Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035441 nr. D

35 441 Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (Incidentele suppletoire begroting inzake aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector in verband met de Covid-19 crisis)

D MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 12 juni 2020

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het wetsvoorstel over de incidentele suppletoire begroting inzake aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector in verband met de Covid-19 crisis. De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben nog een aantal vragen. De leden van de fractie van 50PLUS sluiten zich bij deze vragen aan. De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben instemmend kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij erkennen juist in deze ingewikkelde tijden het grote belang van het waarderen en het behoud van kunst en cultuur in onze Nederlandse samenleving en zij onderstrepen dat extra middelen nodig zijn om de werkgelegenheid in deze sector te behouden. Deze leden hebben nog enkele vragen. De leden van de fractie van 50PLUS sluiten zich bij de eerste van deze vragen aan. De leden van de PvdD-fractie hebben van het wetsvoorstel kennisgenomen. Zij hebben nog verschillende vragen. Ik zal daarop reageren in de hiernavolgende tekst. Bij de beantwoording van de vragen is de indeling van het voorlopig verslag aangehouden.

Voorafgaand aan de beantwoording wil ik stilstaan bij het feit dat de culturele en creatieve sector zeer hard is getroffen door de beperkende maatregelen om verdere verspreiding van het Covid-19 virus tegen te gaan. Er zijn natuurlijk meerdere sectoren in het bijzonder geraakt door de beperkende maatregelen, maar voor theaters, bioscopen en musea die hun deuren moesten sluiten, kunstenaars die niet meer konden optreden, muzieklessen die niet konden plaatsvinden, koren en andere amateurgezelschappen die niet meer mochten samenkomen, archeologen die hun werk moesten stilleggen, en evenementen in monumenten die niet meer door konden gaan, zijn de gevolgen groot en nog niet achter de rug. Niet alleen in economische zin maar juist ook wordt zowel door het publiek als al deze instellingen de beleving gemist. Dat geldt zeker ook voor makers en kunstenaars die hun opdrachtenstroom stil hebben zien vallen. Ik ben onder de indruk van de creativiteit en de initiatieven die ontstaan vanuit de sector om, nu de beperkende maatregelen worden versoepeld, hun publiek weer te ontmoeten. Mocht er een positieve kant aan deze crisis zitten, dan is dat duidelijk is geworden hoe groot de betekenis is van de culturele en creatieve sector in artistieke, economische en sociale zin voor onze samenleving.

De leden van de fracties van GroenLinks en van de PvdA vragen of de regering de analyse deelt dat de gevolgen van de lockdown voor de culturele en creatieve sector langer zullen duren dan in andere sectoren, omdat veel instellingen niet kunnen interen op eigen vermogen en dus na het opheffen van de beperkende maatregelen geen liquiditeit meer over hebben om producties te starten. En indien dat niet het geval is of de regering van mening is dat culturele instellingen grotere buffers moeten aanleggen.

De culturele en creatieve sector is breed en zeer divers, van de gitaarlesdocente tot een reclamebureau en van een monumentale kerk tot een popfestival. Organisaties in de culturele sector verschillen dan ook in omvang en verdienvermogen. De opbouw van het eigen vermogen is dus ook heel verschillend en daarmee ook de mogelijkheid om na het opheffen van de beperkende maatregelen weer producties op te starten. Voor gesubsidieerde instellingen geldt dat hun buffers door de regelgeving beperkt zijn, daarom vindt de regering de aanvullende ondersteuning op z’n plaats. Niet-gesubsidieerde instellingen kunnen terecht bij Cultuur + Ondernemen voor op voor de sector op maat gemaakte leenfaciliteiten.

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA vragen of de regering ook van mening is dat na beëindiging van de beperkende maatregelen de podiumkunsten en festivals langer steun nodig zullen hebben om de programmering weer te kunnen hervatten. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke stappen de regering de komende maanden gaat zetten en inzicht houdt in de omvang van de problematiek, voor zowel de gesubsidieerde als de ongesubsidieerde deel van de sector. Zij vragen welke criteria de regering daarbij hanteert, welke afspraken er met VNG en IPO hierover gemaakt worden en welk tijdpad de regering voor ogen heeft in de overbrugging naar een volgend seizoen. De leden van de PvdD-fractie vragen naar de plannen voor steun aan de culturele en creatieve sector na 1 juni.

Ook hier spelen de verschillen in omvang en verdienvermogen. Met het noodpakket banen en economie 2.0 heeft het kabinet de generieke maatregelen met vier maanden verlengd, tot 1 oktober a.s. Hier kan de gehele culturele en creatieve sector, gesubsidieerd en ongesubsidieerd, gebruik van maken. De aanvullende ondersteuning van € 300 miljoen is bedoeld voor het opvangen van acute liquiditeitsproblemen vanwege de beperkende maatregelen en om te investeren in nieuwe, aangepaste, producties voor het volgende seizoen. De maatregelen zijn voor gesubsidieerde instellingen, eigenaren van rijksmonumenten, ongesubsidieerde instellingen en organisaties en makers. Vaststaat dat de gehele sector op zoek zal moeten naar nieuwe manieren om de programmering op een winstgevende manier vorm te geven. Daarover blijf ik met de sector in gesprek. Zo ben ik, samen met de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in gesprek met de evenementensector en grote podia/theaters, die in ieder geval tot 1 september gesloten blijven, over hoe zij op weg kunnen worden geholpen naar nieuwe verdienmodellen, zo nodig met behulp van pilots. Tenslotte komt de Raad voor Cultuur in het najaar met een advies hoe de sector meer wendbaar en weerbaar kan worden. Vanzelfsprekend blijf ik bij al deze stappen ook in nauw overleg met IPO en VNG.

De leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en de PvdD vragen naar de oproep van de wethouders cultuur van de grote steden over de noodzaak van meer steun en de bereidheid om in de begroting voor het jaar 2021 meer structureel geld voor cultuur uit te trekken ten opzichte van de begroting 2020.

De regering ondersteunt de sector met generieke maatregelen waar ook de culturele en creatieve sector gebruik van kan maken, met coulancemaatregelen en met de aanvullende ondersteuning van € 300 miljoen. Verder ontvangen de gemeenten via het gemeentefonds een voorschot van € 60 miljoen om de lokale en regionale culturele infrastructuur te ondersteunen. Daar komen ook de grote steden voor in aanmerking. Via deze verschillende maatregelen is er tot nu toe dan in totaal zo’n half miljard beschikbaar voor de culturele en creatieve sector. Op dit moment is het niet aan de orde om structureel geld uit te trekken in de begroting voor het jaar 2021, we bezien stap voor stap wat nodig is.

De leden van de fractie van GroenLinks en de PvdA vragen naar begeleidende speech van bondskanselier Merkel en het belang van Nederlandse culturele instellingen en de makers in de culturele en creatieve sector voor Nederland en de discussie over de Nederlandse identiteit.

De regering heeft kennisgenomen van de mooie, begeleidende speech van bondskanselier Merkel. De Nederlandse culturele instellingen en de makers in de culturele en creatieve sector zijn voor Nederland van groot belang. Kunst, cultuur en creativiteit maken het leven mooier en prettiger, openen nieuwe werelden en andere mogelijkheden of houden een kritische spiegel voor. De culturele en creatieve sector zijn een onderdeel van de economische motor van Nederland en zijn het visitekaartje van Nederland in het buitenland. Zo beslaat de sector ca. 3,7% van het bbp en is de sector goed voor ca 4,5% van onze werkgelegenheid.1 Culturele voorzieningen en erfgoed (monumenten, stadsgezichten en landschap) dragen in belangrijke mate bij aan het vestigingsklimaat van steden. Zij verklaren samen 15% van variatie in de grondprijzen van Nederlandse steden.2 Cultuur verbindt mensen in een gezamenlijke passie of verwondering. De visie van de regering op het belang van cultuur is vastgelegd in de brief Cultuur in open samenleving3 en de Uitgangspuntenbrief4.

De leden van de fractie van GroenLinks en de PvdA vragen naar de doelmatigheid van de besteding van de middelen, onder andere het zogenoemde doordruppeleffect en naar de keuze voor de constructie van cofinanciering door gemeenten. De leden vragen of deze constructie reëel is gelet op de financiële situatie waarin veel gemeenten zich voor de crisis bevonden en het feit dat er ook tijdens deze coronacrisis een zware druk op de diverse gemeentelijke budgetten is ontstaan.

De reikwijdte van crisis is zo groot dat het kabinet onmogelijk alle verliezen kan helpen opvangen, ook niet voor de culturele en creatieve sector. Daarom heb ik gekozen voor inzet van middelen gericht op het ondersteunen van vitale onderdelen van de culturele infrastructuur, zo veel mogelijk in de volle breedte. Zo kan het verdienvermogen van de sector, zodra dat weer mogelijk is, aangezwengeld worden. Dat kan alleen door gerichte keuzes omdat anders de ondersteuning te veel zou verdunnen en het effect te gering zou zijn. Voorstellingen, films, presentaties, uitvoeringen worden niet gemaakt door rechtspersonen, maar door kunstenaars, toneelspelers, schrijvers, technici, conservatoren, grimeurs, acteurs, componisten, kostuummakers, musici, decorbouwers, transporteurs en alle andere mensen werkzaam in en voor de culturele en creatieve sector. Extra ondersteuning aan de instellingen komt dus uiteindelijk terecht bij makers en uitvoerders in de sector. Daarbij ligt het voor de hand om het deel van de sector dat tot de primaire wettelijke rijksverantwoordelijkheid hoort, in ieder geval te ondersteunen. De regionale culturele infrastructuur (gemeentelijke en provinciale musea, (pop)podia en filmtheaters) behoort tot de verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. De gemeenten ontvangen via het gemeentefonds een voorschot van € 60 miljoen om de lokale en regionale culturele infrastructuur te ondersteunen. Gelet op het belang van een deel van deze instellingen voor de landelijke culturele infrastructuur, heb ik er voor gekozen om gemeenten en provincies te ondersteunen bij deze opgave. Door de medefinanciering vanuit het rijk voor gemeentelijke en provinciale musea, (pop)podia en filmtheaters, komt er nog eens € 48,5 miljoen beschikbaar voor de ondersteuning van de lokale en regionale culturele infrastructuur.

De leden van de fractie van GroenLinks en de PvdA vragen naar de keuze voor verdeling van de aanvullende ondersteuning en de regionale spreiding. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom er voor de kleinere podia en onafhankelijke gezelschappen niet in gerichte steun is voorzien.

Vooropgesteld staat dat er keuzes gemaakt moeten worden. Bij de keuze voor de inzet van de aanvullende middelen is gekozen voor die instellingen en organisaties die als onderdelen van de keten onmisbaar zijn en de werkgelegenheid overeind kunnen houden.

Dit geldt voor de instellingen in de culturele basisinfrastructuur 2017–2020 en de instellingen en festivals die meerjarig door de zes rijkscultuurfondsen worden ondersteund. Zij zijn door de Raad voor Cultuur en de onafhankelijke adviesraden van de cultuurfondsen beoordeeld op de kwaliteit van hun artistieke product en zaken als governance, educatie en participatie, aandeel eigen inkomsten en geografische spreiding over het land. De instellingen die in aanmerking komen voor de aanvullende middelen voldoen derhalve aan deze criteria. Vervolgens wordt de hoogte van het aanvullende subsidiebedrag bepaald door de hoogte waarin deze instellingen afhankelijk zijn van eigen inkomsten: hoe hoger de eigen inkomsten, hoe hoger de aanvullende subsidie. Instellingen met relatief hoge eigen inkomsten hebben immers door de overheidsmaatregelen inzake Covid 19 te maken met een aanzienlijke inkomstenderving.

Rijksmonumenten met openstelling zijn die monumenten die van nationaal belang zijn en door hun openstelling het publiek in contact brengen met het erfgoed van Nederland. De leenfaciliteit bij het Nationaal Restauratiefonds staat open voor instellingen in heel het land.

Een deel van de provinciale en regionale musea, (pop)podia en filmtheaters zijn onmisbaar voor de keten omdat zij landelijk aanbod tonen en het publiek in contact brengen met het erfgoed van Nederland. Vanzelfsprekend is ook hierbij rekening gehouden met spreiding van de middelen over het land. Aanvullend is bezien welke bijdrage het (pop)podium met zijn programmering levert aan de pluriformiteit en de geografische spreiding. Ook is omwille van de regionale spreiding voorzien in een algemene uitzondering voor instellingen uit de provincies Drenthe, Zeeland en Flevoland.

De leenfaciliteiten bij Cultuur + Ondernemen staan open voor instellingen, waaronder onafhankelijke gezelschappen, in heel het land. Ook komen makers en instellingen uit heel het land in aanmerking voor ondersteuning door de zes rijkscultuurfondsen. Zo heeft het Fonds Podiumkunsten voor kleinere podia uit de eigen middelen € 3 miljoen vrijgemaakt om deze aanvullend te kunnen ondersteunen via bestaande regelingen.

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA vragen of de regering zicht heeft op welke groepen werkzaam in de creatieve sector niet in aanmerking komen voor steun uit deze generieke maatregelen en hoe de regering zorgdraagt voor een betere aansluiting van de generieke maatregelen op de situatie van alle creatieve makers.

Het kabinet ondersteunt met de verschillende pakketten van generieke maatregelen alle door de maatregelen in verband met Covid-19 getroffen sectoren. Vanwege de uitvoerbaarheid zijn deze maatregelen generiek en gelden voor iedere sector dezelfde voorwaarden. In alle sectoren van de arbeidsmarkt zijn er zelfstandigen die geen gebruik kunnen maken van de TOZO omdat zij niet aan de urennorm voldoen. In de culturele en creatieve sector gaat hier het naar schatting om ruim 38.000 personen. In die groep zijn er relatief veel werkenden met een zeer kleine praktijk als zelfstandige, vaak naast een andere bron van inkomsten. In sommige gevallen zijn de inkomsten uit zelfstandigheid marginaal. In aanvulling op het tweede noodpakket heeft het kabinet in zijn brief van 3 juni jl.5 beide Kamers geïnformeerd over de invoering van de tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA). Als makers, artiesten en zelfstandigen uit de culturele en creatieve sector op geen enkele regeling aanspraak kunnen maken, kan eventueel beroep worden gedaan op de bijstand (Participatiewet) als sociaal vangnet voor zover aan de voorwaarden in de bijstand wordt voldaan. Voor wat betreft de aanvullende ondersteuning heb ik gekozen voor inzet van middelen gericht op het ondersteunen van vitale onderdelen van de culturele infrastructuur, zo veel mogelijk in de volle breedte. Zo kan het verdienvermogen van de sector, zodra dat weer mogelijk is, aangezwengeld worden. Hier profiteren ook de creatieve makers van.

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA vragen naar het treffen van fiscale maatregelen zoals verlaging van de btw, een hogere aftrek van giften aan cultuur en het fiscaal stimuleren van het kopen van kunst. Ook de leden van de fractie van de PvdD vragen hiernaar naar aanleiding van het voorstel van Tinkebell om het «investeren» in kunst fiscaal aantrekkelijk te maken.

Er zijn nu al verscheidene fiscale faciliteiten zoals het verlaagd BTW-tarief op de aanschaf van kunstvoorwerpen en de Geefwet, die giften aan cultuur extra aantrekkelijk maakt. Ik ben in overleg met de Staatssecretaris van Financiën over deze faciliteiten en andere mogelijkheden.

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA vragen naar instellen van een schadecompensatieregeling en een garantiefaciliteit voor onverzekerbare risico’s in de culturele sector.

Ik heb geen signalen dat verzekeraars op grote schaal niet uitkeren waar dit wel op zijn plaats is. De generieke maatregelen en de aanvullende ondersteuning voor de culturele en de creatieve sector vangt de acute financiële zorgen en de werkgelegenheid op. Ik houd daarbij de vinger aan de pols en kijk naar de toekomst. Er zijn bij sommige partijen zorgen dat festivals die in 2021 plaats zullen vinden niet meer verzekerd kunnen worden. Ik ben, samen met de Ministers van Economische Zaken en Klimaat en Financiën, in gesprek met het Verbond van Verzekeraars, de evenementensector, VNO-NCW en ketenpartners uit de verzekeringssector over de impact van deze crisis voor deze sector.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in het bijzonder aandacht voor de grote zorgen bij vele kerken en tot afspraken te komen met VNG en IPO.

De regering is bekend met de signalen uit de monumentensector, waaronder ook veel kerkelijke organisaties en beheerders. Deze signalen worden meegenomen bij de uitwerking van de leenfaciliteit bij het Nationaal Restauratiefonds als onderdeel van de aanvullende ondersteuning van € 300 miljoen. Met deze maatregel kunnen monumentbeherende organisaties hun financiën weer op orde krijgen en zich richten op herstel en ontwikkeling van alternatieve inkomstenbronnen, zodat ook de instandhouding van de monumentale panden gecontinueerd kan worden. Ik zal in de overleggen met VNG en IPO ook de situatie in de monumentensector, waaronder zich uiteraard ook kerkelijk erfgoed bevindt, bespreken.

De leden van de fractie van de fractie van de ChristenUnie vragen welke impact de regering waarneemt op het gebied van cultuureducatie en hoe zij dit ondervangt, in het bijzonder de kwetsbare positie van vakdocenten die ingehuurd worden.

Het is op dit moment nog te vroeg om de precieze impact van het Covid 19-virus op het cultuureducatieveld scherp in kaart te brengen. Hierover heb ik nauw contact met onze partners het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA) en het Fonds voor Cultuurparticipatie. Scholen zijn vanaf deze week hun fysieke lesprogramma’s weer aan het opstarten en dan zal ook duidelijk worden hoe cultuuronderwijs hierbinnen vorm krijgt. Ik houd de ontwikkelingen scherp in de gaten. Het LKCA presenteert op 17 juni (in Cultuurkrant NL) een overzicht van de belangrijkste kwetsbaarheden. Ook gaan zij in deze editie in op de positie van professionals, zoals de vakdocenten, in het cultuureducatieveld. Daarnaast wordt er coulance geboden rondom lopende educatieprogramma’s en regelingen via het Fonds voor Cultuurparticipatie. Ik heb mijn medebestuurders bij gemeenten en provincies opgeroepen dit ook te doen. Scholen en culturele partners krijgen, indien nodig, langer de tijd om hun plannen uit te voeren en om nieuwe afspraken te maken voor de toekomst.

In de periode 2021–2024 zet ik het matchingsprogramma Cultuureducatie met Kwaliteit voort met extra aandacht én extra middelen voor cultuureducatie. De reacties van de medebestuurders om het verhoogde bedrag van € 0,79 per inwoner te matchen zijn overwegend positief.

De leden van de fractie van de PvdD vragen naar de verhouding tussen steunbedragen voor ondernemingen en voor andere sectoren aan de ene kant en die voor de culturele sector aan de andere kant en of de regering ook van mening is dat naar de culturele sector structureel meer belastinggeld dient te gaan.

De afwegingen voor aanvullende steun voor bepaalde sectoren, naast de generieke maatregelen die voor alle sectoren toegankelijk zijn zeer complex. Sectoren zijn onderling niet te vergelijken. Over de verdeling van rijksmiddelen spreekt uw Kamer op Prinsjesdag met het kabinet.

De leden van de fractie van de PvdD vragen of de regering ervan is overtuigd dat met de TOZO-regeling voldoende financiële steun wordt geboden aan freelancers in de culturele sector, en zo ja, op welke gegevens zij zich daarbij baseert.

Zelfstandigen kunnen onder de TOZO-regeling van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen als hun onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, zij onder normale omstandigheden gemiddeld meer dan 23,5 uur per week in hun onderneming werken en aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Naar schatting kunnen 92.000 zzp’ers werkzaam in de culturele en creatieve sector een aanvraag indienen voor de TOZO. Hoeveel zelfstandigen binnen de culturele en creatieve sector werkelijk gebruik maken van de regeling is nog niet bekend. Op basis van nadere rapportage door het CBS in juni is naar verwachting meer hierover te zeggen. De instroom in de TOZO 2 wordt, vanwege de invoering van de partnerinkomenstoets en het gedeeltelijk opengaan van de economie, de komende maanden waarschijnlijk kleiner.

De leden van de fractie van de PvdD vragen naar het oordeel van de regering over het pleidooi van Renée Steenbergen (NRC 30 april 2020) om een steunfonds voor de cultuur op te richten, waaraan overheden, fondsen en bedrijven eensgezind bijdragen.

Ik ben verheugd dat er ook veel particuliere initiatieven ontstaan om de culturele en creatieve sector te ondersteunen. In het geval van Steunfonds Rechtensector en het AOW-voor-de-culturele sector is de regering bijgesprongen en investeert respectievelijke € 5 en € 1 miljoen in deze initiatieven. Daarnaast voorzien de fondsen en het rijk, via deze regeling en de leningsfaciliteit bij Cultuur en Ondernemen, in aanvullende ondersteuning voor de culturele en creatieve sector.

De leden van de fractie van de PvdD vragen hoe de regering uitvoering geeft aan de op 28 april aangenomen motie-Van Raan (Tweede Kamer PvdD), waarin de regering wordt opgeroepen «alles op alles» te zetten om de cultuursector te redden.

In het volle bewustzijn van het belang van de culturele en creatieve sector voor de Nederlandse samenleving, zet de regering continu alles op alles om hen te ondersteunen; de generieke maatregelen, de coulancemaatregelen en de aanvullende ondersteuning zijn daarvan de zichtbare resultaten. In totaal gaat het nu al om ongeveer een half miljard euro om de culturele en creatieve sector te ondersteunen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven