35 300 V Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2020

Nr. 43 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 november 2019

Zoals toegezegd aan uw Kamer, in reactie op de motie Van der Staaij en Ploumen van 14 november (Kamerstuk 35 300 V, nr. 39) over de achtergestelde positie van Papua’s in Indonesië en mogelijkheden om hun sociaaleconomische situatie te helpen verbeteren via bijvoorbeeld steun aan projecten die het onderwijs in West-Papua versterken, bericht ik u, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, als volgt.

De situatie in Papua en West-Papua (hierna: Papua) is vast gespreksonderwerp in mijn contacten met Indonesische collega Retno Marsudi. De gelijke behandeling van Papua’s staat tijdens deze gesprekken nadrukkelijk op de agenda, meest recent tijdens mijn gesprek met Minister Marsudi in september en marge van de AVVN. Tijdens zijn bezoek aan Indonesië op 7 oktober jl heeft premier Rutte de sociaaleconomische situatie op Papua ook met president Widodo besproken. Ik kan u verzekeren dat Nederland ook in toekomstige contacten aandacht zal blijven vragen voor gelijke kansen voor Papua, bij iedere zich daartoe lenende gelegenheid op ieder niveau.

Zoals bij brief van 19 september 2016 aan uw Kamer is gemeld, wordt de bilaterale ontwikkelingsrelatie met Indonesië in 2020 uitgefaseerd ten gunste van een bredere relatie waarin handel en investeringen centraler komen te staan (Kamerstuk 33 625, nr. 226). Het verbeteren van de sociaaleconomische situatie in Papua is in de eerste plaats een belangrijke opdracht voor de Indonesische autoriteiten. Nederland is een van de grootste donoren van de Wereldbank en de VN. Via deze kanalen en via de EU wordt steun gegeven aan sociaaleconomische ontwikkeling in perifere gebieden in Indonesië. Een deel hiervan zou kunnen worden toegerekend aan de Nederlandse bijdragen aan deze instellingen.

Bij het selectieproces van kandidaten voor studiebeurzen onder het Orange Knowledge Programma en STUNED-programma geeft de Nederlandse ambassade in Jakarta bij gelijke geschiktheid reeds de voorkeur aan kandidaten uit Papua en andere relatief ondervertegenwoordigde gebieden. In de meest recente ronde gingen drie van de tien beschikbare beurzen naar Papua studenten.

Als ik de motie zo mag uitleggen dat de regering discriminatie en sociale achterstand van Papua’s aan de orde zal blijven stellen in bilaterale contacten met Indonesië en daarnaast zal blijven bijdragen via genoemde internationale instellingen en beurzenprogramma’s, dan laat ik de motie graag oordeel Kamer.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok

Naar boven