Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035423 nr. 2

35 423 Wijziging van de Postwet 2009 in verband met de wijziging van de toegangsregulering van postvervoerders tot een landelijk netwerk voor postaanbieding, de borging van de continuïteit van de universele postdienst, de flexibilisering van de eisen aan de universele postdienst en de bescherming van de arbeidspositie van postbezorgers

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de toegangsregulering voor een landelijk netwerk voor postaanbieding te wijzigen, om de continuïteit van de verlening van de universele postdienst beter te borgen, om de eisen aan de universele postdienst toekomstbestendiger te maken en met het oog daarop te flexibiliseren en om de arbeidspositie van postbezorgers beter te borgen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Postwet 2009 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel c wordt na «af te leveren» ingevoegd «of aan te bieden, met uitzondering van het aanleveren van poststukken door de verzender».

b. In onderdeel h wordt na «poststukken» ingevoegd «of een andere voorziening die bestemd is voor de aflevering van de voor de gebruikers van het postbusadres bestemde poststukken».

c. Onderdeel i komt te luiden:

i. verzender:

eenieder die een poststuk ten vervoer aanlevert aan een postvervoerbedrijf;.

d. De onderdelen p en q komen te luiden:

p. arbeidsovereenkomst:

arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van de uitzendovereenkomst;

q. uitzendovereenkomst:

uitzendovereenkomst, bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;.

e. Er worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

r. dienstbetrekking:

dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet;

s. richtlijn (EU) nr. 2017/1132:

Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PbEU 2017, L 169);

t. vennootschap:

naamloze vennootschap of een daarmee krachtens bijlage I bij richtlijn (EU) nr. 2017/1132 gelijkgestelde vennootschapsvorm, dan wel besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een krachtens bijlage II bij richtlijn (EU) nr. 2017/1132 gelijkgestelde vennootschapsvorm.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «afzender» vervangen door «verzender» en wordt «bestellen» vervangen door «afleveren of aanbieden».

b. In onderdeel b wordt «afzender» vervangen door «verzender» en wordt aan het slot toegevoegd «of in andere voorzieningen die bestemd zijn voor de aanbieding van voor de gebruikers daarvan bestemde poststukken te laten aanbieden».

B

In artikel 5 wordt «onbestelbaar» vervangen door «niet af te leveren» en wordt «afzender» telkens vervangen door «verzender».

C

In artikel 7, eerste lid, wordt «afzenders» vervangen door «verzenders» en wordt «ontvangers» vervangen door «ontvangers en geadresseerden».

D

In artikel 8 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, het eerste lid vervangen door twee leden, luidende:

  • 1. Een postvervoerbedrijf draagt er zorg voor dat ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage van de postbezorgers die voor hem werkzaam zijn, dat zijn op basis van:

    • a. een met hem gesloten arbeidsovereenkomst;

    • b. ingeval de postbezorger een arbeidsbeperkte is als bedoeld in artikel 38b, eerste, tweede of zesde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen of een persoon die ingevolge artikel 38f, vijfde lid, van die wet met een arbeidsbeperkte is gelijkgesteld, een uitzendovereenkomst op basis waarvan de postbezorger aan het postvervoerbedrijf ter beschikking is gesteld; of

    • c. ingeval de postbezorger op basis van een dienstbetrekking aan het postvervoerbedrijf ter beschikking is gesteld, een dienstbetrekking.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van een postvervoerbedrijf aan wie geen kosten als bedoeld in artikel 6a van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt in rekening worden gebracht.

E

In hoofdstuk 3 worden voor artikel 10 drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 9

  • 1. Een postvervoerbedrijf, dat beschikt over een netwerk waarmee poststukken kunnen worden bezorgd of aangeboden op alle adressen in Nederland op ten minste het krachtens artikel 16, zesde lid, vastgestelde aantal dagen per week en met gebruikmaking van dat netwerk postvervoer verricht, verricht dit postvervoer tevens voor andere postvervoerbedrijven.

  • 2. Onder een postvervoerbedrijf, dat beschikt over een netwerk als bedoeld in het eerste lid, vallen ook groepsmaatschappijen die in een groep verbonden zijn in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek met een postvervoerbedrijf dat beschikt over een netwerk als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9a

  • 1. Een postvervoerbedrijf, dat beschikt over een netwerk als bedoeld in artikel 9, eerste lid, maakt een referentieaanbod bekend van de tarieven en de voorwaarden die het hanteert voor het verrichten van postvervoer, met inbegrip van gebruik van de bijbehorende faciliteiten, voor andere postvervoerbedrijven.

  • 2. De tarieven en voorwaarden voor het verrichten van het postvervoer, bedoeld in het eerste lid, mogen niet tot gevolg hebben dat effectieve toegang wordt belemmerd.

Artikel 9b

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur:

    • a. wordt vastgesteld voor welke poststukken en postvervoerdiensten de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verplichting geldt;

    • b. wordt de omvang vastgesteld van het aantal poststukken dat een ander postvervoerbedrijf ten hoogste kan aanbieden voor het in artikel 9, eerste lid, bedoelde postvervoer;

    • c. worden regels gesteld over de procedure om te bepalen of het aantal ter vervoer aangeboden poststukken van een postvervoerbedrijf onder de krachtens onderdeel b vastgestelde omvang valt, waaronder in ieder geval regels over de wijze en het tijdstip van het bepalen.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden de tariefmethodiek en voorwaarden vastgesteld voor de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde poststukken en postvervoerdiensten.

  • 3. Onze Minister kan de Autoriteit Consument en Markt opdragen een rapport uit te brengen inzake de in het eerste of tweede lid bedoelde onderwerpen.

F

Hoofdstuk 3a vervalt.

G

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Op basis van een transparante selectieprocedure wijst Onze Minister voor onbepaalde tijd een vennootschap die een postvervoerbedrijf exploiteert aan, die is belast met de universele postdienst of een gedeelte hiervan. De vennootschap heeft in Nederland een vestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Handelsregisterwet 2007.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel c wordt «het aangewezen postvervoerbedrijf» vervangen door «de aangewezen vennootschap»;

b. In onderdeel d wordt «een ander postvervoerbedrijf» vervangen door «een andere vennootschap die een postvervoerbedrijf exploiteert».

c. Aan het tweede lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. een aangewezen vennootschap fuseert, wordt gesplitst, wordt ontbonden of failliet wordt verklaard;

  • f. de vestiging in Nederland wordt gesloten.

3. In het derde lid wordt «het aangewezen postvervoerbedrijf» vervangen door «de aangewezen vennootschap».

4. In het vierde lid wordt «postvervoerbedrijf» vervangen door «vennootschap».

5. In het vijfde lid wordt «Het postvervoerbedrijf dat» vervangen door «Een vennootschap die».

H

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot achtste tot en met tiende lid, wordt het vijfde lid vervangen door drie leden, luidende:

  • 5. Een verlener van de universele postdienst haalt ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld aantal dagen per week poststukken op uit openbaar toegankelijke brievenbussen en andere openbaar toegankelijke voor het aanleveren van poststukken bestemde voorzieningen.

  • 6. Een verlener van de universele postdienst biedt tenminste een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld aantal dagen per week overal in Nederland poststukken aan op afzonderlijke adressen, in postbussen, in voor de aflevering van poststukken bestemde brievenbussen of in andere voor de desbetreffende ontvanger toegankelijke voorzieningen voor poststukken.

  • 7. Het aantal dagen, bedoeld in het vijfde en in het zesde lid, kan voor verschillende soorten poststukken verschillend worden vastgesteld en voldoet aan de behoeften van de gebruikers van de universele postdienst en houdt rekening met de kwetsbare gebruikers van de universele postdienst.

2. In het negende lid (nieuw) wordt «voor het publiek bestemde brievenbussen en dienstverleningspunten voor het aanbieden van postzendingen en andere met het postvervoer samenhangende handelingen» vervangen door «openbaar toegankelijke brievenbussen, andere openbaar toegankelijke voor het aanleveren van poststukken bestemde voorzieningen, of dienstverleningspunten voor het aanleveren van poststukken en andere met het postvervoer samenhangende handelingen».

3. In het tiende lid (nieuw) wordt «het zesde of zevende lid» vervangen door «het achtste of negende lid».

I

In artikel 18a, eerste lid, wordt «postvestigingen en brievenbussen» vervangen door «dienstverleningspunten, openbaar toegankelijke brievenbussen, of andere openbaar toegankelijke voor het aanleveren van poststukken bestemde voorzieningen».

J

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toegankelijkheid van de voor aflevering van poststukken bestemde brievenbussen of andere voor de aanbieding van poststukken bestemde voorzieningen.

2. In het tweede lid wordt «onbestelbaar» vervangen door «niet af te leveren».

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Een verlener van de universele postdienst kan poststukken die naar hun aard en omvang in aanmerking komen voor aanbieding in een andere voor de aanbieding van poststukken bestemde voorziening, als niet af te leveren poststukken aanmerken indien de opgegeven voorziening niet voldoet aan de regels, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Aflevering van poststukken in een andere voor de aanbieding van poststukken bestemde voorziening is uitsluitend mogelijk na voorafgaande toestemming van de verzender en de geadresseerde van de poststukken. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van verlenen van toestemming.

K

Na artikel 22 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 22a

  • 1. Een verlener van de universele postdienst beschikt over het kapitaal en de middelen die nodig zijn om de bij of krachtens deze wet opgedragen taken en verplichtingen ter uitvoering van de universele postdienst bestendig uit te voeren of te laten uitvoeren gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een verlener van de universele postdienst die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien:

    • a. de statuten van de verlener van de universele postdienst voldoen aan de in artikel 22c, eerste lid, gestelde eisen;

    • b. de rechtspersoon wiens dochtermaatschappij verlener van de universele postdienst is en die direct of indirect zeggenschap uitoefent over de verlener van de universele postdienst schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor alle uit rechtshandelingen van de verlener van de universele postdienst voortvloeiende schulden; en

    • c. de verklaring, bedoeld in onderdeel b, is gedeponeerd bij het handelsregister en is verstrekt aan de Autoriteit Consument en Markt.

Artikel 22b

  • 1. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, wijzigt de verklaring, bedoeld in artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, niet en trekt deze verklaring niet in, tenzij deze rechtspersoon aantoont dat hij voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen ten aanzien van de financierbaarheid van een bestendige uitvoering van de universele postdienst gedurende een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen periode.

  • 2. De bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur gestelde regels borgen dat de bestendige uitvoering van de universele postdienst niet kan worden bedreigd.

  • 3. Indien de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, de in het eerste lid bedoelde verklaring wijzigt of intrekt, stelt hij de Autoriteit Consument en Markt hiervan onverwijld schriftelijk op de hoogte.

Artikel 22c

  • 1. De statuten van een verlener van de universele postdienst, die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, bevatten in ieder geval:

    • a. de instelling van een raad van commissarissen;

    • b. de bepaling dat de meerderheid van de leden van de raad van commissarissen direct noch indirect binding heeft met een andere van die groep deel uitmakende rechtspersoon of vennootschap.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen worden gesteld aan de hoedanigheid van de commissarissen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 22d

  • 1. Een verlener van de universele postdienst verricht geen handelingen of activiteiten die strijdig zijn met het belang van een bestendige uitvoering van de universele postdienst.

  • 2. Onder handelingen en activiteiten als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval verstaan:

    • a. handelingen en activiteiten die niet op enigerlei wijze betrekking hebben op of verband houden met postvervoer of aanverwante activiteiten;

    • b. het door de verlener van de universele postdienst verstrekken van zekerheden ten behoeve van de financiering van activiteiten van tot de groep behorende rechtspersonen of vennootschappen; en

    • c. het zich aansprakelijk stellen door de verlener van de universele postdienst voor schulden van tot de groep behorende rechtspersonen of vennootschappen, tenzij het verstrekken van zekerheden of het zich aansprakelijk stellen voor schulden door de verlener van de universele postdienst:

      • 1°. geschiedt ten behoeve van handelingen of activiteiten die de verlener van de universele postdienst zelf zou mogen verrichten;

      • 2°. anderszins verband houdt met de uitvoering van de universele postdienst; of

      • 3°. geschiedt om te voldoen aan voorwaarden in verband met de toepassing van wettelijke bepalingen.

  • 3. Indien een verlener van de universele postdienst niet voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 22a, eerste lid:

    • a. stelt hij de Autoriteit Consument en Markt hiervan onverwijld schriftelijk op de hoogte;

    • b. stelt hij binnen vier weken na de melding een herstelplan op waarin wordt beschreven op welke wijze hij het financieel beheer gaat verbeteren en zendt hij dit plan aan de Autoriteit Consument en Markt.

  • 4. De Autoriteit Consument en Markt kan op basis van een herstelplan als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, aanbevelingen doen aan een verlener van de universele postdienst.

  • 5. Een verlener van de universele postdienst rapporteert in de rapportage, bedoeld in artikel 23, aan de Autoriteit Consument en Markt over wijzigingen ten aanzien van de in artikel 22a, eerste lid, gestelde eis.

  • 6. De Autoriteit Consument en Markt informeert Onze Minister over een herstelplan als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, over aanbevelingen als bedoeld in het vierde lid, en over de rapportage, bedoeld in het vijfde lid.

  • 7. Onze Minister kan een verlener van de universele postdienst op diens aanvraag een ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Onze Minister kan aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden. Onze Minister weigert een ontheffing te verlenen indien de bestendige uitvoering van de universele postdienst daardoor kan worden bedreigd.

  • 8. Onze Minister trekt een ontheffing in op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de houder van de ontheffing.

  • 9. Onze Minister kan een ontheffing intrekken indien:

    • a. de houder van de ontheffing de aan de ontheffing verbonden voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt;

    • b. de houder van de ontheffing bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

    • c. Onze Minister, gelet op het belang van een bestendige uitvoering van de universele postdienst, van oordeel is dat intrekking van de ontheffing noodzakelijk is.

L

Aan artikel 23 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In de rapportage, bedoeld in het eerste lid, biedt een verlener van de universele postdienst expliciet inzicht in actuele en toekomstige ontwikkelingen die van belang zijn voor de continuïteit van de uitvoering van de universele postdienst.

M

Aan paragraaf 4.4 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 23a

Zodra zich omstandigheden voordoen op grond waarvan een verlener van de universele postdienst mogelijk in de toekomst een mededeling als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel b, zal doen, meldt die verlener van de universele postdienst dat onverwijld aan Onze Minister. De melding gaat vergezeld van een onderbouwing van de aspecten die van belang zijn voor een rendabele uitvoering van de universele postdienst.

N

In artikel 28, tweede lid, wordt «afzenders» vervangen door «verzenders».

O

In artikel 29, eerste, tweede en derde lid, wordt «afzender» telkens vervangen door «verzender».

P

Artikel 34 komt te luiden:

Artikel 34

De gemeenteraad kan regels stellen voor de plaatsing van brievenbussen en andere voor het aanleveren van poststukken bestemde voorzieningen aan de openbare weg, tenzij:

  • a. een verlener van de universele postdienst door die regels de universele postdienst niet kan verrichten;

  • b. andere postvervoerbedrijven door die regels hun diensten niet kunnen aanbieden onder voor deze bedrijven vergelijkbare voorwaarden.

Q

Na artikel 36 wordt in hoofdstuk 6 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 36a

  • 1. In het belang van de bescherming van eindgebruikers van een postvervoerbedrijf dat beschikt over een netwerk als bedoeld in artikel 9, eerste lid, tegen onredelijk hoge tarieven, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het maximumrendement dat dat postvervoerbedrijf mag maken over bij die regeling te bepalen postvervoerdiensten en daarmee rechtstreeks verbonden activiteiten.

  • 2. Een postvervoerbedrijf waarvoor een maximumrendement als bedoeld in het eerste lid is vastgesteld, verstrekt jaarlijks aan de Autoriteit Consument en Markt een rapportage met betrekking tot het behaalde rendement in het daaraan voorafgaande jaar in relatie tot de in het eerste lid bedoelde activiteiten. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over deze rapportage en over de verdeling van kosten en opbrengsten tussen verschillende activiteiten.

R

In artikel 49, eerste lid, wordt «de artikelen 4, 5, 8, 10, 12, 13, 13b tot en met 13k, 15, vijfde lid, 16, vijfde tot en met achtste lid, 18, 19, 21 tot en met 25, 26 tot en met 28, 32, 35, 36, 41 en 61,» vervangen door «de artikelen 4, 5, 8, 9, 9a, 9b, 10, 12, 13, 15, vijfde lid, 16, vijfde, zesde en achtste tot en met tiende lid, 18, 19, 21, 22 tot en met 22c, 22d, eerste, tweede, derde, vijfde en zevende lid, 23 tot en met 25, 26 tot en met 28, 32, 35, 36, 36a, 41 en 61,».

S

In artikel 58 wordt «de hoofdstukken 3 en 3a» telkens vervangen door «hoofdstuk 3».

T

Na artikel 89 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 89a

  • 1. De artikelen 9, 9a en 9b vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

ARTIKEL II

De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

1. In bijlage 1 komt de zinsnede over de Postwet 2009 als volgt te luiden:

Postwet 2009: de artikelen 22d, zevende lid, en 58.

2. In bijlage 2, artikel 4, komt de zinsnede over de Postwet 2009 als volgt te luiden:

Postwet 2009: de artikelen 22d, zevende lid, en 58.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,