Aan de Minister van Buitenlandse Zaken
Den Haag, 26 april 2021
De vaste commissie voor Europese Zaken dankt u voor uw brief van 24 maart jl. in reactie
op haar brief van 27 januari 2021 inzake de uitvoering van de motie van het lid Koole
c.s. 35 403, G.1
Zij constateert dat daarin wordt gesteld dat de regering zal «zorgdragen voor de betrokkenheid
van de Nederlandse burger in het kader van de Conferentie» en dat de regering het
parlement zo spoedig mogelijk zal informeren over de Nederlandse vormgeving van de
publieksdiscussie in het kader van de Conferentie».2 Daarmee gaat de brief naar het oordeel van de commissie niet in op het in de motie-Koole
c.s. verwoorde verzoek aan de regering, dat in de brief van de commissie van 27 januari
2021 nog eens werd toegelicht, namelijk om zich in te zetten voor een levendige, goed
geïnformeerde publieksdiscussie over de Europese Unie en de inbreng en ambitie van
Nederland daarbij voorafgaande aan de activiteiten die in het kader van de Conferentie
zullen worden ontplooid.
Tegelijk constateert de commissie dat in het non-paper over de Conferentie over de
Toekomst van Europa ook Nederland zich committeert aan het verbeteren van de democratische
legitimiteit van de Europese Unie, onder meer door het volgende initiatief: «Involving citizens including young people, civil society, social partners and national
parliaments in discussing on the future of Europe». In het verslag van de informele videoconferentie van de Raad Algemene Zaken van
23 maart 2021 staat dat de lidstaten die het non-paper hebben ondertekend (waaronder
Nederland) benadrukken «dat de Conferentie gebruikt dient te worden om burgers te
betrekken bij een inclusieve dialoog over de EU en om een doeltreffende EU te bevorderen
die concrete, tastbare resultaten oplevert voor onze burgers».
De commissie wijst er op dat de in de motie gevraagde publieksdiscussie breder is
dan het hierboven geschetste kader. De motie spreekt immers niet alleen van de EU,
maar ook over «de inbreng en ambitie van Nederland daarbij». Bovendien is in de brief
van de commissie van 27 januari jl. nog eens de toelichting herhaald van de indiener
van de motie, waarin wordt gesteld dat het informeren van het publiek «evenwichtig
[dient] te gebeuren – dus ook met de tegengeluiden – zodat we met z'n allen goed die
discussie kunnen voeren over de toekomst van Europa». Die informatie aan het publiek
dient dus niet in het kader van de Conferentie te gebeuren, maar daaraan voorafgaande,
zodat vervolgens de discussie over de toekomst van Europa goed geïnformeerd kan gebeuren.
Nu de Conferentie over de Toekomst van Europa formeel een aanvang neemt op 9 mei 2021,
verzoekt de commissie de uitvoering van de motie-Koole c.s. ter hand te nemen, zodat
zo spoedig mogelijk het grote publiek wordt geïnformeerd over de Europese Unie en
de inbreng en ambitie van Nederland daarbij, zodat burgers, onder wie jonge mensen,
civil society en sociale partners (naast de nationale parlementen) betrokken raken
in de discussie hierover. Daarbij zou gekeken kunnen worden naar buitenlandse voorbeelden,
maar ook kan worden gedacht aan vormen als een «brede maatschappelijke discussie»,
«burgerfora» etc., die door organisaties als het Instituut Clingendael, het Montesquieu-instituut,
Pro Demos en debatcentra in het hele land, zo mogelijk in onderlinge samenwerking,
worden uitgewerkt en uitgevoerd.
De commissie verzoekt u nogmaals aan te geven hoe de regering voornemens is de publieksdiscussie
te entameren en te bevorderen en ziet uw reactie graag tegemoet voor 1 juni a.s.
De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Oomen-Ruijten