Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035470-I nr. 6

35 470 I Jaarverslag en slotwet van de Koning 2019

Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 15 juni 2020

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over de brief van 20 mei 2020 over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2019 bij de Koning (Kamerstuk 35 470 I, nr. 2).

De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 10 juni 2020. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Ziengs

Adjunct-griffier van de commissie, Hendrickx

Vraag 1

Welke voorkomende kosten vallen onder de noemer materiele kosten?

De Koning ontvangt voor zijn persoonlijke (personele en materiële) uitgaven een vaste uitkering, de zogeheten B-component. Dit is een vast bedrag en de Koning hoeft geen verantwoording over de besteding van dit bedrag af te leggen omdat in de Grondwet staat dat de Koning met inachtneming van het openbaar belang zijn Huis mag inrichten.

Daarnaast kan de Koning functionele uitgaven (voor personele en materiele kosten) die samenhangen met het koningschap, via de Dienst van het Koninklijk Huis, declareren bij het Ministerie van Algemene Zaken (AZ). De Minister-President, Minister van AZ beoordeelt deze declaratie. Het gaat voor materiele functionele uitgaven onder andere om uitgaven voor rijtuigenpark (dienstauto’s, paarden en rijtuigen), verlichting en verwarming van de paleizen, telefoonkosten, luchtvaartuigen, accountantscontrole en bezoeken aan het Caribische deel van het Koninkrijk. Deze uitgaven behoren tot ons verantwoordingsonderzoek en de beoordeling van rechtmatigheid.

Persoonlijke materiele uitgaven mag de Koning niet declareren. Dit kunnen allerlei verschillende uitgaven zijn, het gaat om de uitgaven die niet samenhangen met de uitoefening van het koningschap en die een persoonlijk karakter hebben. Als de Koning bijvoorbeeld voor privégebruik kleding of ICT-voorzieningen wil kopen zal hij dit uit de bovengenoemde B-component moeten betalen.

Vraag 2

Welke voorkomende kosten vallen onder de noemer functionele kosten?

De functionele uitgaven (voor personele en materiele kosten) bestaan uit uitgaven die samenhangen met de uitoefening van het koningschap. Naast de materiele uitgaven uit vraag 1 betreft dit uitgaven voor personeel in dienst van het Koninklijk Huis waaronder de Hofmaarschalk, medewerkers van het Huisarchief, medewerkers administratie, chauffeurs, monteurs, koetsiers, onderhoudspersoneel voor het Staldepartement en facilitaire functies voor de paleizen.

Vraag 3

Welke voorkomende kosten vallen onder de noemer onkosten vergoeding?

Het is ons niet duidelijk wat de vraagsteller bedoelt met onkostenvergoeding.

Vraag 4

Zou het inrichten van privévertrekken onder materiele kosten moeten vallen, of onder functionele kosten, of onder onkosten vergoedingen?

U verwijst waarschijnlijk naar een artikel dat op 21 mei 2020 verscheen in het NRC. Wij hebben de bekostiging van de inrichting van privévertrekken niet onderzocht en kunnen er daar dan ook geen uitspraken over doen.

Vraag 5

Wat is aanleiding voor de ARK geweest te adviseren het bedrag voor de b-component vijfjaarlijks te toetsen?

Aanleiding hiervoor is ons onderzoek dat volgde op berichtgeving in de media over dat de Koning een vergoeding zou krijgen voor het onderhoud van paleisinventaris (waaronder meubilair) als onderdeel van zijn vaste vergoeding. Dit terwijl de Koning feitelijk geen kosten zou hebben, omdat het eigendom van die paleisinventaris is overgedragen aan de Staat en wordt beheerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze laatste partij neemt de kosten voor het onderhoud voor haar rekening. Uit ons onderzoek naar de geschiedenis en de totstandkoming van de B-component bleek dat de hoogte van de B-component in 1970 is bepaald en buiten de jaarlijkse indexatie en de verschuiving voor personele kosten uit 2008, nooit is aangepast. Wij hebben tegelijkertijd geconstateerd dat er een aantal componenten zijn waarvan de Koning vroeger werd geacht deze zelf te betalen en die nu gedeclareerd mogen worden of ten laste van een ander begrotingshoofdstuk komen. Voorbeeld hiervan zijn de eerder genoemde meubels en levensmiddelen. Daarnaast worden er nu uitgaven uit de B-component betaald die bij het bepalen van de B-component nog niet bestonden of die niet uit de B-component betaald hoefden te worden zoals ICT-voorzieningen en het onderhoud aan de Koninklijke grafkelders in de Nieuwe Kerk te Delft. Door elke 5 jaar te beoordelen of de B-component niet structureel te hoog of te laag is wordt zowel de transparantie als de objectiviteit hierover vergroot en voorkomt dit eventuele publieke discussies die schadelijk kunnen zijn voor de Koning en het Koningschap.

Vraag 6

Bestaan er ten kantore van de ARK optelsommen van uitgaven voor de b-component die ten grondslag liggen aan dit advies?

Nee, de B-component heeft een lumpsum karakter. Wij hebben geen inzicht hoe hoog de werkelijke persoonlijke uitgaven van de Koning zijn. Dat hoeft ook niet want de Koning hoeft op basis van de Grondwet geen verantwoording over de besteding af te leggen.

Vraag 7

Heeft de ARK onderbouwde aanleiding te stellen dat het bedrag dat nu voor de b-component is gereserveerd te hoog, dan wel te laag is?

Zie het antwoord op vraag 5 en vraag 6.

Vraag 8

Hoe staat de uitspraak, dat in de declaratie van de functionele uitgaven geen uitgaven zijn aangetroffen die ten laste van een ander begrotingshoofdstuk hadden moeten komen, in verhouding tot de passage in het Jaarverslag waarin gesteld wordt dat de bijdrage van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) voor de huisvesting (Paleizen) van het Koninklijk Huis in 2019 € 13,8 mln. bedroeg?

Deze twee uitspraken vullen elkaar aan. In de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis staat dat aan de Koning ten laste van het Rijk het paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage, het paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage en het paleis op de Dam te Amsterdam ter beschikking worden gesteld. De kosten hiervoor bedroegen in 2019 € 13,8 miljoen en kwamen voor rekening van het Rijksvastgoedbedrijf, waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is. De kosten betroffen onder andere rentekosten, afschrijvingskosten, vergoeding voor regulier dagelijks en planmatig onderhoud en voor vergoeding voor kleinere investeringen, functionele verbeteringen en projecten op basis van wet- en regelgeving. Wij stellen vast dat in de declaratie van de functionele uitgaven van de Koning wij geen uitgaven hebben aangetroffen die eigenlijk door het Rijksvastgoedbedrijf betaald hadden moeten worden.