35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS

BK VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 september 2023

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 hebben kennisgenomen van de brief van de Minister voor Natuur en Stikstof van 12 juni 2023 over de voortgang van de aanpak piekbelasting2. De leden van de fractie van de PvdD hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.

Naar aanleiding hiervan is op 19 juli 2023 een brief gestuurd aan de Minister voor Natuur en Stikstof.

De Minister heeft op 14 september 2023 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister voor Natuur en Stikstof

Den Haag, 14 september 2023

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 12 juni 2023 over de voortgang van de aanpak piekbelasting3. De leden van de fractie van de PvdD hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdD-fractie lezen in uw brief dat de verwachting is dat het gebruik van de beëindigingsregeling ertoe zal leiden dat er «ruimte ontstaat om in toenemende mate vergunningen te verlenen».

In het advies «Wat wel kan»4 wijst Remkes erop dat door het gebrek aan stikstofruimte dreigt dat het land op slot gaat: niet alleen vergunningen voor agrarische bedrijven maar ook die voor woningbouw, infrastructurele maatregelen, industriële ondernemingen en andere maatschappelijke activiteiten (zoals verkeer) zouden niet meer kunnen worden verleend.

Deze leden vragen wie volgens u de gedupeerde ondernemers zijn: agrarische ondernemers, industriële ondernemers, ondernemers in de woningbouw en -verhuur, ondernemers in de wegenbouw. Welke andere categorieën ondernemers behoren volgens u tot de gedupeerden?

Vindt u dat bepaalde categorieën ondernemers voorrang zouden moeten krijgen? Zo ja, waarom?

Worden bepaalde categorieën meer gedupeerd dan andere?

Hoe oordeelt u over het verwijt dat de agrarische ondernemers worden «voorgetrokken»?

Deelt u de opvatting van de leden van de PvdD-fractie dat gewone burgers (woningzoekenden, verkeersdeelnemers, natuurliefhebbers enz.) evenveel recht op bescherming van hun belangen hebben als agrarische ondernemers?

Deze leden vragen hoe u oordeelt over het verwijt dat woningzoekenden, verkeersdeelnemers en andere ondernemers dan de agrarische ondernemers op dit moment worden gegijzeld door agro-lobby die weigert in te stemmen met een substantiële vermindering van het aantal agrarische bedrijven die verantwoordelijk zijn voor een forse bijdrage aan de stikstofproblematiek.

U schrijft dat vrijgekomen stikstofruimte primair benut zal worden voor legalisering van zogeheten PAS-melders.

De leden van de PvdD-fractie vragen u of het klopt dat die legalisering meebrengt dat meer stikstof zal worden geproduceerd dan als de uitbreiding van het bedrijf waarop die legalisering betrekking heeft, niet zou hebben plaatsgevonden.

Deze leden vragen u voorts of het klopt dat die legalisering en de daarmee gepaard gaande benutting van vrije stikstofruimte meebrengt dat woningbouw langer op slot zal zijn, dan als de stikstofruimte voor woningbouw zou worden benut. Zo ja, waarom acht u de belangen van agrarische ondernemers van meer gewicht dan die van woningzoekenden?

Zij vragen u of er andere wegen openstaan om de zogeheten PAS-melders – wanneer zij daar recht op hebben – te compenseren indien het niet-legaliseren zou leiden tot vermindering van de bedrijfsomvang. Zo nee, hoe komt u tot dat oordeel? Zo ja, waarom wordt vrijgekomen stikstofruimte dan primair aangewend voor het legaliseren van zogeheten PAS-melders?

De leden van de PvdD-fractie vragen u of het beginsel «de vervuiler betaalt» ook geldt voor agrarische ondernemingen die stikstofuitstoot produceren. Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wordt dat beginsel toegepast bij de regulering van de hoeveelheid stikstofuitstoot en de wijze waarop dat plaatsvindt?

Blijkens uw brief wordt ook ingezet op subsidieregelingen teneinde een vrijwillige reductie van stikstofuitstoot te bereiken.

Deze leden vragen u hoe dat zich verdraagt met het beginsel «de vervuiler betaalt».

Voorts vragen zij u of er sprake is van toepassing van het uitgangspunt «de vervuiler wordt betaald» indien een piekbelaster 120% van de waarde van zijn bedrijf vergoed krijgt bij bedrijfsbeëindiging. Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verdraagt zich dat met de fundamentele beginselen van het Nederlandse milieurecht?

De wettelijke regelingen op grond waarvan voor agrarische bedrijven vergunningen worden verleend, omvatten alle de bevoegdheid om de vergunning te wijzigen of in te trekken bij gewijzigde omstandigheden of inzichten als die daartoe nopen. In de media en in de parlementaire discussie wordt steeds gesproken over eventuele onteigening, aldus de leden van de PvdD-fractie. Zij vragen of u het met deze leden eens bent dat intrekking van vergunningen – eventueel met toepassing van nadeelcompensatie – juridisch tot de mogelijkheden behoort. Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt door u niet op die mogelijkheid gewezen?

De regelingen die betrekking hebben op nadeelcompensatie gaan er alle vanuit dat een deel van de schade die het gevolg kan zijn van de intrekking van een vergunning, voor risico van de ondernemer is. De leden van de PvdD-fractie vragen u of zij het goed zien dat dit dus meebrengt dat in zo’n geval nooit 100%, laat staan 120% van de waarde van het bedrijf voor vergoeding in aanmerking komt. Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dit niet met de bevolking en met de Kamer gedeeld?

Volgens uw brief wordt ook ingezet op subsidiëring van investeringen in brongericht emissiearme stalsystemen en technieken. Deze leden leiden uit de uitspraken die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 september 20225 heeft gedaan af dat de beloftes die stallenbouwers van zogeheten emissiearme stallen deden, in de praktijk niet zo blijken uit te werken.

Wat zijn hiervan de gevolgen voor de vergunningverlening?

In hoeverre wordt bij de subsidiemaatregelen rekening gehouden met het feit dat het helemaal niet zeker is dat emissiearme stalsystemen werken?

Ziet u aanleiding om na te gaan of de stallenbouwers de agrarische ondernemers een werking hebben voorgehouden die in de realiteit niet aan de orde was, zodat deze ondernemers bij de aankoop van het systeem zijn misleid?

Mocht blijken dat zij misleid werden, voor wiens risico komt dan de schade die daarvan het gevolg is?

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 1 september 2023.

Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR NATUUR EN STIKSTOF

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 september 2023

Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen die de leden van de fractie van de PvdD op 19 juli jongstleden hebben ingediend met kenmerk 172117.01U inzake de aanpak piekbelasting. Hierbij stuur ik u de antwoorden op de gestelde vragen.

De Minister voor Natuur en Stikstof, Ch. van der Wal-Zeggelink

172117.01U

De leden van de PvdD-fractie lezen in uw brief dat de verwachting is dat het gebruik van de beëindigingsregeling ertoe zal leiden dat er «ruimte ontstaat om in toenemende mate vergunningen te verlenen».

In het advies «Wat wel kan» wijst Remkes erop dat door het gebrek aan stikstofruimte dreigt dat het land op slot gaat: niet alleen vergunningen voor agrarische bedrijven maar ook die voor woningbouw, infrastructurele maatregelen, industriële ondernemingen en andere maatschappelijke activiteiten (zoals verkeer) zouden niet meer kunnen worden verleend.

1

Deze leden vragen wie volgens u de gedupeerde ondernemers zijn: agrarische ondernemers, industriële ondernemers, ondernemers in de woningbouw en -verhuur, ondernemers in de wegenbouw. Welke andere categorieën ondernemers behoren volgens u tot de gedupeerden?

Antwoord

Nederland staat voor de grote uitdaging om de natuur de kans te geven om te herstellen. Om die reden is vergunningverlening in veel gevallen niet zomaar mogelijk. We streven naar een nieuwe balans waarbij de natuur in goede staat is en urgente maatschappelijke en economische activiteiten plaats kunnen vinden. Om die balans te bereiken, is de transitie nodig die nu is ingezet. Daarbij vragen we alle partijen die voor stikstofdepositie zorgen om deel uit te maken van de oplossing en een bijdrage te leveren.

2

Vindt u dat bepaalde categorieën ondernemers voorrang zouden moeten krijgen? Zo ja, waarom? Worden bepaalde categorieën meer gedupeerd dan andere? Hoe oordeelt u over het verwijt dat de agrarische ondernemers worden «voorgetrokken»?

Antwoord

Zoals in de beantwoording van de voorgaande vraag is toegelicht, vindt het kabinet het belangrijk dat de belangen van de natuur in balans worden gebracht met economische en maatschappelijke activiteiten. Vanwege het grote belang dat aan het legaliseren van PAS-meldingen, woningbouw, en renovatie- en veiligheidsprojecten bij rijkswegen wordt gehecht, heeft het kabinet besloten om de eerst inzetbare stikstofruimte uit de landelijke maatregelen, waar dat mogelijk is gelet op de lokale staat van de natuur, voor deze doelen in te zetten.

3

Deelt u de opvatting van de leden van de PvdD-fractie dat gewone burgers (woningzoekenden, verkeersdeelnemers, natuurliefhebbers enz.) evenveel recht op bescherming van hun belangen hebben als agrarische ondernemers?

Antwoord

Ja.

4

Deze leden vragen hoe u oordeelt over het verwijt dat woningzoekenden, verkeersdeelnemers en andere ondernemers dan de agrarische ondernemers op dit moment worden gegijzeld door agrolobby die weigert in te stemmen met een substantiële vermindering van het aantal agrarische bedrijven die verantwoordelijk zijn voor een forse bijdrage aan de stikstofproblematiek.

Antwoord

Het oplossen van de stikstofproblematiek vraagt om een inspanning van veel partijen. Het kabinet hecht groot belang aan een evenwichtige bijdrage van alle sectoren aan de reductie van stikstofemissie. Langs verschillende sporen en in samenwerking met betrokken sectoren wordt er gewerkt aan deze opgave.

5

U schrijft dat vrijgekomen stikstofruimte primair benut zal worden voor legalisering van zogeheten PAS-melders.

De leden van de PvdD-fractie vragen u of het klopt dat die legalisering meebrengt dat meer stikstof zal worden geproduceerd dan als de uitbreiding van het bedrijf waarop die legalisering betrekking heeft, niet zou hebben plaatsgevonden.

Antwoord

Voor het legaliseren van PAS-meldingen is het nodig dat bronmaatregelen worden getroffen. Het effect van die maatregelen kan in beginsel gedeeltelijk worden ingezet om PAS-meldingen mee te legaliseren. De depositie van PAS-meldingen is op dit moment al aanwezig en dit verandert niet na legalisatie. Na het legaliseren – via het verminderen van depositie door het nemen van bronmaatregelen – is er uiteindelijk dus sprake is van minder feitelijke depositie op de natuur.

6

Deze leden vragen u voorts of het klopt dat die legalisering en de daarmee gepaard gaande benutting van vrije stikstofruimte meebrengt dat woningbouw langer op slot zal zijn, dan als de stikstofruimte voor woningbouw zou worden benut. Zo ja, waarom acht u de belangen van agrarische ondernemers van meer gewicht dan die van woningzoekenden?

Antwoord

Over het gebruik van vrijkomende stikstofdepositieruimte zijn afspraken gemaakt in het kabinet. Voor de PAS-melders geldt dat zij als prioritair zijn aangemerkt voor het gebruik van die ruimte in het stikstofregistratiesysteem, onder meer vanwege het feit dat de PAS-melders buiten hun schuld geen toestemming hebben en nu in grote rechtszonzekerheid verkeren. Dat is het gevolg van overheidshandelen en dat moet worden gerepareerd. De hoeveelheid stikstofdepositieruimte die de PAS-melders nodig hebben voor legalisatie is overigens beperkt. Immers: om te kunnen volstaan met een PAS-melding was de maximale depositiehoeveelheid 1 mol stikstof per hectare per jaar. Het is te verwachten dat de stikstofruimte die door de bronmaatregelen van het Rijk beschikbaar komt, ook ingezet kan worden voor PAS-melders. PAS-meldingen zijn gedaan voor activiteiten in verschillende sectoren: naast de agrarische sector betreft dat onder meer de sectoren mobiliteit en industrie.

7

Zij vragen u of er andere wegen openstaan om de zogeheten PAS-melders – wanneer zij daar recht op hebben – te compenseren indien het niet-legaliseren zou leiden tot vermindering van de bedrijfsomvang. Zo nee, hoe komt u tot dat oordeel? Zo ja, waarom wordt vrijgekomen stikstofruimte dan

primair aangewend voor het legaliseren van zogeheten PAS-melders?

Antwoord

Wettelijk is vastgelegd dat de PAS-melders gelegaliseerd moeten worden.1 Het kabinet voelt de zware verantwoordelijkheid om dat zo spoedig mogelijk te realiseren. Om PAS-meldingen te kunnen legaliseren, is het in het algemeen nodig om de effecten van deze projecten met stikstofdepositieruimte te mitigeren. Alleen dan is in de praktijk te onderbouwen dat er geen significant negatieve effecten op de natuur zijn.

8

De leden van de PvdD-fractie vragen u of het beginsel «de vervuiler betaalt» ook geldt voor agrarische ondernemingen die stikstofuitstoot produceren. Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wordt dat beginsel toegepast bij de regulering van de hoeveelheid stikstofuitstoot en de wijze waarop dat plaatsvindt?

Antwoord

Het recent verschenen Algemene Bestuursdienst (ABD)-rapport «Normeren en beprijzen stikstof» reikt verschillende opties aan waarmee stikstofuitstoot kan worden beprijsd en waarmee de mate van stikstofuitstoot zou kunnen worden gebruikt als grondslag voor een heffing of aan een rechtenstelsel kan worden onderworpen. De inzichten uit dit rapport worden meegenomen bij toekomstige beleidsvorming op het terrein van het terugdringen van (overmatige) stikstofemissies en -deposities.

9

Blijkens uw brief wordt ook ingezet op subsidieregelingen teneinde een vrijwillige reductie van stikstofuitstoot te bereiken. Deze leden vragen u hoe dat zich verdraagt met het beginsel «de vervuiler betaalt». Voorts vragen zij u of er sprake is van toepassing van het uitgangspunt «de vervuiler wordt betaald» indien een piekbelaster 120% van de waarde van zijn bedrijf vergoed krijgt bij bedrijfsbeëindiging. Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verdraagt zich dat met de fundamentele beginselen van het Nederlandse milieurecht?

Antwoord

Het is van belang om zo snel mogelijk de stikstofuitstoot fors te reduceren. Dat doen we onder andere met de aanpak piekbelasting; daarmee realiseren we op korte termijn een forse reductie in de stikstofdepositie. De ondernemers die in aanmerking komen voor de Lbv-plus, zijn niet verplicht om te stoppen. Zij kunnen vrijwillig meedoen en dragen zo bij aan het vinden van een oplossing voor de stikstofproblematiek. Ik vind het gepast om daar een ruime vergoeding tegenover te zetten. Daarom heb ik ook de ruimte gebruikt die de Europese staatssteunkaders bieden als het gaat om het sluiten van productiecapaciteit om redenen van milieu, te weten een vergoeding van 120% van het waardeverlies van de stallen.

10

De wettelijke regelingen op grond waarvan voor agrarische bedrijven vergunningen worden verleend, omvatten alle de bevoegdheid om de vergunning te wijzigen of in te trekken bij gewijzigde omstandigheden of inzichten als die daartoe nopen. In de media en in de parlementaire discussie wordt steeds gesproken over eventuele onteigening, aldus de leden van de PvdD-fractie. Zij vragen of u het met deze leden eens bent dat intrekking van vergunningen – eventueel met toepassing van nadeelcompensatie – juridisch tot de mogelijkheden behoort. Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt door u niet op die mogelijkheid gewezen?

Antwoord

Het is juridisch mogelijk dat een bevoegd gezag (al dan niet verplicht) besluit tot het intrekken of inperken van een natuurvergunning of tot een aanschrijving voor activiteiten die niet vergunningplichtig zijn omdat ze al bestonden op het moment dat de vergunningplicht kwam te gelden. Deze instrumenten kunnen, gelet op hun wettelijke grondslag7, alleen worden ingezet met als doel om verslechtering van de kwaliteit van een Natura 2000-gebied te voorkomen. Deze bevoegdheden zijn gekoppeld aan de verplichting die lidstaten op grond van artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn hebben om passende maatregelen te treffen om in Natura 2000-gebieden verslechtering van habitats en significante verstoring van soorten te voorkomen. Het gaat dan om habitats en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden.

Uit de Logtsebaan-uitspraak van de Raad van State8 volgt dat het intrekken/beperken van natuurvergunningen door het bevoegd gezag9 onder bepaalde omstandigheden een verplichting kan zijn wanneer dat een essentiële maatregel is waarzonder (op de kortere of langere termijn) het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van het Natura 2000-gebied niet verzekerd is.

Ik span mij er ten volste voor in om te voorkomen dat het nodig is dit instrument, dat enorm ingrijpend is voor individuele ondernemingen, in te zetten. Inzet is en blijft om zo veel als mogelijk van de opgave op vrijwillige basis te realiseren. In dat kader blijft het evenwel ook van belang dat minder ingrijpende alternatieven ook als stok achter de deur nader worden onderzocht. Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangegeven, reikt het recent verschenen ABD-rapport «Normeren en beprijzen stikstof» bijvoorbeeld verschillende opties aan waarmee stikstofuitstoot kan worden beprijsd en waarmee de mate van stikstofuitstoot zou kunnen worden gebruikt als grondslag voor een heffing of aan een rechtenstelsel kan worden onderworpen. De inzichten uit dit rapport worden meegenomen bij toekomstige beleidsvorming op het terrein van het terugdringen van (overmatige) stikstofemissies en -deposities.

11

De regelingen die betrekking hebben op nadeelcompensatie gaan er alle vanuit dat een deel van de schade die het gevolg kan zijn van de intrekking van een vergunning, voor risico van de ondernemer is. De leden van de PvdD-fractie vragen u of zij het goed zien dat dit dus meebrengt dat in zo’n geval nooit 100%, laat staan 120% van de waarde van het bedrijf voor vergoeding in aanmerking komt. Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dit niet met de bevolking en met de Kamer gedeeld?

Antwoord

In het geval van het intrekken van een vergunning door een bevoegd gezag zal inderdaad de vergunninghouder in de regel aanspraak kunnen maken op nadeelcompensatie. Het gaat dan om nadeel voor zover dat onevenredig is in vergelijking met de lasten die andere ondernemers hebben te dragen («buitensporige last»). Dit moet per geval worden beoordeeld.

Daarbij is alle schade die een direct gevolg is van het besluit relevant, onder meer inkomensschade en waardevermindering van bijvoorbeeld bedrijfsopstallen, maar ook door de belanghebbende te maken extra kosten, zoals de inschakeling van deskundigen. Welk deel van deze schade voor vergoeding in aanmerking komt, wordt vervolgens bepaald door de omvang van het normaal maatschappelijk (of ondernemers) risico. De omvang van dit normaal maatschappelijk risico is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waarbij bijvoorbeeld de voorzienbaarheid van de maatregel, de ernst van de ingreep en de ernst van de schade een rol kunnen spelen.

Nadeelcompensatie heeft een andere grondslag en wordt op een andere wijze bepaald dan een subsidie, zoals bijvoorbeeld wordt verstrekt voor het sluiten van een veehouderijlocatie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). De Lbv-plus voorziet in een subsidie voor het in te leveren productierecht (100% van de marktwaarde), voor het waardeverlies van de stallen die uit gebruik worden genomen (120% van een forfaitair bepaalde gecorrigeerde vervangingswaarde) en voor sloopkosten (een forfaitair bedrag per oppervlakte van de stallen). Het is niet generiek vast te stellen of eventuele nadeelcompensatie bij het intrekken van een vergunning hoger of lager uitvalt dan de subsidie waarvoor een veehouder onder de Lbv-plus in aanmerking komt. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval.

12

Volgens uw brief wordt ook ingezet op subsidiëring van investeringen in brongericht emissiearme stalsystemen en technieken. Deze leden leiden uit de uitspraken die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 september 2022 heeft gedaan af dat de beloftes die stallenbouwers van zogeheten emissiearme stallen deden, in de praktijk niet zo blijken uit te werken.

Wat zijn hiervan de gevolgen voor de vergunningverlening?

Antwoord

Het kabinet heeft in de Kamerbrief van 25 november 202210 geconcludeerd dat het verlenen van een natuurvergunning, waarbij sprake is van een emissiearm stalsysteem, slechts onder striktere voorwaarden mogelijk is. Dit kan als daarbij een passende beoordeling wordt gemaakt waaruit blijkt dat de gevraagde activiteit geen significant negatieve effecten teweegbrengt op beschermde natuurgebieden. Om de ondernemer daarbij te ondersteunen, wordt een handreiking opgesteld om op een juridisch houdbare manier om te kunnen schakelen naar een emissiearm stalsysteem. Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan het verkrijgen van meer zekerheid over de stikstofreductie door technische innovaties op stalniveau. Daarvoor is onderzoek uitgezet naar het hanteren van een onzekerheidsfactor die gehanteerd kan worden bij de berekening van de stalemissie. Tevens is er onderzoek uitgezet naar het stellen van aanvullende voorwaarden die opgenomen kunnen worden in natuurvergunningen en die bijdragen aan een betere toepassing van emissiearme stalsystemen in de praktijk.

13

In hoeverre wordt bij de subsidiemaatregelen rekening gehouden met het feit dat het helemaal niet zeker is dat emissiearme stalsystemen werken?

Antwoord

In de Kamerbrief van 12 juni 202311 heeft de Minister voor Natuur en Stikstof aangegeven dat de Sbv-investeringsmodule onderdeel wordt van het innovatiespoor in de aanpak piekbelasting. Bij het opstellen van de lijst met subsidiabele technieken wordt rekening gehouden met de effectiviteit van emissiearme stalsystemen in de praktijk. Dat kan dus betekenen dat slechts een beperkt aantal technieken subsidiabel wordt gesteld in de aangekondigde openstelling. Daarnaast wordt rekening gehouden met de door de Tweede Kamer aangenomen moties over dierenwelzijn en brandveiligheid. Bezien wordt of aanvullende voorwaarden gesteld kunnen worden in de regeling. Verder geldt ten algemene sinds 25 november 202212 dat een natuurvergunning nodig is voor het gebruik van emissiearme stalsystemen, zoals hierboven ook is aangegeven. In een brief aan de Tweede Kamer van 25 november 202213 gaf de Minister van LNV al aan dat het niet logisch is om investeringen in systemen te stimuleren zolang er nog geen duidelijkheid is over hoe Wnb-vergunningen juridisch houdbaar gemaakt kunnen worden bij gebruik van emissiearme stalsystemen. Daarom zetten we er vol op in hierover tijdig helderheid te verkrijgen.

14

Ziet u aanleiding om na te gaan of de stallenbouwers de agrarische ondernemers een werking hebben voorgehouden die in de realiteit niet aan de orde was, zodat deze ondernemers bij de aankoop van het systeem zijn misleid? Mocht blijken dat zij misleid werden, voor wiens risico komt dan de schade die daarvan het gevolg is?

Antwoord

Nee, ik zie daartoe geen aanleiding. Uit het WUR-rapport «Verbetering van effectiviteit emissiearme stalsystemen in de praktijk» komt naar voren dat het nodige mis is met de effectiviteit van emissiearme stalsystemen in de praktijk. Dit heeft betrekking op zowel het ontwerp, de beoordeling en het gebruik van deze stalsystemen. Op basis van het onderzoek kan niet geduid worden hoe groot de geconstateerde problemen zijn en wat het effect daarvan is. In dit rapport wordt geconcludeerd dat er forse verbeteringen nodig en mogelijk zijn binnen het systeem van ontwerp, beoordeling en gebruik van emissiearme stalsystemen en de totstandkoming van de Rav-factoren. Het rapport bevat daartoe aanbevelingen.

Overigens hecht ik er aan te melden dat het de Staatssecretaris van IenW is die, in overeenstemming met de Minister van LNV, de emissiefactoren vaststelt in de Regeling ammoniak en veehouderij door middel van wijziging van bijlage 1 bij de Rav.


X Noot
1

Samenstelling:

Kroon (BBB), Oplaat (BBB) (voorzitter), Kemperman (BBB), Jaspers (BBB), Van Knapen (BBB), Kluit (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Van Ballekom (VVD), Meijer (VVD), Klip-Martin (VVD), Rietkerk (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Van Meenen (D66), Faber-Van de Klashorst (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (Ja21), Janssen (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)

X Noot
2

Kamerstukken I, 2022–2023, 35 334, BG

X Noot
3

Kamerstukken I, 2022–2023, 35 334, BG

X Noot
4

Wat wel kan – Uit de impasse en een aanzet voor perspectief. Johan Remkes (d.d. 5 oktober 2022)

X Noot
5

202106900/1, 202106908/1 en 202106915/1

X Noot
1

Artikel 1.13a van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering

X Noot
7

Intrekken vergunning: artikel 5.4 lid 2 Wet natuurbescherming, onder de Omgevingswet artikel 8.103 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Aanschrijving: artikel 2.4 Wet natuurbescherming, onder de Omgevingswet wordt de aanschrijving een «maatwerkvoorschrift» op grond van artikel 11.9 in samenhang met artikel 11.6 Besluit activiteiten leefomgeving.

X Noot
8

Uitspraak 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71).

X Noot
9

Meestal gedeputeerde staten van de provincie, bij sommige projecten van nationaal belang de Minister voor Natuur en Stikstof.

X Noot
10

Eerste Kamer, Vergaderjaar 2022–2023, 30 252/33 576/35 334, G

X Noot
11

Eerste Kamer, Vergaderjaar 2022–2023, 35 334, BG

X Noot
12

Eerste Kamer, Vergaderjaar 2022–2023, 30 252/33 576/35 334, G

X Noot
13

Kamerstuk 29 383, nr. 386

Naar boven