte benodigd is en structureel van 408 fte. Dit betekent een zware uitvoeringslast voor zowel de Belastingdienst als voor de douane. Uit de brief van de Staatssecretaris van Financien – Toeslagen en Douane van 15 september 2020 over de stand van zaken bij de douane begrijpen deze leden dat invoering van de richtlijnen leidt tot een andere wijze van aangeven en nieuwe vereenvoudigde aangifteprocedures naar keuze en tot tientallen miljoenen aangiften. Ook begrijpen deze leden uit de brief dat de capaciteit van de douane voor wat betreft de handhaving op e-commerce vanaf 2021 geleidelijk met 258 fte structureel zal worden uitgebreid. Deze leden vragen zich af of deze 258 fte onderdeel is van de structureel 408 fte in de uitvoeringstoets, of daar nog bovenop komt. Kan de regering uiteenzetten voor welke werkzaamheden de 408 fte precies gaan worden ingezet? Welk deel zal gaan om het verwerken van de btw-aangiften van Nederlandse ondernemers die aan het buitenland leveren en voor welk deel wordt verwacht dat de werkzaamheden zullen zien op inning en controle ten aanzien van aangiftes die buitenlandse ondernemers in Nederland zullen gaan doen? Kan de regering ook aangeven hoeveel van de fte die tijdelijk nodig zijn nu al aan het werk zijn bij de Belastingdienst en douane? Kan de regering voorts aangeven hoeveel van de fte die permanent nodig zijn bij de Belastingdienst en de douane in dienst treden in 2020, in 2021 en in 2022? Deze leden vragen de regering ook wat dit voor mogelijke gevolgen heeft met betrekking tot frauderisico’s. Vooral de grote onzekerheden die met de keuzeregelingen gepaard gaan baren de leden van de CDA-fractie zorgen. Vanwege het facultatieve karakter van de vereenvoudigde aangifte via het éénloketsysteem, de vereenvoudigde aangifte met btw-afdracht bij invoer en regulieren aangifte zijn de extra lasten zowel voor de Belastingdienst als voor de douane zeer moeilijk in te schatten. Hoe hebben de Belastingdienst en de douane een goede balans willen bereiken tussen de onzekerheid van de te verwachten last en de inzet van capaciteit en op basis van welke factoren en data hebben zij hun afweging gemaakt? Indien ondernemers kiezen voor een aangifte via het éénloketsysteem in een andere staat kan dit immers leiden tot minder aangiften in Nederland. Ook kunnen consumenten de keuze maken minder aankopen met een waarde onder de € 22 van buiten de Europese Unie te doen vanwege het vervallen van de vrijstelling. Heeft de regering nagedacht over methoden om hierop tussentijds bij te sturen en hoe wordt gereageerd als de ingezette capaciteit ofwel te hoog, ofwel te laag blijkt? Deze leden vragen begrijpen voorts uit de uitvoeringstoets dat het aantal belaste stromen intensiveert en vragen of de regering kan toelichten waar de risico’s op fraude in het systeem liggen en hoe voldoende waarborgen hiertegen in de nieuwe systemen zijn ingebouwd.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af vragen zich in dit kader ook af hoe zo’n forse structurele stijging in het aantal mensen en middelen samenhangt met een wet die juist gericht is op vereenvoudiging voor burgers en belastingdiensten. Zo zou de belastingplicht voor elektronische interfaces er bijvoorbeeld juist toe moeten leiden dat de belastingdienst alleen nog te maken heeft met één interface, in plaats van met de talloze leveranciers aan zo’n interface. Kan de regering aangeven op welke verschillende onderdelen van de uitvoering van de richtlijn extra fte bij de Belastingdienst en douane worden ingezet, en op welke onderdelen mogelijk fte worden bespaard?

De leden van de CDA-fractie zien dat met implementatie eenmalig kosten gemoeid van € 48,8 miljoen en structureel van € 55,5 miljoen per jaar. Verder lezen deze leden dat deze kosten gedekt dienen te worden uit de begroting van de Belastingdienst, de douane en nog onverdeelde middelen. De leden van de CDA-fractie zouden het onrechtvaardig vinden als de enorme uitvoeringslasten van de Wet en de benodigde ruim 400 fte ten kosten gaan van andere werkzaamheden of onderdelen van de Belastingdienst of de douane. Deze leden vragen waarom de regering het gerechtvaardigd acht deze hoge kosten te dekken uit de begroting van de Belastingdienst en de douane. Kan de regering verder toelichten hoe deze kosten precies worden gedekt en ten koste van welke andere uitgaven dit gaat in deze begrotingshoofdstukken? Ziet de regering vanwege de extreme personele en financiële consequenties van implementatie van de richtlijn reden tot ophogen van het budget van de Belastingdienst en de douane?

De leden van de CDA-fractie lezen bij de beoordeling van de maakbaarheid van systemen dat ondersteuning per 1 januari 2022 waarbij deels gebruik wordt gemaakt van tijdelijke oplossingen haalbaar is. Wat houden deze tijdelijke oplossingen precies in en wat zijn de gevolgen hiervan voor de Belastingdienst, de douane en ondernemers? Hoe en wanneer zullen deze tijdelijke oplossingen worden omgezet in permanente oplossingen? Ook vragen deze leden de regering wat wordt bedoeld met de zin: «De inpassing van e-commerce in het IV-portfolio van de Belastingdienst gaat ten koste van de beschikbare capaciteit voor andere trajecten zoals het vernieuwen van het btw-aangiftesysteem en het ketenplan omzetbelasting. Dit leidt tot een toenemend risico voor de continuïteit van de btw-heffing. Daarnaast kunnen nieuwe trajecten in de IV-sfeer invloed hebben op de implementatie en daarmee de uitvoerbaarheid van btw e-commerce.» Kan de regering aangeven hoe groot deze risico’s zijn en wat er wordt gedaan om deze risico’s te mitigeren?

De leden van de CDA-fractie lezen in de uitvoeringstoets bij de handhaafbaarheid dat het aantal invorderingsacties buiten Nederland zal toenemen en dat dergelijke acties kostbaar en tijdrovend zijn. Kan de regering hiervan een nadere beschouwing met concrete voorbeelden geven?

De leden van de CDA-fractie hebben niet gezien dat een mkb-toets is uitgevoerd ten aanzien van de invloed van dit wetsvoorstel op mkb-ondernemers. Kan de regering deze mkb-toets alsnog uitvoeren?

6. Gevolgen regeldruk voor bedrijfsleven en burger

6.1. Analyse en conclusie

De leden van de VVD-fractie vragen hoe aan ondernemers duidelijk wordt gemaakt dat zij verschillende keuzes hebben met betrekking tot de btw-aangifte? Waarom kiest de regering of de Europese Commissie er niet voor om ondernemers te verplichten tot het aangeven bij het éénloketsysteem?

De leden vragen een toelichting op de administratieve lastenverlichting van € 115 miljoen voor Nederlandse bedrijven. Juist, omdat onder kop 2.1. nog werd vermeld dat de administratieve lasten voor ondernemers niet noemenswaardig veranderen en onder andere VNO-NCW en de NOB aangeven dat de administratieve lastendruk wel toeneemt. Waarop baseert de regering de verwachte (administratieve) lastenverlichting? Kunt u een uitgebreide toelichting geven op de analyse dat de nalevingskosten voor het bedrijfsleven dalen?

De leden van de fractie van D66 lezen dat de Adviescommissie Toetsing Regeldruk (ATR) de gegeven analyse en conclusie ten aanzien van de gevolgen voor de regeldruk voor bedrijfsleven en burger delen. Deze leden vragen of de ATR nog aanvullende adviezen en aanbevelingen heeft gegeven.

De leden van fractie van D66 vragen hoe de regering de tijdige voorlichting van consumenten wil vormgeven. Deze leden vragen of de regering deelt dat deze aanpassing in wetgeving en ook de onduidelijkheid over de ingangsdatum het voor consumenten best ingewikkeld kan maken.

6.2. Toepassing van het éénloketsysteem heeft de voorkeur

De leden van de VVD-fractie hopen dat de kortstondige logistieke problemen en daarbij behorende lastenverzwaring voor de koeriersbedrijven tot een minimum beperkt kunnen worden. Door invoering van de maatregel wordt de druk op het éénloketsysteem ook significant verhoogd. Kan het éénloketsysteem dit aan? Zo ja, waarom? Wat is de plan van aanpak zodat implementatie van de nieuwe regels voldoende kan plaatsvinden terwijl het éénloketsysteem gewoon draaiende blijft?

7. Advies en consultatie

8. Uitvoering Belastingdienst en inwerkingtreding

De vertraging in de uitvoering door de Belastingdienst baart de leden van de VVD-fractie zorgen. Deze wetswijziging zorgt voor een beter level playing field voor ondernemers binnen de Europese Unie en het is niet uit te leggen dat aanpassing door de Belastingdienst pas op zijn vroegst structureel in 2023 of 2024 of tijdelijk per 1 januari 2022 kan plaatsvinden. De administratieve lastenverzwaring wordt voor Nederlandse ondernemers hierdoor aanzienlijk, met een ongelijk speelveld tot gevolg. De leden vragen wat er de afgelopen jaren is gebeurt om de richtlijnen uit dit wetsvoorstel, waarover inmiddels al sinds 2017 wordt gesproken, tijdig te implementeren?

Ook hebben de leden van de fractie van de VVD zorgen over de handelspositie van de Nederlandse ondernemers en de mogelijke handel van en door buitenlandse ondernemers in Nederland wanneer zij in Nederland zijn toegewezen op periodieke btw-aangifte in Nederland in plaats van gebruikmaking van het éénloketsysteem. Iets waar zij in verschillende andere EU-landen wel gebruik van kunnen maken. Waarom kan de Belastingdienst beide richtlijnen niet per 1 juli 2021 implementeren? Op welke manier gaat de regering zich in EU-verband inzetten om te komen tot uitstel inwerkingtreding tot 1 januari 2022? Deelt de regering de mening van de leden van de VVD-fractie dat als de uitvoering door de Belastingdienst niet tijdig kan plaatsvinden, het bedrijfsleven hiervoor gecompenseerd dient te worden?

De leden van de VVD-fractie schrikken van de opmerking dat schadeclaims door ondernemers of ander EU-lidstaten door een te late inwerkingtredingsdatum door Nederland niet zijn uit te sluiten. De leden wijzen op het feit dat er zeggen en schrijven nog maar drie maanden zijn voordat 2021 ingaat en dat er in overlegverband tussen Nederland, de Europese Commissie en andere EU-lidstaten nog veel onduidelijkheid moet worden weggenomen. Hoe kan deze onduidelijkheid worden verklaard? Waarom zijn de gesprekken over de implementatie zo laat op gang gekomen, wanneer verwacht de regering duidelijkheid te hebben over de inwerkingtredingsdatum, over de omgang van andere EU-lidstaten bij een te late invoering door Nederland en de haalbaarheid van de invoeringsdatum van 1 juli 2021 door andere EU-lidstaten? Hoe staan andere EU-lidstaten tegenover invoering per 1 januari 2022?

De leden vragen welke andere EU-lidstaten moeite hebben met inwerkingtreding per 1 juli 2021 en waardoor dit komt? Waarom houdt de Europese Commissie vast aan implementatie per 1 juli 2021 terwijl er blijkbaar meerdere lidstaten dit technisch niet gaan redden? Welke EU-lidstaten willen vasthouden aan inwerkingtreding per 1 juli 2021 en welke stappen of middelen heeft Nederland om in EU-verband tot een oplossing te komen met de dwarsliggende lidstaten? Wanneer wordt meer duidelijk over de inwerkingtredingsdatum? Op welke manier komt de Europese Commissie lidstaten tegemoet die niet aan de inwerkingtredingsdatum kunnen voldoen?

Welke extra maatregelen, naast de maatregelen die de inwerkingtredingsdatum hebben kunnen vervroegen naar 1 januari 2022, treft de regering om vertraging in de uitvoering zoveel mogelijk te voorkomen? Wat zijn de gevolgen voor ondernemers en consumenten van het feit dat de Belastingdienst de maatregelen niet tijdig kan implementeren? Op welke wijze worden eventuele nadelige effecten voor ondernemers en consumenten zoveel mogelijk beperkt? De leden maken zich specifiek zorgen over de grote mate van onduidelijkheid over het wel of niet halen van de gestelde inwerkingtredingsdatum van 1 juli 2021, mogelijkheid tot uitstel tot 1 januari 2022 en het gebruik van een tijdelijke oplossing tot 2023 of 2024. Op welke termijn kan de regering deze onduidelijkheid wegnemen?

Kan de regering toelichten waar de implementatiewijziging van 2024 naar 1 januari 2022 vandaan komt? Wat is er veranderd waardoor in de initiële uitvoeringstoets werd gesproken over 2024 en in de nieuwe Uitvoeringstoets over 1 januari 2022? Wat is de kans op een oplossing als er pas gesproken wordt over een oplossing als het probleem zich daadwerkelijk voordoet? Waarom wordt daar nu al niet op geanticipeerd?

Welke gevolgen heeft implementatie van dit wetsvoorstel voor de douane? De leden lezen een structurele capaciteitsuitbreiding van de douane vanaf 2021 met 258 fte. Welke gevolgen voor capaciteit bij de douane heeft implementatie van beide richtlijnen uit dit wetsvoorstel? In antwoord op vragen van het lid Lodders (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2986) geeft de Staatssecretaris van Financien – Toeslagen en Douane aan dat een wijziging in de aanpak van handhaving de Belastingdienst en douane er toe in staat moet stellen op de lange termijn «een nieuwe, toekomstgerichte aanpak te ontwerpen voor e-commerce zendingen». Wat draagt dit wetsvoorstel bij aan deze vernieuwde aanpak? Zijn er in Europees verband ook afspraken gemaakt over de controle van e-commerce goederen door de douane nu ook de afspraken over de btw worden gewijzigd? Zo nee, waarom niet?

Voor de leden van de VVD-fractie is het belangrijk dat we met deze aanpassing zorgen voor een vereenvoudiging en daarmee een verlaging van de administratieve lastendruk, en minstens zo belangrijk, het wegnemen van het ongelijke speelveld. Deelt de regering de mening dat dit met de voorgestelde wijzigingen voldoende gaat gebeuren?

De leden van de CDA-fractie lezen dat bij te late implementatie de gevolgen voor ondernemers in andere lidstaten en in Nederland groot zijn, omdat als gevolg van late toepassing de systemen van Nederland niet aansluiten op die van andere lidstaten. De Staatssecretaris van Financien – Toeslagen en Douane geeft aan te bekijken of hiervoor een tijdelijke oplossing kan worden gevonden om ondernemers toch via het éénloketsysteem van andere lidstaten in Nederland de verschuldigde btw af te laten dragen. Deze leden vragen zich af hoe de regering deze tijdelijke toepassing van de in feite te bereiken uitbreiding van het éénloketsysteem precies wil bereiken, of hiervoor al de nodige voorbereidingen worden getroffen en welke extra kosten met deze tijdelijke toepassing gemoeid zijn. Kan een dergelijke Nederlandse oplossing ook worden bedacht voor het tijdelijk laten aansluiten van het bestaande Nederlandse éénloketsysteem op systemen van andere lidstaten, zodat ondernemers die zich al in Nederland hebben geregistreerd voor dit loket hiervan gebruik kunnen blijven maken? Kan de regering ook aangeven of toepassing van de invoerregeling bij late implementatie reeds nader is onderzocht en welke voorbereidingen worden getroffen als de invoerregeling nog niet kan worden toegepast? De gevolgen van te late implementatie van de invoerregeling zullen eveneens groot zijn voor consumenten, die, zoals deze leden in de memorie van toelichting lezen, de btw bij aflevering van het pakket moeten vergoeden aan de postbezorger, eventueel verhoogd met diens afhandelingskosten. Deze leden vragen hoe de regering de consument op de hoogte wil stellen van dergelijke gevolgen. Ook vragen deze leden vragen zich af of met vergoeding van de btw en kosten aan postbezorgers mogelijkheden tot fraude gepaard gaan en hoe de regering dit risico voor consumenten wil mitigeren.

Het valt de leden van de fractie van D66 op dat de invoering van deze wet flinke uitdagingen met zich meebrengt voor de uitvoering van de Belastingdienst, bijvoorbeeld ten aanzien van de personele inzet en de ICT-systemen. Deze leden constateren dat dit regelmatig het geval is bij wetgeving die vanuit de Europese Unie afkomstig is en vragen hoe tijdens de onderhandelingen in de Europese Unie rekening wordt gehouden met het uitvoeringsperspectief. Deze leden vragen hoe de regering aankijkt tegen een uitvoeringscheck bij ieder richtlijnvoorstel door de Europese Commissie. Deze leden vragen hoe het kan dat het btw e-commercepakket nu per 1 januari 2022 kan worden ingevoerd, terwijl dit in eerste instantie twee jaar later was. Deze leden vragen wat de gevolgen zijn wanneer Nederland niet tijdig voldoet aan deze richtlijn, omdat er geen verdere uitstel door de Europese Commissie wordt verleend voor implementatie. Deze leden lezen dat er voorbereidingen worden getroffen voor de situatie dat de extra uitstel niet tot stand komt. Deze leden vragen welke voorbereidingen precies worden getroffen. Deze leden vragen of de regering van plan is om de wijzigingen in de ICT bij de Belastingdienst voor te leggen aan het Bureau ICT-toetsing en, zo ja, dit advies naar de Kamer te sturen. Deze leden vragen hoe de samenwerking tussen de Belastingdienst en de douane wordt vormgegeven wanneer de ICT-systemen van de Belastingdienst nog niet gereed zijn. Deze leden vragen of de Belastingdienst al van start is gegaan met de implementatie van deze wet. Deze leden vragen of andere landen vergelijkbare uitvoeringstoetsen uitvoeren en tegen dezelfde problemen aanlopen. De leden van de fractie van D66 lezen dat de uitvoeringskosten kunnen oplopen tot € 55,5 miljoen en constateren dat een derde van de meeropbrengsten verloren gaat aan uitvoeringskosten. Deze leden vragen daarom of er een perspectief bestaat deze uitvoeringskosten in de toekomst te kunnen verlagen.

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom, ondanks de inzet op ICT bij de Belastingdienst in de afgelopen jaren en de beloften die zijn gedaan op dit vlak, het toch niet mogelijk blijkt om deze wet tijdig uit te voeren.

De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe zij zinsnede moeten opvatten dat indien de invoerregeling niet gebruikt zou kunnen worden voor zendingen aan particulieren deze particulieren de btw bij levering moeten vergoeden aan de postbezorger. Afgaande op het feit dat hier over postbezorger wordt gesproken maken deze leden hieruit op dat de regering voorziet dat dit ook voor kleine brievenbuspakketjes geldt en daarmee waarschijnlijk ook voor leveringen onder € 22. Deze leden vragen de regering of hierover met post- en pakketbezorgers is gesproken, hoe dit vormgegeven zou moeten gaan worden en of de regering overweegt inwerkingtreding af te laten hangen van duidelijkheid hierover. Tevens vragen deze leden of in dergelijke gevallen de informatieplicht komt te liggen bij de verkopende partij.

Tevens wijzen de leden van de SP-fractie op de recent nog besproken problemen met de vervanging van het IT-landschap van de douane waarbij deze leden opmerken het op zichzelf een goede werkwijze te vinden dat inwerkingtreding hiervan afhankelijk wordt gemaakt. Deze leden zijn benieuwd of de benodigde wijzigingen in de systemen van de douane al in voorbereiding zijn en of hierover een BIT-toets is afgegeven.

(BIJLAGE) Transponeringstabellen

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel ....

BIJLAGE: Ramingstoelichting en certificering budgettaire raming Wet implementatie richtlijnen elektronische handel

BIJLAGE: Uitvoeringstoets

De leden van de VVD-fractie lezen dat het risico op procesverstoringen door tussentijdse en tijdelijke oplossingen toenemen en de inpassing van de e-commerce gevolgen kan hebben voor de continuïteit van de btw-heffing. Hoe wordt door de regering zo veel als mogelijk voorkomen dat procesverstoringen daadwerkelijk plaatsvinden? De leden concluderen dat de Belastingdienst er alles aan doet om de richtlijnen zo snel en zo goed als mogelijk te implementeren. De leden vragen wat de problemen tot tijdige implementatie van beide richtlijnen uit dit wetsvoorstel en de gevolgen hiertoe voor andere trajecten binnen het IV-portfolio zegt over de algehele IV-capaciteit bij de Belastingdienst? Is de regering van mening dat het aantal fte in de IV-portfolio binnen de Belastingdienst voldoende is? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet? Kan een uitbreiding van het aantal fte in de IV-portfolio ertoe leiden dat de Belastingdienst de richtlijnen rond btw sneller dan 1 januari 2022 kunnen implementeren? Kan een uitbreiding van het aantal fte in de IV-portfolio ertoe leiden dat de inpassing van e-commerce in het IV-portfolio niet ten koste gaat van de voorgang op andere IV-trajecten binnen de Belastingdienst en bijdraagt aan het behoud van continuïteit? De leden van de VVD-fractie ontvangen graag een uitgebreide toelichting op beide punten.

De leden lezen dat een structurele oplossing ook al in 2023 gereed kan zijn. Welke stappen moeten er worden gezet om de structurele oplossing naar voren te halen? Hebben de in de Uitvoeringstoets genoemde capaciteitsopschaling en de implementatie per 1 september 2020 reeds plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, graag een toelichting.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering voornemens is de communicatie met betrekking tot de wijzigingen op te zetten? Wat is er op dit vlak gebeurt en wat staat er nog te gebeuren? De leden vragen verder een toelichting op de impact die implementatie van beide richtlijnen heeft op de klantinteractie bij de Belastingdienst en douane?

De leden van de VVD-fractie vragen welke frauderisico’s er aan de voorgestelde wijzigingen zitten? Op welke manier wil de regering de kans op fraude zo goed als mogelijk minimaliseren en welke stappen zijn hier in EU-verband ook al toe gezet?

OVERIG

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering het Bureau ICT-Toetsing (BIT) heeft gevraagd mee te kijken naar de problemen rond implementatie van de richtlijnen in de (ICT van de) Belastingdienst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was het BIT-advies en waarom is dit niet met de Kamer gedeeld?

De leden vragen of de regering de inhoudelijke vragen van VNO-NCW/MKB-Nederland en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) kan beantwoorden? De leden vragen tevens een appreciatie op het voorstel van MKB-Nederland tot het opstarten van een Nederlandse webpagina met informatie over geldende btw-tarieven en tariefindelingen in andere lidstaten.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering integraal te reageren op het commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB).

Naar boven