35 457 Regels over een tijdelijke voorziening voor de betekening van exploten op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en wijziging van de Loodsenwet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de Luchtvaartwet BES in verband met de uitbraak van COVID-19 (Verzamelspoedwet COVID-19)

C NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 5 juni 2020

De regering heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie. In afstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt deze nota naar aanleiding van het verslag door de Staatssecretaris van Financiën aan uw Kamer aangeboden, nu het onderwerp van deze nota louter op de verlaging van de belasting- en invorderingsrente ziet.

De leden van de fractie van de ChristenUnie refereren aan de reactie van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (hierna: NOB) op de fiscale maatregelen in het wetsvoorstel. De leden van de ChristenUnie vragen om een appreciatie van de analyse en beleidssuggesties van de NOB, met name met betrekking tot de opmerkingen van de NOB over onduidelijkheden rondom de verlaging van de rentepercentages en de achterliggende vergelijkende systematiek van de belasting- en invorderingsrente. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of deze onderscheiden systematiek niet de noodzakelijke eenvoud voor belastingplichtigen doorkruist.

De NOB stelt in haar reactie voorop dat belastingplichtigen in deze onzekere tijden vooral gebaat zijn bij duidelijkheid. De verschillende tijdvakken voor aanpassing van de belastingrente en de invorderingsrente geven een diffuus beeld, zo stelt de NOB, en maken het moeilijk voor belastingplichtigen om een weloverwogen beslissing te nemen. De regering is dit met de NOB eens. In haar brief van 20 mei 20201 heeft de regering dan ook aangekondigd dat de verlaging van de belastingrente en de in rekening te brengen invorderingsrente wordt verlengd tot 1 oktober 2020. Hiermee komt, conform de wens van de NOB en het uitgangspunt dat belastingplichtigen gebaat zijn bij duidelijkheid, één einddatum voor de verlaging te gelden.

Wel bestaan verschillende momenten waarop de renteverlaging ingaat. Wat betreft invorderingsrente geldt dat deze reeds per 23 maart 2020 is verlaagd naar 0,01%. Wat betreft de belastingrente geldt dat de verlaging voor alle belastingmiddelen plaatsvindt per 1 juni 2020, met uitzondering van de inkomstenbelasting, waarvoor de verlaging ingaat per 1 juli 2020. De reden van deze verschillende momenten is dat de regering eraan hecht de renteverlagingen op het eerste moment dat deze uitvoeringstechnisch mogelijk zijn, te realiseren. Als de regering ervoor had gekozen ook één moment van inwerkingtreding van de verlagingen te kiezen, had de regering moeten aansluiten bij 1 juli 2020, omdat dit het eerste moment is waarop de belastingrenteverlaging voor de inkomstenbelasting uitvoeringstechnisch kon worden gerealiseerd. Dit zou tot gevolg hebben gehad dat veel belastingplichtigen gedurende lange tijd (voor de invorderingsrente zelfs van 23 maart 2020 tot 1 juli 2020) niet hadden kunnen profiteren van verschillende renteverlagingen, terwijl deze verlagingen toen al wel mogelijk waren. Om belastingplichtigen zo veel mogelijk tegemoet te komen, heeft de regering hiervoor niet gekozen. De reactie van de NOB bevatte de aanbeveling om een eenvoudig en overzichtelijk systeem voor de belastingrente, invorderingsrente en betalingskorting neer te zetten, wat in de optiek van de NOB zou kunnen door voor een periode met een vaste einddatum de percentages voor de belastingrente en de invorderingsrente vast te zetten op 0,01%. De beslissing van de regering om de verlaging te verlengen tot 1 oktober 2020 en daarmee één einddatum te realiseren, is in lijn met deze aanbeveling.

Wat betreft de systematiek van het wetsvoorstel vraagt de NOB waarom ervoor is gekozen de hoogte van het rentepercentage vast te stellen bij algemene maatregel van bestuur in plaats van in de wet. De reden hiervan is flexibiliteit. De crisis rondom COVID-19 is nog niet ten einde en indien het in de toekomst wenselijk blijkt de maatregel verder te verlengen of het rentepercentage aan te passen, kan dit via de huidige gekozen opzet sneller worden gerealiseerd dan wanneer hiervoor wederom een wetswijziging nodig zou zijn.2

De NOB vraagt waarom in het wetsvoorstel drie versies zijn opgenomen van het artikel dat het percentage van de belastingrente regelt, terwijl voor de invorderingsrente meteen is geregeld dat het percentage bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld, zoals uiteindelijk ook voor de belastingrente gaat gelden. De reden voor deze verschillende vormgeving was de wens om waar mogelijk in de wijzigingswet tot uitdrukking te brengen vanaf welke datum welk percentage wordt gewijzigd. Daartoe is voor de belastingrente afzonderlijk geregeld dat per 1 juni 2020 het percentage wordt verlaagd voor alle belastingmiddelen behalve de inkomstenbelasting en dat per 1 juli 2020 ook het percentage voor de inkomstenbelasting wordt verlaagd. Bij de invorderingsrente speelde een dergelijk onderscheid niet. Het verschil in vormgeving heeft geen effect op de uitwerking van de maatregel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de gekozen systematiek niet de noodzakelijke eenvoud voor belastingplichtigen doorkruist. De regering benadrukt dat de maatregel tot verlaging van de belasting- en invorderingsrente tot stand is gekomen in bijzondere tijden. In de realisering van de maatregel heeft de regering steeds voor ogen gehad om dit op een zo gunstig mogelijke wijze voor belastingplichtigen te doen, zodat belastingplichtigen binnen de uitvoeringstechnische mogelijkheden maximaal gebruik kunnen maken van de verlaging van de belasting- en invorderingsrente. Voor de verlaging van de invorderingsrente was dit zelfs, zoals hiervoor is aangegeven, al in een heel vroeg stadium van de COVID-19 crisis mogelijk. Met de keuze om de maatregel te verlengen tot 1 oktober 2020 waarmee één einddatum wordt gerealiseerd, wordt zo veel mogelijk gezorgd voor duidelijkheid voor belastingplichtigen. Na afloop van de maatregel zal bovendien, zoals gezegd, een uniforme wetssystematiek gaan gelden.

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 20 mei 2020, CE-AEP / 20148518.

X Noot
2

In de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderliggende wetsvoorstel (Kamerstukken II 2019/20, 35 457, nr. 8) is op alle punten van de NOB gereageerd, waarbij een aantal punten aan de orde is gekomen in reactie op vragen van de leden van de fracties van de Tweede Kamer.

Naar boven