Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035300-VI nr. 113

35 300 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2020

Nr. 113 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 februari 2020

Tijdens het algemeen overleg zeden van 18 december 2019 heb ik aan uw Kamer toegezegd met de landelijk officier van justitie kinderpornografie te zullen bespreken of de huidige strafrechtelijke mogelijkheden voor de aanpak van het pedohandboek voldoende zijn.

Op 22 januari jl. heb ik de landelijk officier van justitie kinderpornografie hierover uitgebreid gesproken. Het standpunt van het Openbaar Ministerie (OM) is in dezen ongewijzigd. Het Nederlandse strafrecht biedt voldoende mogelijkheden om het verspreiden van (teksten met strafbare inhoud uit) een dergelijk werk strafrechtelijk aan te pakken.

In mijn beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Van Oosten (VVD) en die van de leden Van Toorenburg (CDA), Buitenweg (GroenLinks) en Van der Graaf (ChristenUnie) heb ik uitgebreid uiteengezet welke mogelijkheden het Wetboek van Strafrecht biedt.1 Daarbij heb ik aangegeven welke strafbepalingen, afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, bij het vervaardigen of verspreiden van (teksten uit) een pedohandboek kunnen worden opgelegd.

Het generiek geformuleerd zijn van de Nederlandse strafbepalingen heeft als voordeel dat zoveel mogelijk zeker wordt gesteld dat (voorbereidende of bevorderende) gedragingen waartegen strafrechtelijke bescherming dient te worden geboden, door de strafwet worden bestreken. Hierdoor is vervolging door het OM bij het verspreiden van (teksten uit) een pedohandboek mogelijk.

Bovendien kan hierdoor in strafzaken ook tegen – soms vele malen afgrijselijker – andersoortig «pedo-materiaal» worden opgetreden, zoals bijvoorbeeld tegen opruiende communicatie tussen pedoseksuelen die wordt verspreid en valt onder de strafbaarstelling van opruiing. Ook valt het vervaardigen of bezit van een pedohandboek voor zover dat tot doel heeft het te verspreiden door die persoon, onder de strafbaarstelling van opruiing. Op dit moment brengt volgens het OM een zelfstandige strafbaarstelling van het pedoboek geen extra mogelijkheden voor opsporing en vervolging mee.

Desalniettemin acht ik een sterk signaal vanuit de overheid wenselijk, omdat het bezit van een pedohandboek volstrekt onacceptabel is. Ik laat daarom verkennen wat de (wettelijke) mogelijkheden zijn om dit als zelfstandig (strafbaar) feit aan te pakken en zal uw Kamer voor de zomer over de uitkomsten berichten.

Ik blijf me verder sterk inzetten voor de aanpak van kinderporno. De prioriteit van de politie en het OM blijft in dat kader onverminderd liggen op het ontzetten van slachtoffers uit acute misbruiksituaties en op het identificeren van misbruikers en sleutelfiguren. Dit kan alleen als andere partners ook hun rol oppakken, vanuit een breder maatschappelijk perspectief. Want kinderporno op het internet is een te groot probleem geworden om het alleen vanuit het strafrecht effectief te kunnen aanpakken. Mijn thans lopende integrale aanpak van kinderporno voorziet hierin. Naast strafrechtelijke acties bestaat mijn aanpak uit preventieve projecten en publiek-private samenwerkingsverbanden van overheden met bedrijven, opdat we het internet in de toekomst schoon krijgen. Daar waar nodig pak ik handhavend door, zoals concreet met een lopend wetgevingstraject voor een bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium voor het verwijderen van kinderporno.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nrs. 2453 en 2452.