35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS

36 755 Wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten)

CN1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 14 juli 2026

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de concept opvolger van het legalisatieprogramma PAS-melders. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 17 juni 2026.

  • • De antwoordbrief van 9 juli 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Wolf

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Den Haag, 17 juni 2026

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 17 april 2026 ter aanbieding van het concept van de opvolger van het legalisatieprogramma PAS-melders.3 Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de fractie van de PvdD een aantal vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen door de fractieleden van de PvdD.

De fractieleden van de PvdD verzoeken u de (sub)vragen afzonderlijk te beantwoorden.

Vraag 1

Kunt u bevestigen dat het wetsvoorstel Wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten) tot doel had om «het legaliseren» van projecten van de PAS-melders te vervangen door «het bieden van een oplossing voor de projecten»?4

Vraag 2

Kunt u bevestigen dat door het amendement Flach5 «de oorspronkelijke legalisatieverplichting» weer is hersteld om een «versterking van het legalisatieprogramma» te bewerkstelligen in plaats van «een inspanningsverplichting voor het vinden van een oplossing, inclusief de mogelijkheid van bedrijfsbeëindiging»?

Vraag 3

Kunt u bevestigen dat uit artikel 22.21 tweede lid van de Omgevingswet de wettelijke verplichting voor de overheid voortvloeit, om «projecten te legaliseren», dat wil zeggen ervoor de vereiste vergunning te verlenen indien de aanvrager zijn project wil voortzetten?

Vraag 4

Kunt u onderschrijven wat uw voorganger tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten) op de vraag van het lid Nicolaï (PvdD) heeft geantwoord, namelijk dat het legaliseren bestaat uit ervoor zorgen « (...) dat de situatie weer in een legale situatie zit (...). Ja, het doel is dat die mensen met rust en zonder over hun schouder te hoeven kijken gewoon hun bedrijf kunnen voortzetten (...)»?6

Vraag 5

Kunt u bevestigen dat met de uitvoering van de in het programma opgenomen maatregelen waarop artikel 22.21 Omgevingswet betrekking heeft, gedoeld wordt op het legaliseren van de projecten?

Vraag 6

Uit de Concept opvolger legalisatieprogramma blijkt dat u van oordeel bent dat per 1 maart 2028 slechts «uitzicht op een legale situatie» behoeft te worden geboden.7

Vraag 6a

Kunt u uitleggen hoe dat zich verdraagt met het bepaalde in het vierde lid van artikel 22.21 Omgevingswet?

Vraag 6b

Kunt u aangeven op welke maatregelen om de projecten te legaliseren artikel 22.21 Omgevingswet betrekking heeft als dat niet de behandeling van een aanvraag voor een tot legalisering strekkende vergunning zou zijn?

Vraag 7

In de Concept opvolger legalisatieprogramma wordt een termijn van 31 december 2030 genoemd als uiterlijke termijn voor legalisering.8

Vraag 7a

Kunt u aangeven uit welke wettelijk voorschrift volgt dat deze termijn kan worden gesteld?

Vraag 7b

Kunt u aangeven of, als het bevoegd gezag niet uiterlijk per 31 december 2030 «additionaliteit» zal kunnen aantonen, dan de legalisering door vergunningverlening niet kan plaatsvinden? Als dat het geval is, hoe verdraagt zich dat dan met de wettelijke plicht tot legaliseren?

Vraag 8

In de Concept opvolger legalisatieprogramma staat dat het ook kan «zijn dat een PAS-melder ervoor kiest om deel te nemen aan een beëindigingsregeling of de PAS-activiteit te staken».9

Vraag 8a

Als de PAS-melder daartoe niet kiest, maar vasthoudt aan de legaliseringsplicht, is de overheid dan juridisch vrij om van de aanvrager te verlangen dat deze voor de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten kiest?

Vraag 8b

Kunt u aangeven of de PAS-melder kan verlangen, met een beroep op artikel 22.21 Omgevingswet, dat hij met voorrang een vergunning krijgt boven andere aanvragers van een vergunning die afhankelijk zijn van de stikstofruimte die voor verlening beschikbaar is?

Vraag 8c

Kunt u een inschatting geven van de aard en de hoeveelheid van andere projecten die afhankelijk zijn van beschikbare stikstofruimte dan die van PAS-melders, welke niet voor vergunning in aanmerking komen als gevolg van de legaliseringsverplichting die voortvloeit uit artikel 22.21 Omgevingswet?

Vraag 9

Kunt u toezeggen dat PAS-melders die bij bedrijfsbeëindiging een beroep doen op nadeelcompensatie of schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen, op eenzelfde wijze en met toepassing van dezelfde juridische regels en criteria worden behandeld als die welke in andere gevallen van nadeelcompensatie of schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen worden gehanteerd?

Vraag 10

In de Concept opvolger legalisatieprogramma wordt gesproken over een mogelijke beëindigingsregeling of afhandeling door de Commissie Schadevergoeding PAS-melders.

Vraag 10a

Kunt u bevestigen dat als de PAS-melders niet vrijgesteld waren geweest van de vergunningplicht, er een reële kans bestond dat aan hen geen vergunning had kunnen worden verleend voor de activiteiten waarop de melding betrekking had?

Vraag 10b

Kunt u bevestigen dat een PAS-melder die niet kan aantonen dat hem vergunning had moeten worden verleend wanneer hij indertijd een vergunningaanvraag had gedaan, in het algemeen geen aanspraak op schadevergoeding of nadeelcompensatie kan maken indien hij op het moment van bedrijfsbeëindiging wegens de onmogelijkheid tot legalisering zijn investeringen al heeft terugverdiend?

De leden van de commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uit naar de beantwoording van bovenstaande vragen en verzoeken u deze uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan de Eerste Kamer aan te bieden.

Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 juli 2026

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de leden van de fractie van de PvdD over mijn brief van 17 april 2026 ter aanbieding van het concept van de opvolger van het legalisatieprogramma PAS-melders.10 De vragen zijn ingezonden op 17 juni 2026, kenmerk 181469.

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur J. van Essen

Antwoorden op Kamervragen van de leden van de PvdD fractie over de Kamerbrief (ingezonden 17 juni 2026, kenmerk 181469).

Vragen en opmerkingen van leden van de PvdD fractie.

Vraag 1

Kunt u bevestigen dat het wetsvoorstel Wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten) tot doel had om «het legaliseren» van projecten van de PAS-melders te vervangen door «het bieden van een oplossing voor de projecten»?11

Antwoord

Het Kabinet wil alle positief geverifieerde PAS-melders een juridisch houdbare oplossing voor hun situatie bieden. Daarbij was de aanpak eerder uitsluitend gericht op het vinden van stikstofruimte om daarmee voor de bestaande situatie een natuurvergunning te kunnen verlenen, maar is nu gekozen voor een bredere aanpak. Met behulp van maatwerkaanpak wordt nu ingezet op het ook kunnen bieden van andersoortige oplossingen, zoals aanpassingen in bedrijfsvoering, schadevergoeding, extensiveren, innoveren en omschakelen. Het legaliseren van de melding met vrijgemaakte ruimte blijft een optie. In 2025 verliep de wettelijke termijn voor de uitvoering van in het toenmalige legalisatieprogramma opgenomen maatregelen. Het doel van het wetsvoorstel Wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten) was om de wettelijke termijn met drie jaar te verlengen.

Vraag 2

Kunt u bevestigen dat door het amendement Flach12 «de oorspronkelijke legalisatieverplichting» weer is hersteld om een «versterking van het legalisatieprogramma» te bewerkstelligen in plaats van «een inspanningsverplichting voor het vinden van een oplossing, inclusief de mogelijkheid van bedrijfsbeëindiging»?

Antwoord

Met het vervangen van «legalisering» en «legaliseren» door «maatwerkaanpak», respectievelijk «het bieden van een oplossing» is gevolg gegeven aan het advies van de Raad van State om in de wettekst tot uitdrukking te brengen dat niet langer alleen wordt ingezet op het verlenen van een natuurvergunning voor de bestaande activiteit, maar ook op andere adequate oplossingen. Het doel van die wijziging was juist om duidelijk te maken dat ook aan de wettelijke opdracht kan worden voldaan door het bieden van een andere oplossing dan het legaliseren van de bestaande activiteit. Met het amendement Flach is deze wijziging teruggedraaid. Het oogmerk om PAS-melders weer in een legale situatie te brengen, dus niet uitsluitend door het verlenen van een natuurvergunning voor de gemelde activiteit, is echter ongewijzigd gebleven.

Vraag 3

Kunt u bevestigen dat uit artikel 22.21 tweede lid van de Omgevingswet de wettelijke verplichting voor de overheid voortvloeit, om «projecten te legaliseren», dat wil zeggen ervoor de vereiste vergunning te verlenen indien de aanvrager zijn project wil voortzetten?

Antwoord

Met het legaliseren van projecten wordt beoogd dat de activiteit zich (weer) in een legale situatie bevindt. Hier is niet altijd een vergunning voor nodig, bijvoorbeeld als de gehele activiteit in overeenstemming kan worden gebracht met de eerder vergunde situatie. De activiteit is dan wel legaal, maar de initiatiefnemer heeft dan geen nieuwe vergunning nodig. In de gevallen waar wél een vergunning vereist is (bijvoorbeeld intern of extern salderen), is het aan het bevoegd gezag, meestal gedeputeerde staten van de provincie, om te beoordelen of deze kan worden verstrekt.

Vraag 4

Kunt u onderschrijven wat uw voorganger tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten) op de vraag van het lid Nicolaï (PvdD) heeft geantwoord, namelijk dat het legaliseren bestaat uit ervoor zorgen «(...) dat de situatie weer in een legale situatie zit (...). Ja, het doel is dat die mensen met rust en zonder over hun schouder te hoeven kijken gewoon hun bedrijf kunnen voortzetten (...)»?13

Antwoord

Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt toekomstperspectief aan PAS-melders die al te lang in onzekerheid zitten. Het programma wil alle positief geverifieerde PAS-melders van een structurele oplossing voorzien, waarmee de activiteit zich (weer) in een legale situatie bevindt. Deze PAS-melders zullen dan niet meer geconfronteerd worden met handhavingsverzoeken. PAS-melders kunnen met de provincie en, indien gewenst, met begeleiding van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past. Het uitgangspunt is dat de PAS-melder met de oplossing de bedrijfsvoering kan voortzetten.

Vraag 5

Kunt u bevestigen dat met de uitvoering van de in het programma opgenomen maatregelen waarop artikel 22.21 Omgevingswet betrekking heeft, gedoeld wordt op het legaliseren van de projecten?

Antwoord

Het programma heeft als doel om de gemelde PAS-projecten weer in een legale situatie te krijgen, waarin wordt voldaan aan wet- en regelgeving. Het programma biedt hier de mogelijke oplossingsrichtingen voor én de maatregelen waarmee deze oplossingen geïmplementeerd kunnen worden (bv. Via de RPMP 2024). PAS-melders kunnen samen met provincies en, indien gewenst, met ondersteuning van zaakbegeleiders verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past.

Vraag 6

Uit de Concept opvolger legalisatieprogramma blijkt dat u van oordeel bent dat per 1 maart 2028 slechts «uitzicht op een legale situatie» behoeft te worden geboden.14

Vraag 6a

Kunt u uitleggen hoe dat zich verdraagt met het bepaalde in het vierde lid van artikel 22.21 Omgevingswet?

Antwoord

Op grond van dit voorschrift dienen voor maart 2028 de benodigde maatregelen uit het programma voor het bieden van een oplossing aan alle PAS-melders zijn uitgevoerd. Naast het legaliseren via een vergunning op basis van vrijgemaakte stikstofruimte kunnen PAS-melders, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider, ook andere type oplossingen verkennen. PAS-melders die aangeven dat zij op stikstofruimte van de overheid willen wachten, zullen op een moment bericht krijgen of die ruimte ook daadwerkelijk binnen de termijn beschikbaar komt. Mocht dat niet het geval zijn, dan wordt hun ondersteuning geboden in de zoektocht naar een ander type oplossing. Provincies en PAS-melders hebben tot 1 maart 2028 de tijd om de oplossing in beeld te krijgen. De implementatie van de gekozen oplossingsrichting kan worden uitgevoerd nadat de benodigde maatregelen zijn getroffen; die is dus niet meegerekend bij de wettelijke termijn. De PAS-melder heeft dus ook zelf een rol bij de termijn waarbinnen er sprake zal zijn van een legale status en dus ook wanneer daar duidelijkheid over is.

Vraag 6b

Kunt u aangeven op welke maatregelen om de projecten te legaliseren artikel 22.21 Omgevingswet betrekking heeft als dat niet de behandeling van een aanvraag voor een tot legalisering strekkende vergunning zou zijn?

Antwoord

Hoofdstuk 5 van het Programma Maatwerk PAS-melders beschrijft de manieren waarop Rijk en provincies PAS-melders ondersteunen om tot een structurele oplossing te komen. Naast de financiële regelingen om de verschillende oplossingen te bekostigen en het aanbod van Rijkszaakbegeleiding om de verschillende oplossingen te verkennen, wordt er aandacht besteed aan de bronmaatregelen die worden getroffen die bijdragen aan het aantonen van additionaliteit in het belang van het kunnen implementeren van de verschillende oplossingen binnen het programma. Daarnaast worden in de Kamerbrief Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof van 26 juni de plannen gepresenteerd waarmee vergunningverlening in Nederland wordt losgetrokken. 15

Vraag 7

In de Concept opvolger legalisatieprogramma wordt een termijn van 31 december 2030 genoemd als uiterlijke termijn voor legalisering.16

Vraag 7a

Kunt u aangeven uit welke wettelijk voorschrift volgt dat deze termijn kan worden gesteld?

Antwoord

Deze deadline komt voort uit de einddatum van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders (RPMP 2024). Alle provincies hebben een eenmalige verlenging aangevraagd om tot 31 december 2030 via deze regeling maatregelen te kunnen treffen. Op deze wijze loopt het programma gelijk met de mogelijke inzet van de maatregelen.

Vraag 7b

Kunt u aangeven of, als het bevoegd gezag niet uiterlijk per 31 december 2030 «additionaliteit» zal kunnen aantonen, dan de legalisering door vergunningverlening niet kan plaatsvinden? Als dat het geval is, hoe verdraagt zich dat dan met de wettelijke plicht tot legaliseren?

Antwoord

Gelet op de insteek van het Programma Maatwerk PAS-melder is het niet mogelijk om deze vraag in algemene zin te beantwoorden. Het is namelijk afhankelijk van welke oplossing voor een PAS-melder vanuit diens perspectief wenselijk is en ook welke oplossing als mogelijk wordt gezien. Provincies en PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van zaakbegeleiding verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Voor bepaalde oplossingen hoeft additionaliteit geen voorwaarde te zijn. Wanneer additionaliteit niet kan worden aangetoond en daarmee geen juridisch houdbare vergunning kan worden verleend, moet er worden gezocht naar een alternatieve oplossing.

Vraag 8

In de Concept opvolger legalisatieprogramma staat dat het ook kan «zijn dat een PAS-melder ervoor kiest om deel te nemen aan een beëindigingsregeling of de PAS-activiteit te staken».17

Vraag 8a

Als de PAS-melder daartoe niet kiest, maar vasthoudt aan de legaliseringsplicht, is de overheid dan juridisch vrij om van de aanvrager te verlangen dat deze voor de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten kiest?

Antwoord

De legaliseringsopdracht hoeft niet uitsluitend te worden ingevuld met een natuurvergunning voor de oorspronkelijke PAS-melding. Dat is niet de insteek van het Programma Maatwerk PAS-melder. Als er geen zicht is op depositieruimte en de PAS-melder geen ander type oplossingen verkend en blijft wachten op ruimte om diens volledige PAS-melding gelegaliseerd te krijgen, kan niet worden gegarandeerd dat het mogelijk blijft om handhaving af te houden.

Vraag 8b

Kunt u aangeven of de PAS-melder kan verlangen, met een beroep op artikel 22.21 Omgevingswet, dat hij met voorrang een vergunning krijgt boven andere aanvragers van een vergunning die afhankelijk zijn van de stikstofruimte die voor verlening beschikbaar is?

Antwoord

Afgezien van depositieruimte die in een specifieke bank voor een bepaald doel is opgenomen, beschikt het bevoegd gezag niet over «depositieruimte» om daarmee te sturen op vergunningverlening. Het Rijk kan stikstofdepositieruimte opnemen in de SSRS-bank en heeft dat ook gedaan. De PAS-melders zijn, naast woningbouw en renovatie en veiligheidsprojecten van Rijkswegen, een van de doelen van de SSRS-bank. Daarmee wordt in feite voorrang gegeven aan PAS-melders. Ook sommige provincies hebben doelenbank voor PAS-melders. Vanuit het Rijk worden provincies ook gesubsidieerd om maatregelen te treffen, zoals vrijmaken van depositieruimte, om PAS-melders te legaliseren. Zoals eerder toegelicht zijn er echter verschillende redenen waarom vrijmaken van depositieruimte niet het meest effectief is gebleken om tot een oplossing te komen. Daarom wordt nu per PAS-melder gekeken wat voor die situatie de beste oplossing is.

Vraag 8c

Kunt u een inschatting geven van de aard en de hoeveelheid van andere projecten die afhankelijk zijn van beschikbare stikstofruimte dan die van PAS-melders, welke niet voor vergunning in aanmerking komen als gevolg van de legaliseringsverplichting die voortvloeit uit artikel 22.21 Omgevingswet?

Antwoord

Een dergelijk overzicht wordt door het Rijk niet bijgehouden. In algemene zin kan worden geconstateerd dat vergunningverlening in grote delen van Nederland stilligt. In de Kamerbrief Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof van 26 juni worden de plannen gepresenteerd waarmee vergunningverlening in Nederland wordt losgetrokken.

Vraag 9

Kunt u toezeggen dat PAS-melders die bij bedrijfsbeëindiging een beroep doen op nadeelcompensatie of schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen, op eenzelfde wijze en met toepassing van dezelfde juridische regels en criteria worden behandeld als die welke in andere gevallen van nadeelcompensatie of schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen worden gehanteerd?

Antwoord

Voor het beoordelen of er sprake is van een verplichting tot schadevergoeding door de overheid hanteert de Commissie schadevergoeding PAS-melders het geldende aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht bij de beoordeling van schadeverzoeken.

Vraag 10

In de Concept opvolger legalisatieprogramma wordt gesproken over een mogelijke beëindigingsregeling of afhandeling door de Commissie Schadevergoeding PAS-melders.

Vraag 10a

Kunt u bevestigen dat als de PAS-melders niet vrijgesteld waren geweest van de vergunningplicht, er een reële kans bestond dat aan hen geen vergunning had kunnen worden verleend voor de activiteiten waarop de melding betrekking had?

Antwoord

Dat is niet in algemene zin te zeggen. Tijdens het PAS gold namelijk een andere referentie. Daardoor zijn er ook PAS-meldingen gedaan voor activiteiten die bij afwezigheid van het PAS met intern salderen hadden kunnen worden uitgevoerd. Maar er zijn ook PAS-melders die op dat moment eerst mitigerende maatregelen hadden moeten treffen voordat ze een vergunning hadden kunnen krijgen.

Vraag 10b

Kunt u bevestigen dat een PAS-melder die niet kan aantonen dat hem vergunning had moeten worden verleend wanneer hij indertijd een vergunningaanvraag had gedaan, in het algemeen geen aanspraak op schadevergoeding of nadeelcompensatie kan maken indien hij op het moment van bedrijfsbeëindiging wegens de onmogelijkheid tot legalisering zijn investeringen al heeft terugverdiend?

Antwoord

In een civiele procedure door een PAS-melder is door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigd dat het onverbindend verklaren van de PAS-regelgeving door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook tot gevolg heeft dat op grond van artikel 6:162 BW de Staat wordt verplicht tot betaling van schadevergoeding, mits aan de overige voorwaarden voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is voldaan.18 Dat betekent dat ook een vergelijking zal moeten worden gemaakt van de situatie zoals die nu is, en zoals die zou zijn geweest zonder de PAS-regelgeving. Zoals uit het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ook blijkt, kan het bijvoorbeeld zo zijn dat er sprake is van investeringsschade. De Commissie schadevergoeding PAS-melders heeft daarnaast ook meermaals geconstateerd dat bepaalde advieskosten kunnen worden gezien als schade die vergoed dient te worden door de Staat. Het hangt af van het concrete geval of er sprake is van schade is die vergoed dient te worden.


X Noot
1

De letters CN hebben alleen betrekking op 35 334.

X Noot
2

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Steenkamp (CDA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/2026, 35 334/36 755, CJ.

X Noot
4

Kamerstuk II 2025/2026, 36 755, nr. 2.

X Noot
5

Kamerstukken II 2025/2026, 36 755, nr. 20.

X Noot
6

Handelingen I 2025/2026, nr. 16, item 4, pagina 30.

X Noot
7

Concept opvolger legalisatieprogramma, pagina 4. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/2026, 35 334/36 755, CJ.

X Noot
8

Concept opvolger legalisatieprogramma, pagina 10. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/2026, 35 334/36 755, CJ.

X Noot
9

Concept opvolger legalisatieprogramma, pagina 9. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/2026, 35 334/36 755, CJ.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/2026, 35 334/36 755, CJ.

X Noot
11

Kamerstuk II 2025/2026, 36 755, nr. 2.

X Noot
12

Kamerstukken II 2025/2026, 36 755, nr. 20.

X Noot
13

Handelingen I 2025/2026, nr. 16, item 4, pagina 30.

X Noot
14

Concept opvolger legalisatieprogramma, pagina 4. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/2026, 35 334/36 755, CJ.

X Noot
15

Kamerstuk 36 800 XIV-87

X Noot
16

Concept opvolger legalisatieprogramma, pagina 10. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/2026, 35 334/36 755, CJ.

X Noot
17

Concept opvolger legalisatieprogramma, pagina 9. Bijlage bij Kamerstukken I 2025/2026, 35 334/36 755, CJ.

X Noot
18

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:364.

Naar boven