Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035513 nr. 2

35 513 Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken, alsmede in de Wet gemeenschappelijke regelingen enkele maatregelen te treffen ter vergroting van de ruimte voor differentiatie binnen gemeenschappelijke regelingen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet gemeenschappelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters zenden het ontwerp van de regeling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de raden.

  • 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van hun gemeente binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

B

Artikel 9, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1.

C

Aan artikel 10 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 5. Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de besluiten van het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan, waarover de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, met uitzondering van het besluit tot het vaststellen of wijzigen van de begroting, bedoeld in artikel 35, en besluiten als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, en de wijze waarop de zienswijze gegeven kan worden.

  • 6. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

  • 7. Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent of en indien dit het geval is de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden.

  • 8. Indien de deelnemers aan de regeling de in het zevende lid bedoelde betrokkenheid regelen in de vorm van inspraak, dan wordt deze verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover in de regeling niet anders is bepaald.

D

Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11a

Een regeling houdt bepalingen in omtrent de evaluatie van de regeling.

E

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de laatste zin.

2. In het tweede lid vervalt «of secretaris».

F

Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Aan het eerste lid (nieuw) wordt een zin toegevoegd, luidende: Indien de regeling uitsluitend strekt tot behartiging van opleiding en vorming van ambtenaren, kan in de regeling worden bepaald, dat ook de gemeentesecretaris als lid van het bestuur kan worden aangewezen.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onverminderd artikel 13, tweede lid, eindigt het lidmaatschap van het bestuur zodra het betreffende lid ophoudt secretaris van de desbetreffende deelnemende gemeente te zijn.

G

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

  • 3. De regeling, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt.

H

Na artikel 24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 24a

  • 1. Op voorstel van de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk stelt het algemeen bestuur van een openbaar lichaam een gemeenschappelijke adviescommissie in die het algemeen bestuur van advies kan voorzien, de besluitvorming van de raden van de deelnemende gemeenten met betrekking tot de regeling kan voorbereiden of de raden van advies kan voorzien.

  • 2. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam regelt de bevoegdheden, de taken en werkwijze van de commissie, nadat het de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid heeft gesteld hun wensen en bedenkingen hieromtrent ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

  • 3. De commissie bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden worden aangewezen. Een raad kan besluiten geen lid aan te wijzen.

  • 4. Het lidmaatschap van de gemeenschappelijke adviescommissie eindigt van rechtswege op het moment dat men ophoudt lid te zijn van de raad uit wiens midden men aangewezen is.

  • 5. Artikel 22 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing op de commissie.

  • 6. De leden van de gemeenschappelijke adviescommissie kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. De hoogte van de vergoeding staat in redelijke verhouding tot de aan het lidmaatschap van de gemeenschappelijke adviescommissie verbonden werkzaamheden, mede rekening houdende met de vergoeding voor werkzaamheden welke het lid ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van de raad. De artikelen 96, tweede en derde lid, tweede zin, 98 en 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regels, zijn van overeenkomstige toepassing.

I

In artikel 34, tweede lid, wordt «1 augustus» vervangen door «15 september».

J

In artikel 34b wordt «15 april» vervangen door «30 april».

K

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «acht weken» telkens vervangen door «twaalf weken».

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met zevende lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het bestuur of algemeen bestuur, bedoeld in het derde lid, stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

L

In artikel 40 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning zenden het ontwerp van de regeling toe aan provinciale staten van de deelnemende provincies, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door provinciale staten.

  • 3. Provinciale staten van de deelnemende provincies kunnen bij de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning van hun provincie binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien provinciale staten geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

M

Artikel 41, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen i tot en met k tot j tot en met l wordt na onderdeel h een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • i. bij de toepassing van artikel 24a voor «artikel 22 van de Gemeentewet» wordt gelezen «artikel 22 van de Provinciewet» en voor «De artikelen 96, tweede en derde lid, tweede zin, 98 en 99 van de Gemeentewet» wordt gelezen «De artikelen 94, tweede en derde lid, tweede zin, 95 en 96 van de Provinciewet»;

2. In onderdeel j (nieuw) wordt «de artikel 22 van de Gemeentewet» vervangen door «artikel 22 van de Gemeentewet» en «de artikel 22 van de Provinciewet» vervangen door «artikel 22 van de Provinciewet».

N

In artikel 47, tweede lid, wordt «1 augustus» vervangen door «15 september».

O

In artikel 47b wordt «15 april» vervangen door «30 april».

P

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «acht weken» telkens vervangen door «twaalf weken».

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met zevende lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het bestuur of algemeen bestuur, bedoeld in het derde lid, stelt gedeputeerde staten van de deelnemende provincies voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Q

In artikel 50 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De dagelijkse besturen en de voorzitters van de waterschappen zenden het ontwerp van de regeling toe aan de algemene besturen van de deelnemende waterschappen, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de algemene besturen van de deelnemende waterschappen.

  • 3. De algemene besturen van de deelnemende waterschappen kunnen bij de dagelijkse besturen en de voorzitters van hun waterschappen binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de algemene besturen geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de dagelijkse besturen en de voorzitters van de waterschappen hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

R

Artikel 50a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «artikelen 8 tot en met 24» vervangen door «artikelen 8 tot en met 24a».

2. Onder verlettering van onderdeel e tot onderdeel g worden na onderdeel d twee onderdelen ingevoegd, luidende:

  • e. bij de toepassing van artikel 24, eerste lid, voor «artikel 22 van de Gemeentewet» wordt gelezen «artikel 39 van de Waterschapswet»;

  • f. bij de toepassing van artikel 24a voor «artikel 22 van de Gemeentewet» wordt gelezen «artikel 39 van de Waterschapswet» en voor «De artikelen 96, tweede en derde lid, tweede zin, 98 en 99 van de Gemeentewet» wordt gelezen «Artikel 32a, tweede, derde en vierde lid, van de Waterschapswet»;

S

In artikel 50f, tweede lid, wordt «1 augustus» vervangen door «15 september».

T

In artikel 50fa wordt «15 april» vervangen door «30 april».

U

Artikel 50g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «acht weken» telkens vervangen door «twaalf weken».

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met zevende lid, wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het bestuur of algemeen bestuur, bedoeld in het derde lid, stelt de algemene besturen van de waterschappen voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

V

In artikel 51 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, onderscheidenlijk de colleges van gedeputeerde staten en commissarissen van de Koning zenden het ontwerp van de regeling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, onderscheidenlijk provinciale staten van de deelnemende provincies, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de vertegenwoordigende organen van de deelnemende gemeenten en provincies.

  • 3. De raden van de deelnemende gemeenten, onderscheidenlijk provinciale staten van de deelnemende provincies kunnen bij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van hun gemeente, onderscheidenlijk de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning van hun provincie, binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden of provinciale staten geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, onderscheidenlijk de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning, hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

W

Artikel 52, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van de onderdelen i tot en met k tot j tot en met l wordt na onderdeel h een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • i. bij de toepassing van artikel 24a voor «artikel 22 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing» wordt gelezen «artikel 22 van de Gemeentewet en artikel 22 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing» en voor «De artikelen 96, tweede en derde lid, 98 en 99 van de Gemeentewet» wordt gelezen «De artikelen 96, tweede en derde lid, 98 en 99 van de Gemeentewet en de artikelen 94, tweede en derde lid, 95 en 96 van de Provinciewet»;

2. In onderdeel j (nieuw) wordt «de artikel 22 van de Gemeentewet» vervangen door «artikel 22 van de Gemeentewet» en «de artikel 22 van de Provinciewet» vervangen door «artikel 22 van de Provinciewet».

X

In artikel 58, tweede lid, wordt «1 augustus» vervangen door «15 september».

Y

In artikel 58b wordt «15 april» vervangen door «30 april».

Z

Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «acht weken» telkens vervangen door «twaalf weken».

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met zevende lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het bestuur of algemeen bestuur, bedoeld in het derde lid, stelt de raden van de deelnemende gemeenten en de staten van de deelnemende provincies schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt voorafgaande aan het vaststellen van de begroting.

AA

In artikel 61 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, onderscheidenlijk de dagelijkse besturen en de voorzitters van de waterschappen, zenden het ontwerp van de regeling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, onderscheidenlijk de algemene besturen van de deelnemende waterschappen, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de vertegenwoordigende organen van de deelnemende gemeenten of waterschappen.

  • 3. De raden van de deelnemende gemeenten, onderscheidenlijk de algemene besturen van de deelnemende waterschappen, kunnen bij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van hun gemeente, onderscheidenlijk de dagelijkse besturen en de voorzitters van hun waterschap, binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden of de algemene besturen van de waterschappen geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, onderscheidenlijk de dagelijkse besturen en voorzitters van de waterschappen, hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

AB

Aan artikel 62 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. bij de toepassing van artikel 24a voor «artikel 22 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing» wordt gelezen «artikel 22 van de Gemeentewet en artikel 39 van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing» en voor «De artikelen 96, tweede en derde lid, 98 en 99 van de Gemeentewet» wordt gelezen «De artikelen 96, tweede en derde lid, 98 en 99 van de Gemeentewet en artikel 32a, tweede, derde en vierde lid, van de Waterschapswet».

AC

In artikel 67, tweede lid, wordt «1 augustus» vervangen door «15 september».

AD

In artikel 67a wordt «15 april» vervangen door «30 april».

AE

Artikel 68 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «acht weken» telkens vervangen door «twaalf weken».

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met achtste lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het bestuur of algemeen bestuur, bedoeld in het derde lid, stelt de algemene besturen van de waterschappen en de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

AF

In artikel 73 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning en de dagelijkse besturen en voorzitters van de waterschappen zenden het ontwerp van de regeling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, provinciale staten van de deelnemende provincies en de algemene besturen van de deelnemende waterschappen, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de vertegenwoordigende organen van de deelnemende gemeenten, provincies of waterschappen.

  • 3. De raden van de deelnemende gemeenten, provinciale staten van de deelnemende provincies en de algemene besturen van de waterschappen kunnen bij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van hun gemeente, de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning van hun provincie en de dagelijkse besturen en voorzitters van hun waterschap binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden, provinciale staten of de algemene besturen van de waterschappen geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning en de dagelijkse besturen en voorzitters van de waterschappen hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

AG

Artikel 74, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen i tot en met k tot j tot en met l wordt na onderdeel h een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • i. bij de toepassing van artikel 24a voor «Artikel 22 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing» wordt gelezen «Artikel 22 van de Gemeentewet, artikel 22 van de Provinciewet en artikel 39 van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing» en voor «De artikelen 96, tweede en derde lid, 98 en 99 van de Gemeentewet» wordt gelezen «De artikelen 96, tweede en derde lid, 98 en 99 van de Gemeentewet, artikelen 94, tweede en derde lid, 95 en 96 van de Provinciewet en artikel 32a, tweede, derde en vierde lid, van de Waterschapswet»;

2. In onderdeel j (nieuw) wordt «de artikel 22 van de Gemeentewet» vervangen door «artikel 22 van de Gemeentewet» en «de artikel 22 van de Provinciewet» vervangen door «artikel 22 van de Provinciewet».

AH

In artikel 80, tweede lid, wordt «1 augustus» vervangen door «15 september».

AI

In artikel 80a wordt «15 april» vervangen door «30 april».

AJ

Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «acht weken» telkens vervangen door «twaalf weken».

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met achtste lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het bestuur of algemeen bestuur, bedoeld in het derde lid, stelt de raden van de deelnemende gemeenten, provinciale staten van de deelnemende provincies en de algemene besturen van de deelnemende waterschappen, voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

AK

In artikel 83 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning en de dagelijkse besturen en voorzitters van de waterschappen zenden het ontwerp van de regeling toe aan provinciale staten van de deelnemende provincies en de algemene besturen van de deelnemende waterschappen, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de vertegenwoordigende organen van de provincies of waterschappen.

  • 3. Provinciale staten van de deelnemende provincies en de algemene besturen van de waterschappen kunnen bij de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning van hun provincie en de dagelijkse besturen en voorzitters van hun waterschap binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien provinciale staten of de algemene besturen van de waterschappen geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning en de dagelijkse besturen en de voorzitters van de waterschappen hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

AL

Artikel 84, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de onderdelen f en h wordt «worden gelezen» vervangen door «wordt gelezen».

2. Onder verlettering van de onderdelen i tot en met k tot j tot en met l wordt na onderdeel h een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • i. bij de toepassing van artikel 24a voor «Artikel 22 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing» wordt gelezen «Artikel 22 van de Provinciewet en artikel 39 van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing» en voor «De artikelen 96, tweede en derde lid, 98 en 99 van de Gemeentewet» wordt gelezen «De artikelen 94, tweede en derde lid, 95 en 96 van de Provinciewet en artikel 32a, tweede, derde en vierde lid, van de Waterschapswet»;

3. In onderdeel j (nieuw) wordt «de artikel 22 van de Gemeentewet» vervangen door «artikel 22 van de Gemeentewet» en «de artikel 22 van de Provinciewet» vervangen door «artikel 22 van de Provinciewet».

AM

In artikel 90, tweede lid, wordt «1 augustus» vervangen door «15 september».

AN

In artikel 90a wordt «15 april» vervangen door «30 april».

AO

Artikel 91 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «acht weken» telkens vervangen door «twaalf weken».

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met achtste lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het bestuur of algemeen bestuur, bedoeld in het derde lid, stelt provinciale staten van de deelnemende provincies en de algemene besturen van de deelnemende waterschappen voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

AP

In artikel 103b wordt «De artikel 99, derde lid, en 100 tot en met 102» vervangen door «De artikelen 99, derde lid, en 100 tot en met 102».

AQ

In artikel 124 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De bestuurscolleges en de gezaghebbers zenden het ontwerp van de regeling toe aan de eilandsraden van de deelnemende openbare lichamen, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de eilandsraden.

  • 3. De eilandsraden van de deelnemende openbare lichamen kunnen bij de bestuurscolleges en de gezaghebbers van hun openbare lichaam binnen acht weken hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de eilandsraden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de bestuurscolleges en de gezaghebbers hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.

AR

In artikel 126 wordt in de aanhef «artikelen 20, 22, 24» vervangen door «artikelen 20, 22, 24, 24a».

AS

In artikel 135 wordt, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid, na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Het bestuur of algemeen bestuur, bedoeld in het derde lid, stelt de eilandsraden van de deelnemende openbare lichamen voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

ARTIKEL II

De Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 81l wordt «de artikelen 10, tweede en derde lid, 10a, 11» vervangen door «de artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 11a».

B

Na artikel 155f worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 155g

  • 1. De raad kan tezamen met de raden van de andere deelnemende gemeenten aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen of tezamen met de raad of raden van de deelnemende gemeente of gemeenten en provinciale staten van de deelnemende provincie of provincies aan een regeling als bedoeld in artikel 51 en 52, eerste lid, juncto artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, op voorstel van een van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers aan de betreffende regeling een onderzoek instellen naar het door het openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk gemeenschappelijk orgaan gevoerde bestuur.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een regeling die uitsluitend of mede is getroffen door de raad of raden, of provinciale staten van de deelnemende gemeenten of provincies.

  • 3. Het besluit tot het instellen van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd.

  • 4. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de raden gezamenlijk, met toepassing van de artikelen 1 en 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen dan wel de raden en provinciale staten gezamenlijk met toepassing van de artikelen 51 en 52, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen gemeenschappelijke onderzoekscommissie. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Bij de samenstelling van de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in het openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk gemeenschappelijk orgaan deelnemende gemeenten en provincies.

  • 6. De regeling waarbij de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. In elk geval worden bepalingen opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

  • 7. De artikelen 22 en 86, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

  • 8. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.

  • 9. De bevoegdheden en werkzaamheden van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van een van de raden of provinciale staten, bedoeld in het eerste lid.

  • 10. Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de artikelen 139, tweede lid, 141 en 142 van overeenkomstige toepassing.

  • 11. De artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 11a, 15, 16, 17, 20, derde lid, 21, 22, 23, 30 en 54 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn niet van toepassing. De overige bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Artikel 155h

De artikelen 155b tot en met 155f zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 155g, met dien verstande dat:

  • a. in de artikelen 155b tot en met 155e voor «onderzoekscommissie» telkens wordt gelezen «gemeenschappelijke onderzoekscommissie»;

  • b. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 155b, eerste lid, en 155c, eerste lid, ook van toepassing zijn op de leden en gewezen leden van een door het algemeen bestuur van een openbaar lichaam ingestelde commissie als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of uit anderen hoofde aan het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie ondergeschikt;

  • c. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 155b, eerste lid, en 155c, eerste lid, ook van toepassing zijn op de leden en gewezen leden van provinciale staten, de commissaris van de Koning en gewezen commissarissen van de Koning, gedeputeerden en gewezen gedeputeerden, leden en gewezen leden van de door provinciale staten ingestelde rekenkamer, leden en gewezen leden van een door provinciale staten of gedeputeerde staten ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de provincie of uit andere hoofde aan het provinciebestuur ondergeschikt, indien het een regeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen betreft;

  • d. bij de toepassing van artikel 155b, derde lid, voor «het gemeentebestuur» wordt gelezen «het gemeentebestuur, het provinciebestuur, indien onderzoek gedaan wordt naar de bestuursvoering van een instelling ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, en het bestuur van een openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 1 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen» en voor «artikel 155a» wordt gelezen «artikel 155g»;

  • e. bij de toepassing van artikel 155e het derde lid komt te luiden:

    • 3. De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van een commissie ingesteld door het college, de burgemeester of het bestuur van het openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 1 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die uitsluitend of mede is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders, burgemeesters, gedeputeerde staten of commissarissen van de Koning, zijn niet verplicht aan artikel 155b, eerste en derde lid, en artikel 155c, derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang. Dit geldt evenzo voor de ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de gemeente, het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of uit andere hoofde ondergeschikt aan het gemeentebestuur of het bestuur van een openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie, ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 1 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die uitsluitend of mede is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders, burgemeesters, gedeputeerde staten of commissarissen van de Koning.

  • f. bij de toepassing van artikel 155e, vierde lid, voor «de burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester» wordt gelezen «de burgemeester, gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning, of het bestuur van een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 8 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen gevoerde bestuur, door de burgemeester, gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning of door het bestuur van een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan».

C

In artikel 156, tweede lid, wordt «artikel 155a, eerste lid» vervangen door «artikel 155a, eerste lid, of artikel 155g, eerste lid».

D

Artikel 184, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste zin wordt «een onderzoek instellen» vervangen door «een onderzoek instellen, waaronder een onderzoek naar het gevoerde bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a».

2. In de tweede zin wordt «de raad en het college» vervangen door «de raad, het college en indien een onderzoek wordt ingesteld naar het gevoerde bestuur van een instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de rekenkamers van de deelnemende gemeenten en provincies aan deze instelling».

ARTIKEL III

De Provinciewet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 79l wordt «de artikelen 10, tweede en derde lid, 10a, 11» vervangen door «de artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 11a».

B

Na artikel 151f worden twee artikelen ingevoegd luidende:

Artikel 151g

  • 1. Provinciale staten kunnen tezamen met provinciale staten van de andere deelnemende provincies aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de artikelen 41 en 42, eerste lid, juncto artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, of tezamen met de raad of raden van de deelnemende gemeente of gemeenten en provinciale staten van de deelnemende provincie of provincies aan een regeling als bedoeld in artikel 51 en 52, eerste lid, juncto artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, op voorstel van een van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers aan de betreffende regeling een onderzoek instellen naar het door het openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk gemeenschappelijk orgaan gevoerde bestuur.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een regeling die uitsluitend of mede is getroffen door provinciale staten of de raden van de deelnemende gemeenten of provincies.

  • 3. Het besluit tot het instellen van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd.

  • 4. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd door een door provinciale staten gezamenlijk, met toepassing van de artikelen 41 en 42, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel een door de raden en provinciale staten gezamenlijk met toepassing van de artikelen 51 en 52, eerste lid juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen gemeenschappelijke onderzoekscommissie. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Bij de samenstelling van de gemeenschappelijke onderzoekscommissie, bedoeld in het derde lid, wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in het openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk gemeenschappelijk orgaan deelnemende gemeenten en provincies.

  • 6. De regeling waarbij de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. In elk geval worden bepalingen opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

  • 7. De artikelen 22 en 91, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

  • 8. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.

  • 9. De bevoegdheden en werkzaamheden van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van een van de provinciale staten of raden, bedoeld in het eerste lid.

  • 10. Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de artikelen 136, tweede lid, 137 en 138 van overeenkomstige toepassing.

  • 11. De artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 15, 16, 17, 20, derde lid, 21, 22, 23, 30, 43 en 54 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn niet van toepassing. De overige bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Artikel 151h

De artikelen 151b tot en met 151f zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 151g, met dien verstande dat:

  • a. in de artikelen 151b tot en met 151e voor «onderzoekscommissie» telkens wordt gelezen «gemeenschappelijke onderzoekscommissie»;

  • b. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 151b, eerste lid, en 151c, eerste lid, ook van toepassing zijn op de leden en gewezen leden van een door het algemeen bestuur van een openbaar lichaam ingestelde commissie als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 40 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingenof uit andere hoofde aan het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie ondergeschikt;

  • c. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 151b, eerste lid, en 151c, eerste lid, ook van toepassing zijn op leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van de door de raad ingestelde rekenkamer, personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie en ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de gemeente of uit andere hoofde aan het gemeentebestuur ondergeschikt, indien het een regeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen betreft;

  • d. bij de toepassing van artikel 151b, derde lid, voor «het provinciebestuur» wordt gelezen «het provinciebestuur, het gemeentebestuur, indien onderzoek gedaan wordt naar de bestuursvoering van een instelling ingesteld bijeen regeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, en het bestuur van een openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 40 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen» en voor «artikel 151a» wordt gelezen «artikel 151g»;

  • e. bij de toepassing van artikel 151e het derde lid komt te luiden:

    • 3. De commissaris van de Koning en gewezen commissarissen van de Koning, gedeputeerden en gewezen gedeputeerden, leden en gewezen leden van een commissie ingesteld door gedeputeerde staten, het college, de burgemeester, of het bestuur van het openbaar lichaam ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 40 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die uitsluitend of mede is getroffen door gedeputeerde staten, commissarissen van de Koning, colleges van burgemeester en wethouders of burgemeesters zijn niet verplicht aan artikel 151b, eerste en derde lid, en artikel 151c, derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang. Dit geldt evenzo voor ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de provincie of de gemeente of uit andere hoofde aan het bestuur hiervan ondergeschikt en de ambtenaren en gewezen ambtenaren in dienst van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of uit andere hoofde ondergeschikt aan het bestuur daarvan, ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 40 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die uitsluitend of mede is getroffen door gedeputeerde staten, colleges van burgemeester en wethouders, burgemeesters, commissarissen van de Koning, of een combinatie van deze organen.

  • f. bij de toepassing van artikel 151e, vierde lid, voor «de commissaris van de Koning gevoerde bestuur, door de commissaris» wordt gelezen «de commissaris van de Koning, het college, de burgemeester of het bestuur van een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 40 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen gevoerde bestuur, door de commissaris van de Koning, het college, de burgemeester of door het bestuur van een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan».

C

In artikel 152, tweede lid, onderdeel a, wordt «artikel 151a, eerste lid» vervangen door «artikel 151a, eerste lid, of artikel 151g, eerste lid».

D

Artikel 185, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste zin wordt «een onderzoek instellen» vervangen door «een onderzoek instellen, waaronder een onderzoek naar het gevoerde bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a».

2. In de tweede zin wordt «provinciale staten en gedeputeerde staten» vervangen door «provinciale staten, gedeputeerde staten en indien een onderzoek wordt ingesteld naar het gevoerde bestuur van een instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de rekenkamers van de deelnemende provincies en gemeenten aan deze instelling».

ARTIKEL IV

De Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 165 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 165a

  • 1. De eilandsraad kan tezamen met de eilandsraden van de andere deelnemende openbare lichamen aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 125, eerste of tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op voorstel van een van de eilandsraden van de deelnemende openbare lichamen aan de betreffende regeling een onderzoek instellen naar het door het samenwerkingslichaam of het gemeenschappelijk orgaan gevoerde bestuur.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een regeling die uitsluitend of mede is getroffen door de eilandsraad of eilandsraden van de deelnemende openbare lichamen.

  • 3. Het besluit tot het instellen van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd.

  • 4. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de eilandsraden gezamenlijk, met toepassing van de artikelen 124 en 125, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen gemeenschappelijke onderzoekscommissie. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Bij de samenstelling van de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in het samenwerkingslichaam of gemeenschappelijk orgaan deelnemende openbare lichamen.

  • 6. De regeling waarbij de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. In elk geval worden bepalingen opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

  • 7. De artikelen 23 en 119, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

  • 8. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.

  • 9. De bevoegdheden en werkzaamheden van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van een van de eilandsraden, bedoeld in het eerste lid.

  • 10. Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek, zijn de artikelen 142, tweede lid, 143 en 144 van overeenkomstige toepassing.

  • 11. De artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 11a, 15, 16, 17, derde lid, 21 en 23 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn niet van toepassing. De overige bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Artikel 165b

De artikelen 161 tot en met 165 zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 165a, met dien verstande dat:

  • a. in de artikelen 161 tot en met 164 voor «onderzoekscommissie» telkens wordt gelezen: gemeenschappelijke onderzoekscommissie;

  • b. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 161, eerste lid, en 162, eerste lid, ook van toepassing zijn op de ambtenaren en gewezen ambtenaren aangesteld door of vanwege het bestuur van een samenwerkingslichaam als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen aangesteld of daaraan ondergeschikt;

  • c. bij de toepassing van artikel 161, derde lid, voor «het eilandbestuur» wordt gelezen «het eilandbestuur, indien onderzoek gedaan wordt naar de bestuursvoering van een instelling ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 124 van de Wet gemeenschappelijke regeling, het bestuur van een samenwerkingslichaam als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen» en voor «artikel 160» wordt gelezen: artikel 165a;

  • d. bij de toepassing van artikel 164, derde lid, voor «door of vanwege het bestuurscollege» wordt gelezen: door of vanwege het bestuurscollege of het bestuur van een samenwerkingslichaam, ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 124 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die uitsluitend of mede is getroffen door bestuurscolleges of gezaghebbers.

  • e. bij de toepassing van artikel 164, vierde lid, voor «de gezaghebber gevoerde bestuur, door de gezaghebber» wordt gelezen: de gezaghebber of het bestuur van een samenwerkingslichaam of gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in artikel 125 van de Wet gemeenschappelijke regelingen gevoerde bestuur, door de gezaghebber of het bestuur van een samenwerkingslichaam of gemeenschappelijk orgaan.

B

In artikel 166, tweede lid, onderdeel b, wordt «artikel 160, eerste lid», vervangen door «artikel 160, eerste lid, en artikel 165a, eerste lid,».

C

In artikel 185, derde lid, wordt «een onderzoek instellen» vervangen door «een onderzoek instellen, waaronder een onderzoek naar het gevoerde bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a».

ARTIKEL V

De deelnemers aan een regeling brengen de regeling binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming met de Wet gemeenschappelijke regelingen, zoals deze komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL VI

Indien het bij koninklijke boodschap van 6 juni 2019 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Bekendmakingswet en andere wetten in verband met de elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen (Wet elektronische publicaties) (35 218) tot wet is of wordt verheven en artikel 3.1, onderdeel E, van die wet:

a. eerder in werking treedt of is getreden dan de artikelen II, III en IV van deze wet, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

1. In artikel II, onderdeel B, wordt «zijn de artikelen 139, tweede lid, 140 en 141» vervangen door «is artikel 19 van de Bekendmakingswet».

2. In artikel III, onderdeel B, wordt «zijn de artikelen 136, tweede lid, 137 en 138» vervangen door «is artikel 19 van de Bekendmakingswet».

3. In artikel IV, onderdeel B, wordt «zijn de artikelen 142, tweede lid, 143 en 144» vervangen door «is artikel 19 van de Bekendmakingswet».

b. later in werking treedt dan de artikelen II, III en IV van deze wet, wordt die wet als volgt gewijzigd:

1. In artikel 3.1, onderdeel E, wordt «artikelen 155a, zevende lid» vervangen door «artikelen 155a, zevende lid, 155g, tiende lid».

2. In artikel 3.2, onderdeel F, wordt «151a, zevende lid» vervangen door «151a, zevende lid, 151g, tiende lid»

3. In artikel 3.4, onderdeel C, wordt «artikel 160, zevende lid» vervangen door «de artikelen 160, zevende lid, en 165a, tiende lid».

ARTIKEL VII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,