35 372 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het ongeldig maken van getuigschriften van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing ter uitvoering van Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen (PbEU 2003, L 226)

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 10 oktober 2019 en het nader rapport d.d. 20 december 2019, aangeboden aan de Koning door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 18 juli 2019, nr. 2019001473, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 10 oktober 2019, nr. W17.19.0235/IV, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van een inhoudelijke opmerking ten aanzien van het niet voorzien in compensatie voor betrokken rijbewijshouders. Hierna wordt het advies integraal weergegeven, met daaronder mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 18 juli 2019, no. 2019001473, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het ongeldig maken van getuigschriften van vakbekwaamheid ter uitvoering van Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen (PbEU 2003, L 226), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel regelt dat een op het rijbewijs vermeld getuigschrift van vakbekwaamheid (in de vorm van de zogenaamde code 95) van rechtswege ongeldig wordt voor bepaalde bestuurders. Omdat de code 95 ongeldig wordt, betekent dit ook dat het rijbewijs moet worden vervangen. Een en ander is het gevolg van een onjuiste implementatie van richtlijn 2003/59/EG (Richtlijn vakbekwaamheid bestuurders).

De Afdeling advisering van de Raad van State concludeert dat het wetsvoorstel niet voorziet in een vorm van compensatie voor de betrokken bestuurders die als gevolg van een onjuiste implementatie van de richtlijn nu kosten moeten maken. Zij moeten een nieuw rijbewijs aanvragen, ook als zij niet langer aan de vakbekwaamheidseisen zouden willen voldoen. De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de vraag of niet moet worden voorzien in een compensatie van deze kosten en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

Als gevolg van een onjuiste implementatie van de Richtlijn vakbekwaamheid bestuurders waren in het Reglement rijbewijzen tot 1 juni 2015 voor bus- en vrachtwagenbestuurders, geboren vóór 1 juli 1955, vrijstellingen opgenomen van de uit de richtlijn voortvloeiende eisen van basiskwalificatie en nascholing. Op basis van deze vrijstellingen zijn in de periode tot 1 juni 2015 rijbewijzen afgegeven met een communautaire code (code 95) die geldt als getuigschrift dat voldaan wordt aan voornoemde eisen, terwijl een groot deel van de betrokken bestuurders daar niet daadwerkelijk aan voldoet. Om deze gevolgen van de onjuiste implementatie van de richtlijn ongedaan te maken, regelt het wetsvoorstel dat de op deze rijbewijzen vermelde getuigschriften van rechtswege ongeldig worden.

Een groot deel van de ongeveer 35.000 bestuurders waarop de voorgestelde wet betrekking heeft, zal blijkens de toelichting als gevolg van deze wet een of enkele jaren voordat de geldigheid van hun rijbewijs eigenlijk zou aflopen een vervangend of nieuw rijbewijs moeten aanvragen. De daarvoor te betalen leges zijn kosten die deze bestuurders niet hadden hoeven maken als de Richtlijn vakbekwaamheid bestuurders vanaf het begin juist was geïmplementeerd. In het licht van het burgerperspectief dient te worden overwogen of niet moet worden voorzien in compensatie voor de te maken kosten voor een nieuw rijbewijs.

De Afdeling adviseert om in de toelichting hierop in te gaan en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

Van belang is te benadrukken dat er alleen sprake is van extra kosten als het rijbewijs wordt vervangen. Vroeg of laat moet iedere rijbewijshouder het rijbewijs vernieuwen. Naar verwachting kiezen veel rijbewijshouders voor vernieuwing van het rijbewijs, in de gevallen waarin de einddatum van de geldigheidsduur van het rijbewijs niet ver na de verwachte datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel ligt. Op basis van een analyse per 1 augustus 2019 is gebleken dat het wetsvoorstel zou zien op 24.597 rijbewijshouders. Het merendeel daarvan (13.216 rijbewijshouders) heeft een rijbewijs dat verloopt in 2020. Voor hen ligt vernieuwing van het rijbewijs voor de hand.

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling zijn verschillende mogelijkheden voor compensatie van de legeskosten overwogen, waaronder compensatie van de kosten voor het vervangen van het rijbewijs en compensatie van de resterende geldigheidsduur van het rijbewijs op basis van een staffel. De conclusie is echter dat het bieden van een compensatieregeling in het onderhavige geval weinig opportuun en niet noodzakelijk is. Daarvoor zijn verschillende redenen.

Zo hebben de desbetreffende rijbewijshouders de afgelopen jaren gebruik kunnen maken van de code 95 door de onjuiste implementatie. Ze hadden daar dus voordeel van kunnen hebben dat tegen de extra kosten moet worden afgewogen. Daarnaast zijn de extra kosten voor rijbewijshouders relatief beperkt. Het gaat ten hoogste om de kosten voor het vervangende rijbewijs van ongeveer € 40,–. Bij compensatie naar rato van de «verloren» geldigheidsduur van het rijbewijs is dat bedrag in bijna alle gevallen minstens de helft kleiner. Er is bovendien al langere tijd bekend dat de code 95 ongeldig zou worden gemaakt; in ieder geval vanaf augustus 2019, toen iedere betrokken rijbewijshouder een brief daarover heeft ontvangen zodat men zich hier tijdig op heeft kunnen voorbereiden.

Voor de overheid zou de uitvoering van de compensatieregeling bovendien relatief kostbaar zijn. Compensatie zou het meest doelmatig kunnen plaatsvinden op basis van een door de Dienst Wegverkeer (RDW) uit te voeren regeling. Rijbewijshouders zouden door middel van een bij de RDW in te dienen formulier aanspraak kunnen maken op compensatie. Uit berekeningen van de uitvoeringskosten van een eventuele compensatieregeling blijkt dat een disproportioneel deel van de kosten (bijna de helft tot driekwart) zou bestaan uit uitvoeringskosten. Mede vanwege de relatief lage uit te keren bedragen en de scheve verhouding tussen uitvoeringskosten en uit te keren bedragen is besloten niet te voorzien in een compensatieregeling.

In de memorie van toelichting is naar aanleiding van het advies meer aandacht besteed aan het vraagstuk over compensatie.

Daarnaast is in de memorie van toelichting de omvang van de doelgroep geactualiseerd. Op sommige andere punten is de memorie van toelichting verduidelijkt, zoals over de registratie van het behaald hebben van de basiskwalificatie of het gevolgd hebben van de nascholing, over het inleveren van het rijbewijs en over het registreren van reeds gevolgde nascholingen. Bovendien is ingegaan op de uitvoeringsconsequenties voor het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) in relatie tot de langere doorlooptijden van de behandeling van aanvragen van gezondheidsverklaringen. Tot slot is van de gelegenheid gebruikgemaakt om in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting enkele redactionele verbeteringen door te voeren.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven