1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze
leden hechten waarde aan een degelijke informatievoorziening op basis waarvan (aankomende)
studenten hun studiekeuze kunnen bepalen. Echter, de aan het woord zijnde leden hebben
enkele vragen over de proportionaliteit en de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel.
De leden van de fractie van D66 nemen met belangstelling kennis van het wetsvoorstel. Zij hebben nog een aantal vragen.
De leden van de PvdA-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de GroenLinks-fractie.
De leden van de SP-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de fracties van GroenLinks
en D66.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de GroenLinks-fractie stellen de volgende vragen. Wat betekent het voorliggende wetsvoorstel voor
de rol die de overheid heeft als het gaat om het toewijzen en opvragen van persoonsgegevens?
Welke kaders hebben geleid tot het wettelijk vaststellen van de uitwisseling van persoonsgegevens
voor de Minister? Zijn er naast het wettelijk vastleggen ook andere beleidsmaatregelen
onderzocht die hetzelfde doel zouden bereiken? Op grond waarvan mogen onderwijsinstellingen
gedwongen worden om persoonsgegevens aan een private partij te verstrekken? Heeft
hier interferentie over plaatsgevonden met de Wet register onderwijsdeelnemers? Kan
een student, bijvoorbeeld bij de inschrijving voor een opleiding, toestemming verlenen
voor het delen van de persoonsgegevens, zoals de student ook de keuze heeft om de
resultaten te delen met de instelling om de kwaliteitszorg van de opleiding en de
instelling te verbeteren?
Wat zal het uitgangspunt worden voor de algemene maatregel van bestuur, studenttevredenheid
en studentenbetrokkenheid of kwaliteitszorg? Hoe verhouden deze twee doeleinden zich
tot elkaar? Hoe wordt beschermd dat de persoonsgegevens alleen gebruikt zullen worden
voor het doel van dit wetsvoorstel, het verzamelen en verspreiden van studiekeuze-informatie?
Het wetsvoorstel biedt de Minister de mogelijkheid om te interveniëren wanneer de
rechtspersoon zijn publieke taak verwaarloost. Welke mogelijkheid biedt het wetsvoorstel
aan de Minister om te interveniëren wanneer enkele onderwijsinstellingen net als afgelopen
jaar geen gegevens aanleveren? Wat maakt dit wetsvoorstel de oplossing om de voorgaande
situatie, waarbij onderwijsinstellingen niet deelnamen aan de Nationale Studenten
Enquête (NSE), te voorkomen?
In het wetsvoorstel wordt gesproken over een samenwerking tussen vertegenwoordigers
van onderwijsinstellingen, studenten en het ministerie. Voor aankomende studenten
zal de studiekeuze-informatie een belangrijke informatiebron zijn in de afwegingen
welke studie zij willen volgen. Hebben vertegenwoordigers van aankomende studenten,
het LAKS, ook een rol in het selecteren en optimaliseren van de studiekeuze-informatie?
Zo ja, hoe verhoudt deze zich tot andere vertegenwoordigers en waarom is er in dit
geval voor gekozen deze niet wettelijk vast te leggen? Zo nee, waarom is er in de
samenwerking niet voor gekozen om vertegenwoordigers van aankomende studenten te betrekken?
De leden van de fractie van D66 constateren dat er kennelijk is gebleken dat er in de bestaande praktijk tekortkomingen
zijn. Er leeft bij hen echter wel een vraag over de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel.
Wat is de reden dat de regering tot deze stap is overgegaan? Is de reden dat in het
onderwijsdomein is gebleken dat instellingen tekortschieten in hun informatievoorziening
als gevolg van het gemis van een kwaliteitsstandaard? Of omdat zij de kosten te hoog
vinden of zij om andere redenen in het domein van bestuurlijke kosten en baten een
andere afweging hebben gemaakt? Is de compatibiliteit met de privacywetgeving voldoende
in kaart gebracht en zijn daarbij de juiste afwegingen gemaakt? Is het de regering
bekend dat er uitvoeringsproblemen zijn geweest waar instellingen mee te maken hebben
gehad? Kunnen die hebben geleid tot het afzien van de idealiter gewenste informatievoorziening?
Ligt dit in het wetenschappelijk onderwijs anders dan in het hoger beroepsonderwijs?
Gesteld dat er sprake was van uitvoeringsproblematiek, is er thans voldoende waarborg
dat parallel met de verplichtstelling de facilitering straks bij de invoeringsdatum
op orde is? Zo ja waaruit blijkt dat? Is hierover met de betrokken instellingen of
hun vertegenwoordigers afrondend overleg gevoerd?
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet de memorie van antwoord
met belangstelling tegemoet en ontvangt deze graag binnen vier weken na vaststelling van dit voorlopig verslag.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bikker
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bergman