Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035302 nr. 14

35 302 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2020)

Nr. 14 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 22 oktober 2019

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel XII, onderdeel F, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het voorgestelde artikel 15bd, eerste lid, onderdeel a, wordt toegevoegd «of uit een deposito als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een naar aard en strekking daarmee vergelijkbaar deposito volgens het recht van een andere staat».

2. In het voorgestelde artikel 15be, eerste lid, wordt na de tweede zin een zin ingevoegd, luidende: Indien geen kalenderjaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt, wordt onder L verstaan de leverage ratio zoals die wordt openbaar gemaakt met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt.

3. In het voorgestelde artikel 15bf, eerste lid, wordt na de tweede zin een zin ingevoegd, luidende: Indien geen kalenderjaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt, wordt onder ER verstaan de eigenvermogenratio zoals die wordt openbaar gemaakt met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt.

4. In het voorgestelde artikel 15bg wordt «aan dat jaar» vervangen door «aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt». Voorts wordt aan dat artikel een zin toegevoegd, luidende: Indien geen kalenderjaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanvangt, wordt de omvang van de bedrijfsactiviteiten van de belastingplichtige in dat jaar bepaald aan de hand van het balanstotaal op 31 december van het laatstbedoelde kalenderjaar.

2

Artikel XIV wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel D, onder 2, wordt in het voorgestelde artikel 1.12, vierde lid, onderdeel a, onder 4°, «onderdeel o» vervangen door «onderdeel j».

2b. Na onderdeel D wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Da

Artikel 1.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, tweede zin, wordt «tweede lid» vervangen door «derde lid».

2. In het vierde lid wordt «vijfde en zesde lid» vervangen door «zesde en zevende lid».

3

Artikel XX wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde subonderdeel wordt in de aanhef «wordt een onderdeel» vervangen door «worden twee onderdelen». Voorts wordt na de aanhef een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ebis.

In artikel 5.16, vierde lid, wordt «als vierde vermelde percentage» vervangen door «als derde vermelde percentage».

2. In het zesde subonderdeel wordt «€ 20.384» vervangen door «€ 20.711».

b. In onderdeel B wordt, onder vernummering van het derde tot en met vijfde subonderdeel tot vierde tot en met zesde subonderdeel, een subonderdeel ingevoegd, luidende:

3. Onderdeel F vervalt.

c. In onderdeel H wordt in het voorgestelde artikel XXXIX, onderdeel a, «onderdeel b» vervangen door «onderdeel a».

4

In artikel XXV wordt, onder verlettering van de onderdelen c en d tot d en e, een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. artikel XIV, onderdeel Da, terugwerkt tot en met 1 februari 2019;.

Toelichting

I. Algemeen

Deze nota van wijziging voorziet voornamelijk in het herstellen van enkele technische omissies. Daarnaast worden met betrekking tot het invoeren van een minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars enkele aanpassingen gedaan. In dat kader wordt de definitie van het begrip geldlening aangevuld, zodat buiten twijfel wordt gesteld dat ook deposito’s onder dit begrip vallen. Verder vinden in dit kader aanvullingen plaats voor het bepalen van de leverage ratio en van de eigenvermogenratio alsmede voor de toepassing van de voorgestelde samenloopbepaling met betrekking tot enkele specifieke gevallen.

De aanpassingen in deze nota van wijziging hebben geen budgettaire gevolgen. Voor de in deze nota van wijziging opgenomen aanpassingen geldt dat de ter zake van het wetsvoorstel uitgebrachte uitvoeringstoets onverkort van kracht is. De nota van wijziging leidt niet tot bijkomende uitvoeringskosten voor de Belastingdienst.

II. Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1

Artikel XII, onderdeel F

(artikel 15bd van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Met deze wijziging met betrekking tot de voorgestelde renteaftrekbeperking voor banken en verzekeraars worden deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse deposito’s expliciet onder de definitie van het begrip geldlening van het voorgestelde artikel 15bd, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) gebracht. Daarmee wordt buiten twijfel gesteld dat ook de verschuldigde rentelasten op onder meer bank-, spaar- en termijndeposito’s in aftrek kunnen worden beperkt door toepassing van de voorgestelde renteaftrekbeperking.

(artikelen 15be en 15bf van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

In specifieke gevallen is er met betrekking tot een bank of verzekeraar geen leverage ratio, respectievelijk eigenvermogenratio, beschikbaar, bijvoorbeeld in het geval van een bank of verzekeraar waarvoor voor het eerst (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht ontstaat. Er is dan geen leverage ratio, respectievelijk eigenvermogenratio, beschikbaar met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, Wet Vpb 1969, aanvangt. Voor dergelijke gevallen wordt in de voorgestelde artikelen 15be, eerste lid, en 15bf, eerste lid, Wet Vpb 1969 met deze nota van wijziging geregeld dat voor de toepassing van de voorgestelde renteaftrekbeperking voor banken en verzekeraars wordt aangesloten bij de leverage ratio, respectievelijk eigenvermogenratio, op 31 december van het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, Wet Vpb 1969, aanvangt. Dat betekent bijvoorbeeld dat in het geval dat een Nederlandse bank op 1 januari 2020 wordt opgericht voor het bepalen van het gedeelte aan renten ter zake van geldleningen dat niet in aftrek komt, wordt aangesloten bij de leverage ratio met betrekking tot 31 december 2020.

Voorts leidt deze wijziging in geval van ontvoeging uit een fiscale eenheid van een maatschappij die het bedrijf van bank of verzekeraar uitoefent ertoe dat voor die ontvoegde maatschappij eveneens wordt aangesloten bij de leverage ratio, respectievelijk eigenvermogenratio, met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, Wet Vpb 1969, aanvangt. Hierna wordt deze wijziging toegepast op de situatie van voorbeeld 2 uit de toelichting op genoemd artikel 15be, eerste lid. In het voorbeeld gaat het om een bank, maar de uitwerking geldt, mutatis mutandis, eveneens voor verzekeraars.

Leverage ratio en ontvoeging uit fiscale eenheid

Bank D ontvoegt op 31 maart 2020 uit de fiscale eenheid met Bank E. Het statutaire boekjaar van Bank E is gelijk aan het kalenderjaar. Bank D wil in de aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar dat loopt van 1 april 2020 tot en met 31 december 2020 een bedrag van € 100 miljoen als renten ter zake van geldleningen in aftrek brengen bij het bepalen van de winst. Bank E wil in de aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 2020 een bedrag van € 200 miljoen aan renten ter zake van geldleningen in aftrek brengen bij het bepalen van de winst. In dat bedrag van € 200 miljoen zijn de renten ter zake van geldleningen die Bank D is verschuldigd over de periode 1 januari–31 maart 2020 begrepen. Omdat Bank D op 31 december 2019 nog deel uitmaakte van de fiscale eenheid met Bank E, wordt voor Bank D (de belastingplichtige) geen leverage ratio openbaar gemaakt met betrekking tot 31 december van het voorafgaande kalenderjaar. Bank E heeft met betrekking tot 31 december 2019 een leverage ratio van 6%. Bank D heeft met betrekking tot 31 december 2020 een leverage ratio van 4%.

Uitwerking

Voor de bepaling van het gedeelte van de renten ter zake van geldleningen van Bank D dat in dit voorbeeld niet in aftrek komt in zijn aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar dat loopt van 1 april 2020 (moment van ontvoeging) tot en met 31 december 2020 hanteert Bank D de leverage ratio met betrekking tot 31 december 2020. Bank D maakte namelijk op 31 december 2019 nog deel uit van de fiscale eenheid met Bank E, waardoor met betrekking tot Bank D geen kalenderjaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, Wet Vpb 1969, aanvangt. Op basis van de formule kan Bank D afgerond € 4,17 miljoen (4/96 gedeelte van het bedrag aan renten ter zake van geldleningen van € 100 miljoen) niet in aftrek brengen bij het bepalen van de winst van het boekjaar dat loopt van 1 april 2020 tot en met 31 december 2020. Bank E kan in dit voorbeeld in zijn aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 2020 op basis van de formule afgerond € 4,26 miljoen (2/94 gedeelte van het bedrag aan renten ter zake van geldleningen van € 200 miljoen) niet in aftrek brengen bij het bepalen van de winst van dat jaar.

Het bovenstaande geldt dienovereenkomstig indien er als gevolg van een fusie of splitsing in de loop van een boekjaar geen kalenderjaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het boekjaar aanvangt en er om die reden met betrekking tot een bank of verzekeraar geen leverage ratio, respectievelijk, eigenvermogenratio, wordt openbaar gemaakt met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat boekjaar aanvangt.

(artikel 15bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Het voorgestelde artikel 15bg Wet Vpb 1969 regelt dat wanneer een belastingplichtige zowel het bedrijf van bank als het bedrijf van verzekeraar uitoefent, voor de bepaling of het voorgestelde artikel 15be en 15bf Wet Vpb 1969 toepassing vindt, wordt aangesloten bij de bedrijfsactiviteiten waarvan de omvang bepaald aan de hand van het balanstotaal op 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het boekjaar van een belastingplichtige het grootst is. Met deze nota van wijziging wordt – in lijn met de wijzigingen van de voorgestelde artikelen 15be en 15bf Wet Vpb 1969 – in genoemd artikel 15bg geregeld dat ingeval er geen kalenderjaar is voorafgegaan aan het (eerste) boekjaar van een belastingplichtige voor het bepalen van de omvang van de bedrijfsactiviteiten wordt aangesloten bij het balanstotaal op 31 december van het jaar waarin dat boekjaar aanvangt.

Onderdeel 2

Artikel XIV, onderdeel D (artikel 1.12 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II)

In het voorgestelde artikel 1.12, vierde lid, onderdeel a, onder 4°, van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II wordt verwezen naar artikel 1.11, tweede lid, onderdeel o, van die wet, terwijl bedoeld is te verwijzen naar het in artikel XIV, onderdeel C, onder 2, onder b, voorgestelde artikel 1.11, tweede lid, onderdeel j, van die wet. Met deze wijziging wordt daarin voorzien.

Artikel XIV, onderdeel Da (artikel 1.13 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II)

Ingevolge artikel XI, onderdeel C, onder 2, van de Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019 zijn het tweede tot en met zesde lid van artikel 1.12 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II vernummerd tot derde tot en met zevende lid. Bij die gelegenheid zijn per abuis de verwijzingen in artikel 1.13, eerste lid, tweede zin, en vierde lid, van de laatstgenoemde wet niet aangepast aan die vernummering. Met deze wijziging wordt daarin alsnog voorzien.

Onderdeel 3

Artikel XX, onderdelen A, B en H (artikelen II, III en XXXIX van het Belastingplan 2019)

Met de wijziging van artikel XX, onderdeel A, onder 1, en onderdeel B, wordt bewerkstelligd dat de tekst van artikel 5.16, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) met ingang van 1 januari 2020 aansluit bij het met een jaar naar voren halen van de verlaging van het in de tarieftabellen van de artikelen 2.10 en 2.10a Wet IB 2001 opgenomen toptarief. Met de wijziging van artikel XX, onderdeel A, onder 2, wordt het in het voorgestelde artikel 8.10, tweede lid, Wet IB 2001 laatstvermelde bedrag verhoogd, omdat in dit bedrag de indexatie nog niet was verwerkt. Tot slot wordt met de wijziging van artikel XX, onderdeel H, een typefout gecorrigeerd.

Onderdeel 4

Artikel XXV (inwerkingtredingsbepaling)

Het in deze nota van wijziging opgenomen herstel van twee verwijzingen in artikel 1.13 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II behoeft terugwerkende kracht tot en met 1 februari 2019, zijnde de datum waarop die verwijzingen onjuist zijn geworden.

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel