De memorie van antwoord geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende
nadere opmerkingen en het stellen van de volgende nadere vragen.
1. Inleiding
De leden van de fractie van de VVD hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord2. Graag stellen zij de volgende nadere vragen.
2. Openbaar maken vergrijpboeten opgelegd aan medeplegers die beroeps-of bedrijfsmatig
bijstand verleenden
De leden van de fractie van de VVD lezen dat in de memorie van antwoord herhaaldelijk wordt aangegeven dat het beroep
van belastingadviseur geen eenduidige omschrijving kent en niet beschermd is3. Wordt het niet tijd om het beroep van belastingadviseur wettelijk te beschermen? Welke voor- en nadelen ziet de regering van het invoeren van wettelijke bescherming?
3. Aanpassen definitie vaste inrichting in het kader van het MLI
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering in de memorie van antwoord schrijft dat «De strekking van het amendement [Lodders-Slootweg] is dat er een effectieve vorm van
geschilbeslechting dient te zijn tussen Nederland en haar verdragspartners indien
sprake is van onduidelijkheid over de definitie van het begrip vaste inrichting of
de winsttoerekening. Het voorbehoud heeft geen gevolgen voor het onderhavige wetsvoorstel,
aangezien de voorgenomen wijzigingen van de definitie van het begrip vaste inrichting
in niet-verdragssituaties enkel zien op toepassing van de nationale wetgeving
4.»
Hoewel het wetgevingstechnisch juist is dat het amendement Lodders-Slootweg geen gevolgen
heeft voor het onderhavige wetsvoorstel, miskent de regering de strekking van de vraag.
In dit kader hebben de leden van de VVD-fractie de volgende vervolgvragen:
Is de regering het met deze leden eens dat sprake kan zijn van een verschil in de
toepassing van het begrip vaste inrichting in niet-verdragssituaties door Nederland
en een andere staat, waardoor dubbele belastingheffing kan ontstaan? Is de regering
het met de leden van de fractie van de VVD eens dat het verschil van toepassing van
het begrip vaste inrichting in niet-verdragssituaties kan leiden tot dubbele belastingheffing?
Is de regering het met de fractie van de VVD eens dat dubbele belastingheffing onwenselijk
is? Kan de regering aangeven hoeveel Nederlandse verdragen na inwerkingtreding van
het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde
maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (MLI) wel
en niet een bepaling hebben met een gelijke strekking als het voorgestelde artikel
3, achtste lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969),
uiteraard niettegenstaande dat belastingverdragen slechts heffingsrechten toewijzen
en niet creëren?
Kan de regering, gezien het waarschijnlijk beperkte aantal belastingverdragen die
na inwerkingtreding van het MLI een bepaling met een gelijke strekking als het voorgestelde
artikel 3, achtste lid, van de Wet Vpb 1969 bevatten, aangeven waarom aansluiting
is gezocht bij het OESO-Modelverdrag. Dit gezien het feit dat het OESO-Modelverdrag, slechts is bedoeld «(...)
om als uitgangspunt te dienen bij het onderhandelen van belastingverdragen5»?
Is de regering het met de leden van de fractie van de VVD eens dat het opnemen in
de wet van het voorgestelde artikel 3, achtste lid, van de Wet Vpb 1969 bij (potentiële)
verdragspartners de indruk kan wekken dat Nederland achter een met artikel 12 van
het MLI vergelijkbare bepaling zonder effectief geschilbeslechtingsmechanisme staat?
Kan de regering het risico op dubbele belastingheffing en het potentiële effect op
verdragsonderhandelingen meenemen bij de beantwoording van de vraag waarom artikel
3, achtste lid, van de Wet Vpb 1969 toch is voorgesteld?
4. Verstrekking van de identificerende gegevens door financiële ondernemingen
Is de regering bereid om de administratieve lasten die veroorzaakt worden door de
bij algemene maatregel van bestuur voor te schrijven verstrekking van de identificerende
gegevens door financiële ondernemingen in kaart te brengen, nu er geen effectiviteitstoets
is gedaan, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
De leden van de commissie zien de beantwoording van voorgaande vragen met belangstelling
tegemoet. Zij verzoeken de regering de nota naar aanleiding van het verslag uiterlijk
vrijdag 6 december 2019 aan de Eerste Kamer toe te zenden. Onder voorbehoud van tijdige
beantwoording achten zij de wetsvoorstellen gereed voor plenaire behandeling op 9 en 10 december
2019.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Frentrop
De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren