Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035419 nr. B

35 419 Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake veranderingen in de Grondwet (herijking Grondwetsherzieningsprocedure)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING1

Vastgesteld 30 juni 2020

1. Inleiding

De leden van de PvdD-fractie hebben van het wetsvoorstel kennisgenomen. Zij hebben nog een aantal vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben er met instemming kennis van genomen dat de regering met een voorstel komt om de Grondwet te wijzigen op het punt van de herzieningsprocedure. Zij hebben nog wel enkele vragen.

2. Voorgeschiedenis en stand van zaken

Kan de regering voor de leden van de PvdD-fractie nog eens aangeven wat de concrete aanleiding is om tot het wetsvoorstel te komen? Zijn er grondwetswijzigingen aan de orde geweest die in strijd zijn geweest met de letter en de geest van het bepaalde in artikel 137 Grondwet? Is er een verwachting dat zulks kan gebeuren? Kan de regering toelichten waarom het «zeer onwenselijk zou zijn als de regering en/of Tweede Kamer de behandeling van de tweede lezing zouden uitstellen met als achterliggende reden dat een «gunstiger» samenstelling van een volgende Tweede Kamer wordt voorzien»? Zou de regering daarbij kunnen betrekken of in de verkiezingsstrijd die leidt tot die nieuwe samenstelling van de Tweede Kamer mede de grondwetsherziening als discussiepunt kan worden meegenomen?

3. De besluitvorming in tweede lezing

Blijkens het voorstel is de belangrijkste wijziging dat het voorstel tot grondwetsherziening vervalt indien de Tweede Kamer die gekozen wordt na de bekendmaking van de verklaringswet niet gedurende haar zittingstermijn een besluit neemt. Is het, zo vragen de leden van de PvdD-fractie, juridisch mogelijk dat een Kamermeerderheid zodanige procedurele beslissingen neemt dat het niet meer «lukt» om in die zittingstermijn omtrent het voorstel te besluiten? Zo nee, waarop baseert de regering haar conclusie daarover? Zo ja, acht de regering dat dan ook «zeer onwenselijk», zoals door haar uitgesproken over de mogelijkheid dat «de regering en/of Tweede Kamer de behandeling van de tweede lezing zouden uitstellen met als achterliggende reden dat een «gunstiger» samenstelling van een volgende Tweede Kamer wordt voorzien»? Acht de regering het nodig en mogelijk om wettelijke garanties in te bouwen om te voorkomen dat een Kamermeerderheid door het vooruitschuiven van de behandeling van de grondwetsherziening kan bereiken dat het voorstel van rechtswege vervalt op grond van het voorgestelde derde lid van artikel 137 Grondwet?

Er is naar het oordeel van de leden van de SGP-fractie al veel te lang sprake van onduidelijkheid over de wijze waarop een voorstel voor de tweede lezing moet worden ingediend en binnen welke termijn het voorstel behandeld moet zijn. In het voorliggende voorstel heeft de regering voor een duidelijke procedure gekozen. Wel vragen deze leden zich af of dit voorstel niet te rigide is wanneer er twee verkiezingen voor de Tweede Kamer in korte tijd achter elkaar zijn. Kan de regering precies aangeven welk traject en welke termijnen er gelden als er (zoals bijvoorbeeld in 2002/2003) slechts acht maanden zitten tussen de opeenvolgende verkiezingen? Vervolgens vragen deze leden hoe dit proces in dit geval in zijn werk gaat als er bijvoorbeeld over een tweede lezing eerst wordt gesproken gedurende een formatieproces van vier maanden.

De leden van de SGP-fractie hebben er vragen bij dat er in dit wetsvoorstel al vooruitgegrepen wordt op een voorgenomen grondwetswijziging waar nog niet eens een wetsvoorstel in eerste lezing is ingediend bij de Tweede Kamer. Zij begrijpen uit de discussie hierover in de stukken van de Tweede Kamer dat de regering van mening is dat een samenloopbepaling nodig is, omdat er anders in een later stadium alsnog een wijzigingsvoorstel nodig zou zijn. Kan de regering dit nog eens goed motiveren, nu toch ook in een nog te ontvangen voorstel een voorziening kan worden getroffen voor zowel het geval dat dit wetsvoorstel al kracht van wet heeft gekregen als het geval dat dit niet nog aan de orde is? De aan het woord zijnde leden vragen de regering tevens of in die beide situaties er dan bij het wetsvoorstel over een tweede lezing door de verenigde vergadering niet alsnog op democratisch verantwoorde wijze in twee lezingen beslist kan worden hoe de samenloop tussen die twee wetsbepalingen is geregeld.

De commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning ziet met belangstelling uit naar de memorie van antwoord.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning, Dittrich

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning, Bergman


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Koffeman (PvdD), Ganzevoort (GL), De Boer (GL), Van Hattem (PVV), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Koole (PvdA). Klip-Martin (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), Wever (VVD), Bezaan (VVD), Van der Burg (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Frentrop (FVD), Gerbrandy (OSF), Van der Linden (FvD), Meijer (VVD), Nanninga (FVD), Nicolaï (PvdD) (ondervoorzitter), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten)