35 300 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2020

Nr. 6 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2019

Het lid Van Brenk (50PLUS) heeft naar aanleiding van het CBS-bericht Welvaart van gepensioneerden1 verzocht om een brief (Handelingen II 2018/19, nr. 100, item 38). Het kabinet vindt het van belang dat alle bevolkingsgroepen meedelen in de welvaart van ons land. Een solide socialezekerheidsstelsel en een evenwichtig koopkrachtbeeld dragen hieraan bij. Ook kunnen mensen zich voorbereiden op de pensioenfase door, bijvoorbeeld via de werkgever, aanvullende voorzieningen te treffen voor hun oude dag.

Jaarlijks met Prinsjesdag informeert het kabinet uw Kamer over het verwachte koopkrachtbeeld voor het komende en lopende jaar. Om meer zicht te krijgen op de inkomens- en vermogenspositie van AOW’ers wordt in de beleidsdoorlichting van artikel 8 van de SZW-begroting2 een uitgebreid onderzoek opgenomen hiernaar, waarbij ook de eerder genoemde CBS-inzichten zijn meegenomen. Ik verwacht de beleidsdoorlichting eind 2019 aan uw Kamer te sturen.

In een brief van het kabinet3 van medio vorig jaar is al eens stilgestaan bij de inkomens- en vermogenspositie van ouderen. In deze brief werd geconcludeerd dat AOW-gerechtigden steeds vaker beschikken over aanvullend pensioen doordat de arbeidsparticipatie de afgelopen decennia is gestegen en dat de pensioenuitkering ook ruimer is dan bij AOW’ers die eerder instroomden. Hier staat tegenover dat het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen4 gemiddeld genomen iets zakt als iemand AOW-gerechtigd wordt. Dit komt doordat de periode vlak voor pensionering over het algemeen het hoogtepunt van de carrière is, zodat het inkomen na pensionering enigszins terugloopt. Tevens geldt dat de consumptiebehoefte van gepensioneerden vaak ook lager is.5 Als naast het inkomen ook het vermogen wordt bekeken, blijkt dat gepensioneerden in doorsnee een behoorlijk vermogen hebben, ook als wordt gecorrigeerd voor eigenwoningbezit. Dit is het gevolg van besparing tijdens de (werkzame) periode voor pensionering. Hierdoor hebben AOW-gerechtigden gemiddeld genomen meer vermogen dan niet-AOW-gerechtigden, deze laatste zijn hun vermogen immers nog aan het opbouwen.

De brief ging ook in op het risico op een (langdurig) laag inkomen. Dit risico is vanaf de AOW-leeftijd lager dan ervoor. Dit hangt samen met het niveau van de AOW, dat hoger is dan de lage-inkomensgrens waarmee het CBS het risico op armoede bepaalt. Het lid Van Brenk heeft gevraagd om stil te staan bij het armoederisico van 55-plussers. Het CBS laat voor huishoudens met een hoofdkostwinner tussen 55 jaar en de AOW-leeftijd een verhoogd risico op een (langdurig) laag inkomen zien.6 Dit hangt samen met een hogere uitkeringsafhankelijkheid. Tevens zijn met langdurige werkloosheid onder deze groep de gevolgen van de crisis nog zichtbaar. Het UWV, gemeenten en het kabinet zetten in op re-integratie op de arbeidsmarkt van deze groep en in specifieke gevallen waarin sprake is van hoge kosten kan de gemeente aanvullende minimaondersteuning bieden. Dit lijkt resultaat te hebben. Zo komt werkloosheid, ook door het aantrekken van de economie, steeds minder voor onder de oudste groep werkenden.7

In de brief van medio 2018 is tevens stilgestaan bij de dynamische koopkrachtontwikkeling van AOW’ers. De dynamische koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden is over het algemeen lager dan die van werkenden. Hiervoor zijn twee oorzaken. Werkenden zitten in een levensfase waarin ze carrière maken en over het algemeen een stijgend inkomen doormaken. Daarnaast zorgt de achterblijvende indexatie van het aanvullende pensioen voor een koopkracht-verschil tussen gepensioneerden en werkenden. Waar bij werkenden de gevolgen hiervan pas bij pensionering voelbaar worden, merken gepensioneerden dit direct in hun portemonnee. De gevolgen van niet-indexeren op de dynamische koopkracht van ouderen komen ook nadrukkelijk aan de orde in de publicatie «Welvaart van gepensioneerden» van het CBS. Hoe hoger het aanvullend pensioen, hoe negatiever de koopkrachtontwikkeling. De koopkracht van gepensioneerden met een klein aanvullend pensioen is de afgelopen tien jaar wel gestegen. Bij deze huishoudens hangt de koopkrachtontwikkeling sterker samen met de AOW, die meeloopt met de gemiddelde ontwikkeling van de contractlonen, dan met de ontwikkeling van het aanvullend pensioen.

Door de algemene heffingskorting en de zorgtoeslag te verhogen, een hogere en gelijkmatig afbouwende ouderenkorting, het schrappen van de harde afbouwgrens in de huurtoeslag en de invoering van het tweeschijvenstelsel waarin de meeste belastingtarieven lager uitkomen, voert het kabinet beleid om de koopkracht-ontwikkeling van gepensioneerden positief bij te sturen. Hier past wel bescheidenheid van de kant van het kabinet, omdat het niet mogelijk is om met beleid elke negatieve schok bij te sturen of elke portemonnee te bereiken.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
2

In dit begrotingsartikel zijn onder andere de AOW en de kaderstellende regelgeving van de aanvullende pensioenen ondergebracht. De opzet van de beleidsdoorlichting is behandeld in Tweede Kamer, Kamerstuk 30 982, nr. 41.

X Noot
3

Kamerstuk 34 775 IX, nr. 24.

X Noot
4

Dit volgt uit het bruto inkomen verminderd met inkomensoverdrachten, premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen en vermeerderd met toeslagen, gecorrigeerd voor verschillen in huishoudsamenstelling.

X Noot
5

Knoef, M., et al., 2014, Pensioen, consumptiebehoeften en ouderenzorg. Netspar design paper 31.

X Noot
6

CBS, Welvaart in Nederland 2019.

Naar boven