Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202135352 nr. E

35 352 Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs

E NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 11 mei 2021

1. Inleiding

De regering is de leden van de PVV-fractie en van de fractie van de ChristenUnie van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkentelijk voor de gestelde vragen. Op de vragen zal hierna in de volgorde van het verslag worden ingegaan.

2. Noodzaak tot versterking burgerschapsonderwijs

De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom het onderduiken van een leraar aan het Rotterdams Erasmus College vanwege een spotprent van Mohammed aan de muur van zijn klaslokaal niet heeft geleid tot bekostigingssancties tegen deze school.

De regering vindt het volstrekt onacceptabel als de veiligheid van leraren onder druk komt te staan wanneer zij de waarde van het vrije woord overbrengen. In de genoemde situatie kan de school niet verantwoordelijk worden gesteld voor de bedreigingen die geuit zijn of voor het gegeven dat de leraar in kwestie zich genoodzaakt zag onder te duiken. Als er zoals hier sprake is van bedreigingen, is het van belang dat de school aangifte doet. En dat is hier ook gebeurd.

Ook vragen deze leden welke concrete maatregelen zijn genomen die het respectvol tonen van spotprenten van Mohammed en het bespreekbaar maken van de moord op de leraar Paty in Frankrijk, mogelijk maken.

Leraren moeten in volledige vrijheid en veiligheid hun werk kunnen doen. Dit is een voorwaarde om vanuit hun professionele autonomie keuzes te maken aangaande de wijze waarop zij hun les willen inrichten. Onderhavig wetsvoorstel richt zich onder andere op het bevorderen van de vrijheid van meningsuiting. Indien leraren het van meerwaarde vinden om hiervoor spotprenten te tonen, moeten zij dit veilig kunnen doen. Naar aanleiding van de bedreigingen heeft de regering concrete maatregelen genomen om de veiligheid van leraren te verbeteren. Voor een overzicht van deze maatregelen verwijst de regering naar de brief over de vrijheid van meningsuiting en de veiligheid van leraren, die op 17 december 2020 aan de Tweede Kamer is verzonden.1 Daarnaast is het van groot belang om leraren en schoolleiders inhoudelijk goed te ondersteunen, zodat leraren zich vrij, veilig en geëquipeerd voelen om de lesvorm te kiezen die zij passend achten. In het kader van dit wetsvoorstel wordt uitgebreide ondersteuning geboden door de sectorraden en Stichting School en Veiligheid (SSV). De ondersteuning van de sectorraden en SSV zal een structureel karakter krijgen. Recent is SSV op het thema terrorismebestrijding bovendien een samenwerking met de Universiteit Utrecht aangegaan, die door het Ministerie van OCW financieel wordt ondersteund.

Naar aanleiding van een antwoord in de memorie van antwoord waarbij naar het rapport van de commissie-Remkes wordt verwezen, stellen de leden van de ChristenUnie-fractie de volgende vraag: kan van het onderwijs gevraagd worden om de democratische rechtsstaat uit te dragen, te verdedigen en te versterken? Behoren deze drie woorden ook tot een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de rechtsstaat?

In de opdracht aan scholen om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat op herkenbare wijze in het onderwijs terug te laten komen, zit ook het uitdragen, verdedigen en versterken van deze waarden besloten. Het gaat er om dat scholen leerlingen respect en kennis bijbrengen met betrekking tot de basiswaarden en hen hiermee te laten oefenen. En aangezien de schoolcultuur in overeenstemming moet zijn met diezelfde basiswaarden, behoren de drie door de staatscommissie genoemde termen ook tot deze zorgplicht. Daarbij is op grond van de vrijheid van onderwijs ruimte voor een eigen invulling in de uitvoering van de burgerschapsopdracht, zolang wordt voldaan aan de wettelijke normen.

De aanbevelingen van de staatscommissie-Remkes zijn overigens gericht op de versterking van de positie van maatschappelijke vakken in het voortgezet onderwijs, zoals staatsinrichting, maatschappijleer en geschiedenis. Een eventuele uitbreiding van deze vakken moet worden bezien in de context van een integrale afweging over de inhoud van het curriculum, die nu gaande is binnen het traject tot actualisatie van het curriculum.

3. Vrijheid van onderwijs is uitgangspunt

De fractieleden van de ChristenUnie constateren dat op meerdere plaatsen in de memorie van antwoord de regering stelt dat de inspectie terughoudendheid zal betrachten met betrekking tot de inhoud van de burgerschapsvisie en de overtuigingen die daaraan ten grondslag liggen. Ook erkent de regering in de memorie van antwoord dat de basisbegrippen (vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit) enige interpretatieruimte met zich meebrengen. Deze leden vragen de regering hoe de begrippen «terughoudendheid» en «enige interpretatieruimte» zich tot elkaar verhouden. Ook vragen zij wie en/of wat die interpretatieruimte bepaalt. Is dat de Grondwet en haar wetsgeschiedenis? Is dat de Algemene wet gelijke behandeling? Is dat iets anders?

De interpretatieruimte wordt bepaald door de wettelijke burgerschapsopdracht zelf, waarvan de grondwettelijke vrijheid van onderwijs een belangrijk uitgangspunt is. Scholen moeten zich binnen de kaders van deze bepaling begeven. Ook de inspectie is in haar toezicht gebonden aan deze kaders en beoordeelt hierbinnen of een school voldoet aan de burgerschapsopdracht. Daarbij interpreteert zij de wet aan de hand van daarbij behorende wetsgeschiedenis en de vertaling daarvan in de onderzoekskaders. Zodoende kan de context van school worden meegewogen in het toezicht.

De regering benadrukt dat de burgerschapsopdracht scholen ruimte biedt voor een eigen invulling. Die ruimte vloeit mede voort uit de vrijheid van onderwijs. Dit wetsvoorstel schrijft wel een gemeenschappelijke kern voor, die onder andere het bevorderen van kennis van en respect voor de basiswaarden (vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit) bevat. In de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer zijn deze begrippen gedefinieerd.2 Daarbij heeft de regering duidelijk aangegeven welke onderdelen van deze basiswaarden aan bod dienen te komen en waarop de school dus ook beoordeeld zal worden. Zoals gezegd behouden scholen binnen de kaders van dit wetsvoorstel interpretatieruimte in hoe, op welk moment en in welke vorm, zij aan deze begrippen, binnen de context van de school en hun grondslag, invulling geven. Dat vraagt een zekere mate van terughoudendheid van de inspectie in haar toezicht. De inspectie zal terughoudendheid betrachten als het gaat om het toezicht op de visie van scholen, die van invloed kan zijn op de wijze waarop basiswaarden worden geïnterpreteerd of vertaald naar de onderwijspraktijk, maar scherp toezien of deze visie conform de wettelijke eisen in de onderwijspraktijk tot uiting komt en alle onderdelen bevat die de wet en de toelichting daaraan stellen.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Kamerstukken II 2020/2021, 29 240, nr. 152.

X Noot
2

Kamerstukken II 2019/20, 35 352, nr. 6.