1. Inleiding
De leden van de PvdD-fractie hebben van het wetsvoorstel kennisgenomen. Zij hebben nog een aantal vragen.
De leden van de SGP-fractie hebben er met instemming kennis van genomen dat de regering met een voorstel
komt om de Grondwet te wijzigen op het punt van de herzieningsprocedure. Zij hebben
nog wel enkele vragen.
2. Voorgeschiedenis en stand van zaken
Kan de regering voor de leden van de PvdD-fractie nog eens aangeven wat de concrete aanleiding is om tot het wetsvoorstel te
komen? Zijn er grondwetswijzigingen aan de orde geweest die in strijd zijn geweest
met de letter en de geest van het bepaalde in artikel 137 Grondwet? Is er een verwachting
dat zulks kan gebeuren? Kan de regering toelichten waarom het «zeer onwenselijk zou
zijn als de regering en/of Tweede Kamer de behandeling van de tweede lezing zouden
uitstellen met als achterliggende reden dat een «gunstiger» samenstelling van een
volgende Tweede Kamer wordt voorzien»? Zou de regering daarbij kunnen betrekken of
in de verkiezingsstrijd die leidt tot die nieuwe samenstelling van de Tweede Kamer
mede de grondwetsherziening als discussiepunt kan worden meegenomen?
3. De besluitvorming in tweede lezing
Blijkens het voorstel is de belangrijkste wijziging dat het voorstel tot grondwetsherziening
vervalt indien de Tweede Kamer die gekozen wordt na de bekendmaking van de verklaringswet
niet gedurende haar zittingstermijn een besluit neemt. Is het, zo vragen de leden
van de PvdD-fractie, juridisch mogelijk dat een Kamermeerderheid zodanige procedurele beslissingen
neemt dat het niet meer «lukt» om in die zittingstermijn omtrent het voorstel te besluiten?
Zo nee, waarop baseert de regering haar conclusie daarover? Zo ja, acht de regering
dat dan ook «zeer onwenselijk», zoals door haar uitgesproken over de mogelijkheid
dat «de regering en/of Tweede Kamer de behandeling van de tweede lezing zouden uitstellen
met als achterliggende reden dat een «gunstiger» samenstelling van een volgende Tweede
Kamer wordt voorzien»? Acht de regering het nodig en mogelijk om wettelijke garanties
in te bouwen om te voorkomen dat een Kamermeerderheid door het vooruitschuiven van
de behandeling van de grondwetsherziening kan bereiken dat het voorstel van rechtswege
vervalt op grond van het voorgestelde derde lid van artikel 137 Grondwet?
Er is naar het oordeel van de leden van de SGP-fractie al veel te lang sprake van onduidelijkheid over de wijze waarop een voorstel
voor de tweede lezing moet worden ingediend en binnen welke termijn het voorstel behandeld
moet zijn. In het voorliggende voorstel heeft de regering voor een duidelijke procedure
gekozen. Wel vragen deze leden zich af of dit voorstel niet te rigide is wanneer er
twee verkiezingen voor de Tweede Kamer in korte tijd achter elkaar zijn. Kan de regering
precies aangeven welk traject en welke termijnen er gelden als er (zoals bijvoorbeeld
in 2002/2003) slechts acht maanden zitten tussen de opeenvolgende verkiezingen? Vervolgens
vragen deze leden hoe dit proces in dit geval in zijn werk gaat als er bijvoorbeeld
over een tweede lezing eerst wordt gesproken gedurende een formatieproces van vier
maanden.
De leden van de SGP-fractie hebben er vragen bij dat er in dit wetsvoorstel al vooruitgegrepen wordt op een voorgenomen grondwetswijziging waar nog niet
eens een wetsvoorstel in eerste lezing is ingediend bij de Tweede Kamer. Zij begrijpen
uit de discussie hierover in de stukken van de Tweede Kamer dat de regering van mening
is dat een samenloopbepaling nodig is, omdat er anders in een later stadium alsnog
een wijzigingsvoorstel nodig zou zijn. Kan de regering dit nog eens goed motiveren,
nu toch ook in een nog te ontvangen voorstel een voorziening kan worden getroffen
voor zowel het geval dat dit wetsvoorstel al kracht van wet heeft gekregen als het
geval dat dit niet nog aan de orde is? De aan het woord zijnde leden vragen de regering
tevens of in die beide situaties er dan bij het wetsvoorstel over een tweede lezing
door de verenigde vergadering niet alsnog op democratisch verantwoorde wijze in twee
lezingen beslist kan worden hoe de samenloop tussen die twee wetsbepalingen is geregeld.
De commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken
en Huis van de Koning ziet met belangstelling uit naar de memorie van antwoord.
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van
Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning, Dittrich
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van
Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning, Bergman