Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035351 nr. 5

35 351 Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nr. 5 VOORSTEL VAN HET PRESIDIUM VOOR EEN REGELING TOEZICHT EN HANDHAVING GEDRAGSCODE LEDEN VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL

Regeling Toezicht en handhaving Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Adviseur:

de onafhankelijke adviseur integriteit;

b. College:

het college van onderzoek integriteit;

c. Gedragscode:

de Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Hoofdstuk 2. Het College

Artikel 2 Samenstelling en benoeming

1. Het College bestaat uit een voorzitter en twee leden. Zij worden benoemd door de Kamer op voordracht van het presidium voor de duur van ten hoogste zes jaar. De Kamer besluit zonder beraadslaging. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste zes jaar plaatsvinden.

2. Het College is onafhankelijk.

3. De leden van het College ontvangen enkel een vergoeding voor de kosten die samenhangen met het uitvoeren van hun taken.

Artikel 3 Taak

Het College heeft tot taak klachten aangaande overtreding van de Gedragscode door Kamerleden te behandelen.

Artikel 4 Jaarverslag

1. Het College zendt jaarlijks in februari aan het presidium zijn jaarverslag over het voorgaande jaar.

2. Het College kan in zijn jaarverslag aanbevelingen doen die strekken tot een wijziging van de gedragscode of een verduidelijking geven van de gedragscode.

3. Het presidium maakt het jaarverslag openbaar.

Artikel 5 Archief en openbaarheid

1. Het College draagt elke zes jaar de documenten die op zijn verzoek zijn verstrekt en andere documenten die hij van belang acht aan de Kamer over. Hij kan hierbij gemotiveerd aangeven dat documenten niet openbaar gemaakt mogen worden en voor de duur van tien jaren alleen ter inzage liggen voor leden van het College.

2. Het college maakt geen informatie openbaar.

Hoofdstuk 3. Klachtprocedure

Artikel 6 Klachten

1. Een ieder kan een klacht aangaande overtreding van de Gedragscode aanbrengen.

2. Een klacht wordt schriftelijk aangebracht en bevat ten minste de naam en het postadres van de klager, de naam van het Kamerlid op wie de klacht ziet en de feiten die tot het doen van de klacht hebben geleid.

3. Het College kan besluiten een klacht niet in behandeling te nemen wanneer het deze kennelijk ongegrond acht, wanneer niet is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het tweede lid, of wanneer eenzelfde klacht door verschillende klagers is gedaan. De klager wordt hierover geïnformeerd.

4. Een klacht die ziet op een mogelijke overtreding waarbij in het Reglement van Orde op andere wijze in het toezicht is voorzien, wordt niet in behandeling genomen door het College.

5. Een klacht die ziet op een mogelijk strafbaar feit, niet zijnde een ambtsmisdrijf, wordt niet in behandeling genomen door het College. Na overleg met de klager kan de klacht worden doorgezonden aan het openbaar ministerie.

Artikel 7 Klachtafhandeling

1. Het College informeert een Kamerlid wanneer een klacht over hem in behandeling wordt genomen.

2. Het College verzoekt het Kamerlid om informatie. Het Kamerlid verleent medewerking aan dat verzoek.

3. Het College kan na het beoordelen van de ontvangen informatie en andere feiten en omstandigheden die het van belang acht, besluiten dat de klacht niet nader onderzocht wordt. Het Kamerlid en de klager worden hierover geïnformeerd. Het College kan hierbij een aanbeveling doen aan het Kamerlid.

Artikel 8 Onderzoek naar klacht

1. Het College kan na ontvangst van de informatie, bedoeld in artikel 7, tweede lid, en na het beoordelen van andere feiten en omstandigheden die het van belang acht, besluiten een onderzoek in te stellen naar de klacht.

2. Indien de klacht een kwestie betreft waarover de Adviseur eerder advies aan het betrokken Kamerlid heeft uitgebracht en dit advies is opgevolgd, kan het College slechts gemotiveerd besluiten tot een onderzoek.

3. Indien het College besluit een onderzoek in te stellen, brengt de Adviseur aan het betreffende Kamerlid over dezelfde kwestie geen advies meer uit.

4. Het Kamerlid verleent de medewerking die door het College in het kader van zijn onderzoek wordt verlangd.

5. Het College stelt een conceptrapportage op van zijn bevindingen en stelt het Kamerlid in de gelegenheid om binnen vier weken te worden gehoord. De zienswijze van het Kamerlid wordt verwerkt in de rapportage. In de rapportage kan het College een aanbeveling doen aan het Kamerlid.

6. Indien het College een overtreding van de gedragscode vaststelt, kan in de rapportage een aanbeveling voor een sanctie worden gedaan.

Artikel 9 Rapportage

1. Het College zendt de rapportage aan het presidium en aan het Kamerlid die het betreft. Het College kan bij de toezending bepalen dat delen ervan vertrouwelijk blijven in verband met zwaarwegende redenen.

2. Het presidium maakt de rapportage uiterlijk vier weken na de toezending ervan openbaar, voor zover het College heeft bepaald dat deze openbaar kan worden.

Hoofdstuk 4. Beroep

Artikel 10 Beroepsmogelijkheid

1. Het Kamerlid op wie de rapportage, bedoeld in artikel 9, betrekking heeft, kan binnen twee weken na ontvangst van de rapportage beroep instellen bij de Kamer. In dat geval maakt het presidium de rapportage niet openbaar.

2. De Kamer stelt, op voordracht van het presidium, een tijdelijk college van beroep in. Artikel 2 is van overeenkomstige toepassing.

3. Het tijdelijk college van beroep heeft tot taak om met inachtneming van de rapportage en de relevante feiten en omstandigheden te beoordelen of het College redelijkerwijs tot haar oordeel heeft kunnen komen.

4. Het tijdelijk college van beroep zendt haar schriftelijke oordeel aan het presidium en aan het Kamerlid die het betreft. Na de toezending is het tijdelijke college van beroep opgeheven.

5. Het presidium maakt het oordeel onverwijld na de toezending ervan openbaar tezamen met de rapportage.

Hoofdstuk 5. Sanctionering

Artikel 11 Mogelijke sancties

De volgende sancties kunnen worden opgelegd bij overtreding van de gedragscode:

  • a. een aanwijzing, waaronder wordt begrepen een maatregel die een Kamerlid verplicht tot herstel van een overtreding van de Gedragscode;

  • b. een berisping, waaronder wordt begrepen een openbare brief van het presidium gericht aan een Kamerlid waarin de handeling die tot een overtreding heeft geleid, wordt afgekeurd;

  • c. een schorsing, waaronder wordt begrepen het uitsluiten van een Kamerlid voor de duur van ten hoogste een maand van het deelnemen aan plenaire vergaderingen, behoudens stemmingen, aan commissievergaderingen of aan andere activiteiten die door of namens de Kamer worden gehouden.

Artikel 12 Voorstel voor sanctionering door de Kamer

Indien een rapportage als bedoeld in artikel 9 een overtreding van de gedragscode vaststelt waarbij een sanctie als bedoeld in artikel 11 wordt aanbevolen, zendt het presidium tegelijkertijd met de openbaarmaking van de rapportage een brief aan de Kamer met een voorstel tot het opleggen van de door het College aanbevolen sanctie.

Artikel 13 Besluit Kamer

De Kamer besluit zonder beraadslaging over het voorstel van het presidium, bedoeld in artikel 12. Indien de Kamer besluit tot het opleggen van een sanctie, wordt deze de dag na het Kamerbesluit ten uitvoer gelegd.

Artikel 14 Geen beroep

Van de beslissingen ingevolge artikel 13 is beroep op de Kamer niet toegelaten.

Artikel 15 Herziening

Het presidium kan voorstellen aan de Kamer doen voor herziening van de Gedragscode en de toelichting daarop. De presidium kan tevens voorstellen doen voor herziening van deze regeling. Het presidium betrekt daarbij de jaarverslagen van de Adviseur en het College.

Artikel 16 Toepassing regeling

Deze regeling is alleen van toepassing op overtredingen van de Gedragscode die plaatsvinden na de inwerkingtreding van de regeling.

Toelichting

Algemeen deel

In voorgestelde toezichts- en handhavingsstelsel wordt het behandelen van klachten inzake overtreding van de Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal opgedragen aan een onafhankelijk college van onderzoek integriteit.

Het College verricht onderzoek op basis van klachten over zittende Kamerleden. Iedereen kan een klacht indienen. Indien het College oordeelt dat de gedragscode in een concrete situatie is overtreden, kunnen drie soorten sancties worden voorgesteld aan de Kamer: een aanwijzing, een berisping of een schorsing. De Kamer beslist over het opleggen van de sanctie. Indien naar aanleiding van een klachtonderzoek geen overtreding wordt vastgesteld, of wanneer een sanctie niet opportuun wordt geacht, kan het College een aanbeveling doen aan het Kamerlid. Klachten die kennelijk ongegrond worden geacht, die zien op overtredingen waarbij het Reglement van Orde een specifieke toezichtsregeling kent, of die betrekking hebben op een strafbaar feit worden niet in behandeling genomen.

De voorgestelde regeling bevat tevens voorzieningen om de mogelijke samenloop van advisering door de onafhankelijk adviseur integriteit en toezicht door het beoogde college zorgvuldig te regelen. Zo is opgenomen dat indien het Kamerlid het advies van de Adviseur opvolgt, een besluit tot een onderzoek naar dezelfde kwestie door het College een bijzondere motivering vergt. Aangezien uit de functie van de Adviseur volgt dat deze zich zal toeleggen op het met name vooraf adviseren van Kamerleden over de uitleg en toepassing van de integriteitsregels, brengt de Adviseur aan het betreffende Kamerlid over een kwestie geen advies meer uit zodra een klacht over dezelfde kwestie leidt tot een onderzoek door het College.

Na vaststelling van de regeling door de Kamer kan worden overwogen om in het Reglement van Orde een uitdrukkelijke verwijzing naar de regeling op te nemen, zodat de samenhang kan worden geborgd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Het college van onderzoek integriteit en de Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal staan centraal in de regeling. Om de leesbaarheid van de regeling te verhogen worden deze termen verkort gedefinieerd. Tevens wordt de onafhankelijke adviseur integriteit kort gedefinieerd.1

Artikel 2

Voor de klachtbehandeling is er een College van onderzoek, waarvan de leden worden benoemd door de Kamer op voordracht van het presidium. De leden van het College zijn personen met gezag en deskundigheid. Het verdient aanbeveling om de benoemingen en herbenoemingscyclus zo in te richten dat voorkomen wordt dat de benoemingstermijn voor alle drie de leden in hetzelfde jaar afloopt. Op deze wijze wordt de aanwezige kennis en expertise van het College gewaarborgd. De onafhankelijkheid van het College is nadrukkelijk in de regeling opgenomen. Hieruit vloeit overigens voort dat zittende Kamerleden geen deel kunnen uitmaken van het College. Hoewel de functie van collegelid onbezoldigd is, kunnen bij de benoeming van de collegeleden rechtspositionele afspraken gemaakt worden inzake bijvoorbeeld de onkostenvergoeding die zij ontvangen. Verder dient bij de benoeming worden vastgesteld dat het collegelid wordt gevrijwaard van aansprakelijkheid.

Artikel 3

In dit artikel wordt de taak van het College beschreven.

Artikel 4

Het presidium ontvangt jaarlijks van het College een jaarverslag. Daarin kunnen de verschenen rapportages, als bedoeld in artikel 9, uit het voorgaande jaar worden vermeld en kan ingegaan worden op de werkzaamheden die zijn verricht. Ook kunnen aanbevelingen worden gedaan omtrent de gedragscode. Mocht het college mogelijke verbeteringen voor de gedragscode hebben geconstateerd, dan kan het dit aangeven in het jaarverslag middels aanbevelingen. Het doel van het opnemen van de rapportages en mogelijke aanbevelingen is dat deze mede gaan dienen als leidraad voor het handelen van Kamerleden. Bovendien kan hiervan ook een zekere normerende werking uit gaan. De rapportages en aanbevelingen dragen immers bij aan een eenduidige en bestendige uitleg en aan de verdere ontwikkeling van de gedragscode. Bij een deel van de bestaande integriteitsregels, met name de regels waarop nu nog geen toezicht wordt gehouden, kan in de praktijk nog nadere duiding nodig zijn omdat zij bijvoorbeeld open normen bevatten. Deze ontwikkeling zal derhalve over meerdere jaren plaatsvinden zodat na verloop van tijd een steeds duidelijker en eenduidiger kader ontstaat.

Artikel 5

In het eerste lid wordt de archivering beschreven. In het tweede lid wordt verduidelijkt dat het college zelf geen informatie openbaar maakt. Het presidium maakt de rapportages en jaarverslagen openbaar, het college doet dit niet zelf.

Artikel 6

Klachten kunnen door iedereen worden aangebracht bij het College. Het tweede lid bevat echter wel vereisten waaraan een klacht moet voldoen, waarbij het tot de bevoegdheid van het College behoort om te besluiten wanneer een klacht aan de vereisten voldoet. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat het College kan besluiten een klacht niet in behandeling te nemen wanneer niet aan de vereisten uit het tweede lid is voldaan. Wanneer bijvoorbeeld een klacht vrijwel geen feiten bevat omtrent de klacht, de klacht enkel ziet op de politieke inzet van een Kamerlid of de klacht niet ziet op een zittend Kamerlid (zoals een Minister), kan het College besluiten dat de klacht niet in behandeling wordt genomen. Voorts heeft het College de bevoegdheid om een klacht niet in behandeling te nemen wanneer deze kennelijk ongegrond is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn klachten met een onbegrijpelijke of niet-consistente inhoud. Ten slotte kan het College besluiten klachten niet te behandelen wanneer dezelfde klacht over hetzelfde Kamerlid meerdere malen of in grote aantallen binnenkomt. De klager wordt hierover geïnformeerd. Het verdient aanbeveling om het betreffende Kamerlid zoveel mogelijk ook te informeren over niet in behandeling genomen klachten, bijvoorbeeld om te voorkomen dat een Kamerlid later publiekelijk wordt geconfronteerd met de beslissing van het College. Er kunnen echter ook situaties zijn waarin het niet informeren van een Kamerlid op zijn plaats is. Hierbij kan worden gedacht wanneer de klager een medewerker van de betreffende fractie is en zich daardoor in een kwetsbare positie bevindt. Het College dient derhalve hiermee prudent om te gaan.

In het vierde lid is opgenomen dat klachten over mogelijke overtredingen waarbij het Reglement van Orde reeds op andere wijze in het toezicht voorziet, niet in behandeling worden genomen. Daarbij kan worden gedacht worden aan klachten over de orde tijdens plenaire en commissievergaderingen. Hierop zijn de artikelen 58 tot en met 62 Reglement van Orde van toepassing.

In het vijfde lid is opgenomen dat klachten die zien op strafbare feiten, niet zijnde ambtsmisdrijven2, niet in behandeling kunnen worden genomen door het College. Hierbij kan worden gedacht aan strafbare feiten gepleegd ten aanzien van personen, zoals geweldpleging. Hiervoor staat immers de strafrechtelijke weg open. Het College kan evenwel met de klager in overleg treden over het doorzenden van de klacht naar het openbaar ministerie. Zo mogelijk kan het College de klager helpen de stap te zetten zelf aangifte te doen van het strafbare feit.

Artikel 7

Als het College besluit een klacht in behandeling te nemen, wordt het betreffende Kamerlid zo spoedig mogelijk hierover geïnformeerd. Het College is vervolgens verplicht om het Kamerlid informatie te verzoeken met betrekking tot de klacht. Het ligt hierbij in de rede om ook een eventueel schriftelijk advies van de Adviseur over de betreffende kwestie op te vragen. Het Kamerlid is verplicht tot medewerking aan het verzoek. Via deze weg dient hij dan ook het advies aan het College te verstrekken. Een vertrouwelijk advies wordt hiermee overigens niet openbaar; bestaande vertrouwelijkheid dient dan ook te worden gewaarborgd. Gezien het feit dat in dit stadium nog geen sprake is van onderzoek naar de klacht, zal het verzoek om informatie in de praktijk beknopt zijn.

Indien naar aanleiding van de informatie van het Kamerlid duidelijk is dat de klacht geen verder onderzoek rechtvaardigt, wordt de klacht als afgehandeld beschouwd. Daarbij kan het college mede in overweging nemen in hoeverre de klacht naar haar oordeel voldoende substantieel van aard is om een onderzoek met een daaruit volgende openbare rapportage te billijken. De klager en het Kamerlid worden hierover geïnformeerd. Het College kan evenwel het Kamerlid nog wel een aanbeveling doen, bijvoorbeeld over de wijze waarop aan een registratieverplichting het beste invulling kan worden gegeven.

Artikel 8

Het College kan besluiten een onderzoek in te stellen naar de klacht. De duur van een onderzoek wordt mede bepaald door de aard en complexiteit van de vermeende overtreding, maar verwacht mag worden dat een onderzoek binnen een redelijke termijn wordt afgerond.

Indien de klacht betrekking heeft op een kwestie waarover eerder advies is uitgebracht door de Adviseur en het Kamerlid heeft dat advies opgevolgd, kan het College slechts gemotiveerd besluiten tot een onderzoek. Hiertoe kan bijvoorbeeld aanleiding zijn wanneer er aanvullende feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die tot een ander advies hadden geleid, of wanneer nader onderzoek om andere zwaarwegende redenen van belang wordt geacht. Deze bepaling dient ter bescherming van het Kamerlid. Het is onwenselijk als een Kamerlid dat zich tot de Adviseur heeft gewend en het verkregen advies heeft opgevolgd aan een nader onderzoek wordt onderworpen door het College indien daar op voorhand geen gewichtige redenen voor zijn. Aan de adviezen van de Adviseur wordt immers een zeker gezag toegekend. Het is aan het College om in voorkomende gevallen af te wegen of een onderzoek nodig is. Het College kan ten behoeve van het maken van die afweging indien nodig in contact treden met de Adviseur.

Zodra het College besluit een onderzoek in te stellen, brengt de Adviseur over dezelfde kwestie geen advies meer uit. Op deze manier wordt voorkomen dat de werkzaamheden van de Adviseur en het College samenlopen. Aangezien uit de functie van de Adviseur volgt dat deze zich zal toeleggen op het met name vooraf adviseren van Kamerleden over de uitleg en toepassing van de integriteitsregels, ligt het voor de hand dat de Adviseur de advisering richting het betreffende Kamerlid staakt zodra een klacht over dezelfde kwestie leidt tot een onderzoek door het College.

Het Kamerlid is ook in deze fase verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek door het College en krijgt ook de gelegenheid te worden gehoord over de conceptrapportage. De zienswijze van het Kamerlid wordt in de rapportage verwerkt. Dit biedt het Kamerlid de waarborg dat alles wat relevant is naar voren kan worden gebracht in de betreffende kwestie.

In de conceptrapportage is opgenomen wat de uitkomst van het onderzoek is. De wijze van het formuleren van de uitkomsten wordt aan het College overgelaten.

Artikel 9

De rapportage wordt toegezonden aan het presidium en aan het betreffende Kamerlid. Omdat er mogelijk gevolgen voor het betreffende Kamerlid zijn, wordt de rapportage niet tevens direct toegezonden aan de klager. Het presidium is immers verplicht de rapportage uiterlijk vier weken na de toezending ervan openbaar te maken, waardoor op dat moment de klager kennis kan nemen van het rapport. Wel kan het College bepalen dat delen van de rapportage vertrouwelijk blijven in verband met zwaarwegende redenen. Zo kan het College bijvoorbeeld bepalen dat in verband met privacy bepaalde informatie in een vertrouwelijke bijlage wordt opgenomen. Het presidium kan vervolgens alleen die delen van het rapport openbaar maken die niet vertrouwelijk zijn.

Indien het College een sanctie gepast acht, kan zij daartoe een aanbeveling doen in haar rapportage. Ook kan het College concluderen dat een sanctie niet opportuun is, of dat uitsluitend een aanbeveling aan het Kamerlid wordt gedaan. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het College oordeelt dat de overtreding van lichte aard is of wanneer de betreffende integriteitsregel onvoldoende houvast bood en het Kamerlid de geconstateerde overtreding in redelijkheid niet kon worden verweten. Daarbij kan in overweging worden genomen dat openbaarmaking van de rapportage op zichzelf al zekere gevolgen kan hebben.

In het geval dat het College het vermoeden heeft dat er sprake is van een ambtsmisdrijf, kan in beginsel in de rapportage geen overtreding van de gedragscode worden vastgesteld. Voor een ambtsmisdrijf kan immers de weg van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen worden gevolgd. Het ligt in de lijn van verwachting dat het College dan in de rapportage geen vaststelling van een overtreding zal doen, maar aangeeft er een vermoeden van een ambtsmisdrijf is. In dat geval ligt het voor de hand dat wordt bevorderd dat de hiervoor bestemde procedure in werking wordt gesteld. Hiervoor hoeft geen nadere regeling te worden getroffen.

Artikel 10

Een Kamerlid dat het niet eens is met de rapportage kan binnen twee weken nadat hij deze heeft ontvangen beroep instellen bij de Kamer. De Kamer stelt dan een tijdelijk college van beroep in, op voordracht van het presidium. Artikel 2 is hierop van overeenkomstig toepassing, wat betekent dat er drie leden zijn waaronder een voorzitter en dat alleen onkosten zullen worden vergoed. De taak van het tijdelijk college van beroep houdt in dat zij de relevante feiten en omstandigheden zullen bekijken en hetgeen daarover is opgenomen in het rapport en daarna zullen beoordelen of het College in redelijkheid tot de uitkomsten in de rapportage is gekomen. Het is niet de bedoeling dat op dit moment het gehele onderzoek zal worden overgedaan. Het oordeel van het tijdelijk college zal aan het presidium worden gezonden, dat vervolgens de rapportage en het oordeel tezamen onverwijld openbaar maakt. Volledigheidshalve is vastgelegd dat met de toezending van het oordeel het tijdelijk college is opgeheven. Indien in de rapportage een aanbeveling voor een sanctie was opgenomen, dient het presidium tevens daarbij een voorstel voor een sanctie op te nemen conform artikel 12.

Artikel 11

In dit artikel is de uitwerking gegeven van de mogelijke op te leggen sancties bij een overtreding van de gedragscode. Een aanwijzing kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de registratieverplichtingen van het Reglement van Orde. Over de berisping kan worden opgemerkt dat deze kan worden gezien als een waarschuwing aan het Kamerlid. De volgende mogelijke sanctie, de schorsing, is immers de zwaarste vorm. Deze sanctie is nu alleen mogelijk in geval van schending van de geheimhouding of vertrouwelijkheid, zoals neergelegd in de artikelen 145 en 147 Reglement van Orde. In dit voorstel wordt de schorsing ook bij andere overtredingen van de gedragscode mogelijk. De schorsing is overigens flexibel vormgegeven, zodat de maatregel op maat kan worden vormgegeven en in verhouding kan staan tot de aard en ernst van de overtreding. Hierbij kan worden gedacht aan een Kamerlid dat te registreren buitenlandse reizen herhaaldelijk niet heeft gemeld, wordt geschorst van deelneming aan een komend buitenlands werkbezoek van een commissie of van het lidmaatschap van een delegatie van de Kamer bij interparlementaire conferenties of andere internationale gremia. Ook in deze meer flexibele vorm blijft de schorsing uiteraard een zwaar middel, waartoe niet lichtvaardig moet worden besloten. Denkbaar is bijvoorbeeld dat een schorsing in beeld komt wanneer de overtreding van zeer ernstige aard is of wanneer een lid herhaaldelijk bepaalde overtredingen begaat, waarvoor eerder lichtere sancties zoals een berisping zijn opgelegd.

Er wordt verder op gewezen dat van het schorsen van deelneming aan de plenaire vergadering de stemmingen zijn uitgezonderd. Dit betekent dat een lid dat is geschorst wel kan deelnemen aan stemmingen. Het uitsluiten van deelname aan stemmingen zou onverenigbaar zijn met de staatsrechtelijke positie van Kamerleden.

Artikel 12

Bij het openbaar maken van de rapportage, wat tevens kan worden gezien als het toezenden van de rapportage aan de Kamer voegt het presidium ook een brief met daarin het voorstel voor een sanctie, indien het College een overtreding van de gedragscode heeft geconstateerd en deze sanctie heeft aanbevolen.

Op deze wijze wordt bevestigd dat een sanctie als bedoeld in artikel 10 alleen wordt opgelegd na een voorafgaand onderzoek door het College. Van de Kamer mag immers worden verwacht dat sanctionering van een individueel Kamerlid zorgvuldig wordt voorbereid en onderbouwd. Bovendien wordt met een onderzoek door het College gewaarborgd dat het betrokken Kamerlid heeft kunnen reageren op de geconstateerde feiten en omstandigheden.

Artikel 13

De Kamer besluit zonder beraadslaging over de daadwerkelijke sanctieoplegging. Het besluiten zonder beraadslaging is ook nu al het geval bij een voorstel tot schorsing op grond van artikel 145 Reglement van Orde. Als er tot sanctieoplegging wordt besloten, wordt de dag erna de sanctie tot uitvoer gelegd.

Artikel 14

Overeenkomstig artikel 62 Reglement van Orde, is geen beroep op de Kamer mogelijk ten aanzien van beslissingen die ingevolge deze regeling worden genomen.

Artikel 15

De regeling treedt in werking zodra deze door de Kamer wordt vastgesteld, tenzij de Kamer anders besluit.

De Gedragscode is bedoeld als een levend document en is gebaseerd op de geldende integriteitsregels in de Kamer. Naarmate de betekenis van de Gedragscode en de onderliggende regels door de praktijk verdere invulling krijgen, kan het daarom nodig zijn de Gedragscode aan te passen of de toelichting aan te vullen. Dat geldt ook voor het systeem van toezicht en handhaving zoals dat is neergelegd in deze regeling. Het presidium kan daartoe van tijd tot tijd voorstellen voor herziening doen aan de Kamer. Teneinde de eenduidigheid van de uitleg en toepassing van de Gedragscode en de onderliggende regels te bevorderen, betrekt het presidium in haar voorstellen nadrukkelijk de jaarverslagen van de Adviseur en van het College.

Gelet op de vernieuwingen die met deze regeling worden voorgesteld, wordt aanbevolen om zes jaar na de inwerkingtreding – of zoveel eerder als wenselijk – een algehele evaluatie van de werking en effectiviteit van de gedragscode en het stelsel van advisering, toezicht en handhaving uit te voeren. Tevens kunnen al eerder deelevaluaties plaatsvinden indien dit wenselijk wordt geacht.

Artikel 16

Gelet op het belang van rechtszekerheid voor Kamerleden is in dit artikel nadrukkelijk opgenomen dat de regeling alleen geldt voor overtredingen van de Gedragscode die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze regeling.

De Voorzitter, Arib


X Noot
1

Zie over deze functie de brief van het presidium van 28 november 2019 inzake de benoeming van de onafhankelijk adviseur integriteit.

X Noot
2

Ambtsmisdrijven kennen een eigen procedure waar het Kamerleden betreft. Bij de toelichting op artikel 9 wordt hier nader op ingegaan.