Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot
het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
Inleiding
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van
de Gaswet betreffende het beperken van de vraag naar laagcalorisch gas van grootafnemers.
Zij hebben daarbij enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele
vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de CDA-fractie steunen de ambitie om gaswinning uit het Groningenveld
snel af te bouwen en daarmee de veiligheid van de Groningers beter te borgen.
Bedrijven kunnen daar een belangrijke bijdrage aan leveren. Bedrijven hebben aangegeven
onder voorwaarden in te stemmen met het zoeken naar een alternatief voor het gebruik
van laagcalorisch gas. Op dit moment zijn afspraken gemaakt met negen grootverbruikers.
Het is deze leden niet duidelijk wat de laatste stand van zaken hiervan is. Zijn de
bedrijven inmiddels akkoord met de aangekondigde nadeelcompensatie? Ook zijn deze
leden benieuwd wat deze vorm van compensatie betekent voor andere bedrijven die op
termijn ook willen of moeten afschakelen. Komen ook zij in het kader van rechtsgelijkheid
en/of met het oog op mededingingsaspecten in beeld voor een compensatieregeling? Is
de regeling «Brusselproof»?
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het gegeven dat de negen bedrijven
bereid zijn fors te investeren om het gebruik van laagcalorisch gas af te bouwen.
Wat zijn de mogelijke gevolgen van de stikstofcrisis (procedureel) en de huidige coronacrisis
(financieel-economisch) voor de substantiële investeringen die de bedrijven binnen
twee jaar moeten realiseren? Willen en kunnen deze bedrijven de toezeggingen nog gestand
doen?
Ten slotte vragen deze leden of de regering nader kan ingaan op exportverplichtingen
die Nederland heeft ten aanzien van laagcalorisch gas. Hoe worden deze verplichtingen
afgebouwd en wat zijn de mogelijke (financiële) gevolgen van de afbouw?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de meeste van de negen grote afnemers
het laagcalorisch gas gebruiken als brandstof en dat de omschakelingskosten dan relatief
beperkt zijn. In ieder geval een van de afnemers gebruikt de stikstofcomponent in
het gas als grondstof. Omschakeling is in dat geval relatief duur. De leden van de
SGP-fractie vragen zich af waarom de regering niet kiest voor een uitzonderingspositie
of voor maatwerk voor deze afnemer.
De regering wil een generiek verbod en daarbij ook de afnemers die veel kosten maken
financieel compenseren. De leden van de SGP-fractie zetten vraagtekens bij de noodzaak
en de wenselijkheid hiervan. De compensatie kost tientallen miljoenen euro’s. Deelt
de regering de mening van deze leden dat dit geld beter besteed kan worden aan verduurzaming
van de energievoorziening?
De regering geeft aan dat een generiek verbod nodig is om ook zonder Gronings gas
de leveringszekerheid te garanderen. De leden van de SGP-fractie constateren op basis
van analyses van GTS en GasTerra dat alleen in extreme scenario’s ook de laatste grote
afnemer afgeschakeld zou moeten worden van het laagcalorisch gas. Dat biedt in de
ogen van deze leden ruimte voor maatwerk, waarbij de genoemde grote afnemer laagcalorisch
gas (pseudo-Groningengas) kan blijven afnemen, maar verplicht terug moet schakelen
als de nood aan de man komt. Dat bespaart het Rijk miljoenen euro’s, geeft het betreffende
bedrijf meer perspectief en is beter voor het klimaat in verband met de gunstigere
CO2-efficientie van laagcalorisch gas als stikstofgrondstof ten opzichte van hoogcalorisch
gas. Is de regering bereid dit maatwerk te bieden?
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet
en ontvangen deze graag uiterlijk 8 mei 2020.
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit, N.J.J. van Kesteren
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit, De Boer