Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202135461 nr. C

35 461 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/645 van het Europees Parlement en de Raad van 18 april 2018 tot wijziging van Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen en Richtlijn 2006/126/EG betreffende het rijbewijs (PbEU 2018, L 112)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 15 maart 2021

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het voorlopig verslag van de vaste Commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving van de Eerste Kamer van 15 februari 2021 over het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de fractie van de PVV hebben nog enkele vragen waarop zij een gemotiveerd antwoord met zoveel mogelijk details willen ontvangen. Hierbij bied ik u de beantwoording aan.

De leden van de leden van de PVV-fractie vragen – naar aanleiding van een vraag van de leden van de Tweede Kamerfractie van de PVV en de beantwoording in de nota naar aanleiding van het verslag – aan te geven op precies welke punten het Nederlandse standpunt geen meerderheid kreeg inzake de lasten die bestuurders gepresenteerd krijgen door de introductie van de kwalificatiekaart.

Er is tijdens de onderhandelingen over de richtlijn om drie redenen bezwaar gemaakt tegen de introductie van de kwalificatiekaart bestuurder.

Ten eerste, omdat deze oplossing voor een aantal lidstaten, waaronder Nederland, extra administratieve lasten met zich mee zou brengen die niet in verhouding staan tot het feitelijke probleem. Het probleem is dat beroepschauffeurs in sommige lidstaten geen getuigschrift van nascholing kunnen krijgen als zij de nascholing hebben gevolgd in een land waar zij werken, maar niet woonachtig zijn. Zij moeten dat getuigschrift na het voltooien van de nascholing aanvragen in het land waar zij woonachtig zijn. In Nederland wordt thans het getuigschrift van vakbekwaamheid of getuigschrift van nascholing (code 95) alleen op het rijbewijs vermeld. Door het grote aantal af te geven rijbewijzen zijn de kosten voor het verstrekken van de code 95 op het rijbewijs lager dan voor het produceren van een aparte kaart voor een in verhouding kleine groep rijbewijshouders die als beroepschauffeur werkzaam is. Eveneens komt de geldigheidsduur van een rijbewijs voor beroepschauffeurs overeen met de geldigheid van de code 95 (vijf jaar), waardoor de vernieuwing en verlenging van het rijbewijs en het getuigschrift van nascholing dicht bij elkaar kan liggen. Er zijn echter beroepschauffeurs die geen getuigschrift op het rijbewijs kunnen krijgen omdat ze geen Nederlands rijbewijs kunnen krijgen. Dit zijn de beroepschauffeurs die niet in Nederland woonachtig zijn, maar wel voor een Nederlandse werkgever in Nederland werken. Deze beroepschauffeurs kunnen hun nascholing behalen in de lidstaat waar ze woonachtig zijn of in de lidstaat waar ze werkzaam zijn. Als ze in Nederland hun nascholing doen, dan kan Nederland geen Nederlands rijbewijs afgeven met een code 95, omdat alleen de lidstaat waar men woonachtig is een rijbewijs kan afgeven. Nu het om een kleine groep bestuurders gaat, ongeveer 1.000 per jaar, zijn de kosten voor het maken van een kwalificatiekaart hoger dan voor een rijbewijs waar op jaarbasis 2,5 miljoen van worden afgegeven. De kaart moet immers ook dezelfde beveiligingseisen hebben als het rijbewijs.

De tweede reden tot bezwaar tegen de introductie van de kwalificatiekaart bestuurder betrof de kosten voor de in het buitenland woonachtige beroepschauffeur die in Nederland werkt en in Nederland zijn getuigschrift haalt. De kosten voor hem of haar zijn door de kwalificatiekaart bestuurder hoger dan voor een beroepschauffeur die in Nederland woont en werkt.

Ten derde biedt de kwalificatiekaart bestuurder geen oplossing voor gedeeltelijk in een ander land gevolgde nascholing. Een deel van het eerder gesignaleerde probleem is dat verschillen tussen de praktijken in de lidstaten een belemmering vormen voor de wederzijdse erkenning van nascholing en afbreuk doen aan het recht van bestuurders om nascholing te volgen in de lidstaat waar zij werken. De kwalificatiekaart bestuurder wordt echter alleen afgegeven voor een volledig voltooide nascholing.

Nederland heeft daarom een veel goedkoper alternatief voorgesteld, namelijk de introductie van een EU erkend omwisselcertificaat dat gewaarmerkt is door de bevoegde autoriteiten. Een dergelijk omwisselcertificaat wordt nu tegen lagere kosten door het CBR verstrekt. Er was geen meerderheid voor dit alternatief. Duitsland en Oostenrijk waren de enige andere lidstaten die ook bezwaren hadden tegen de kwalificatiekaart bestuurder.

De leden van de PVV-fractie vragen ook aan te geven of er door het Rijk en eventuele partners onderzoek is gedaan of nog wordt gedaan naar mogelijkheden om de kosten voor bestuurders zo laag mogelijk te laten zijn met betrekking tot de kwalificatiekaart (ook in het licht van de coronacrisis). Zo ja, wat zijn de bevindingen (indien onderzoek is gedaan), en zo nee, waarom niet?

De Dienst Wegverkeer (RDW), die de kwalificatiekaart bestuurder produceert en afgeeft, gaat uit van een kostengeoriënteerde tariefstelling. Hierbij is gekeken naar zowel de productiekosten als de kosten voor de uitgifte. Daarnaast is gekeken naar de tarieven die andere, vergelijkbare landen zoals Duitsland en Noorwegen hanteren. De RDW komt uit op een geschat tarief van € 57,–. Dat is ongeveer € 30,– meer dan de betrokken buitenlandse beroepschauffeurs, die in Nederland geen rijbewijs met een code 95 kunnen aanvragen, nu zouden moeten betalen voor een omwisselingscertificaat. Tevens zijn er voor de betrokken buitenlandse beroepschauffeurs enkele aanvullende administratieve lasten voor het aanvragen van de kwalificatiekaart bestuurder. Deze kosten wegen op tegen de kosten die de buitenlandse beroepschauffeurs anders hadden moeten maken door in het land van herkomst een rijbewijs of kwalificatiekaart bestuurder met code 95 aan te vragen. Dat hoeft in de nieuwe situatie niet.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga