Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202135293 nr. D

35 293 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in verband met het niet meer opleggen van het alcoholslotprogramma in het bestuursrecht

D MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 23 maart 2021

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het voorlopig verslag van de vaste Commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving van de Eerste Kamer van 16 februari 2021 over het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de fracties van de PVV en SGP hebben nog enkele vragen. Hierbij bied ik u, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, de beantwoording aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie vragen een gemotiveerd antwoord of de regering kan aangeven wat in Brussel de stand van zaken is inzake het door onderhandelaars geopperde idee om vanaf 2022 een alcoholslot toe te voegen aan geavanceerde veiligheidsvoorzieningen, alsmede op welke manier binnen Nederlandse wet- en regelgeving rekening wordt gehouden met eventuele Europese regelgeving inzake de toepassing van een alcoholslot.

Op 27 november 2019 is verordening 2019/21441 aangenomen die aanvullende eisen stelt aan typegoedkeuring van voertuigen en aanhangwagens. Het is niet zo dat op basis van die verordening een alcoholslot moet worden ingebouwd. Wel wordt een gestandaardiseerde interface verplicht, die de montage van alcoholsloten in motorvoertuigen vergemakkelijkt. De verordening kent een directe doorwerking op nationaal niveau. In Nederland is de RDW de partij die verantwoordelijk is voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en onderdelen en die deze eisen ten aanzien van de interface daarin gaat meenemen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie vragen welke positie het alcoholslot en/of het alcoholslotprogramma zou kunnen krijgen in het bestuursrecht als het Rijk de kosten voor zijn rekening zou nemen. Hoe kunnen de positieve mogelijkheden van het alcoholslot optimaal behouden worden met het oog op het bevorderen van de verkeersveiligheid?

Er waren twee redenen waarom het ASP is stopgezet. Ten eerste bevestigde de Hoge Raad in maart 2015 de eerdere uitspraken dat het ASP als een dubbele bestraffing kan worden gezien naast vervolging door het OM. Ten tweede oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat bij het opleggen van het ASP een individuele belangenafweging zou moeten plaatsvinden. Enkel de kosten voor een ASP voor rekening van het Rijk laten komen is dus niet voldoende. Binnen de regelgeving in het bestuursrecht is de ruimte voor een individuele belangenafweging door het CBR thans beperkt aanwezig.

Sinds het stoppen van het ASP krijgt de doelgroep een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd, als de betrokkene voor een eerste keer is aangehouden voor rijden onder invloed van alcohol. Recidivisten krijgen een onderzoek alcohol opgelegd om te zien of zij «geschikt» of «ongeschikt» zijn. Indien zij «geschikt» worden verklaard, volgen zij alsnog een EMA. Als zij «ongeschikt» worden verklaard, wordt het rijbewijs ongeldig.

Bij een eventuele toekomstige inzet van een alcoholslot in het bestuursrecht om de verkeersveiligheid te bevorderen, zou gekeken moeten worden hoe een individuele belangenafweging vormgegeven kan worden. Dit vraagt om een breed onderzoek naar de inzet van een alcoholslot(programma), de afbakening van de doelgroep en de juridische, financiële en uitvoeringstechnische randvoorwaarden.

De leden van de SGP-fractie horen ook graag of de regering de analyse deelt dat wanneer het alcoholverbod in combinatie met een alcoholmeter in het strafrecht opgenomen wordt, het verbod minder snel opgelegd zal worden dan een alcoholslotprogramma, omdat het dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer. De leden vragen tevens wat dit betekent voor de uiteindelijke effectiviteit van een alcoholverbod in combinatie met een alcoholmeter als maatregel om rijden onder invloed tegen te gaan.

Het is aan de rechter om een afweging te maken of een alcoholverbod in combinatie met de inzet van de alcoholmeter in het concrete geval een proportionele sanctie is. Hierdoor is op voorhand niet in te schatten hoe vaak een alcoholverbod zal worden opgelegd en kan de Minister van Justitie en Veiligheid geen uitspraken doen over de te verwachten effectiviteit. Een alcoholverbod zal inderdaad een grotere impact hebben op de persoonlijke levenssfeer dan het alcoholslot, omdat een alcoholslot alleen alcoholinname direct voorafgaand aan of tijdens deelname aan het verkeer beoogt te voorkomen. Uit onderzoek van de SWOV blijkt dat ongeveer twee derde van alle ernstige verkeersongevallen met alcohol wordt veroorzaakt door een relatief kleine groep zware alcoholovertreders (overtreders met een bloedalcoholgehalte van 1,3 µg/l of hoger). Het alcoholverbod in combinatie met de alcoholmeter zou juist voor deze doelgroep een effectief instrument kunnen zijn. Het alcoholverbod in combinatie met de alcoholmeter kan hen helpen problematisch alcoholgebruik in den brede het hoofd te bieden. Bij een positief effect van het alcoholverbod in combinatie met de alcoholmeter vermindert de alcoholafhankelijkheid en daarmee ook de kans dat deze personen met te veel drank op deelnemen aan het verkeer.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga


X Noot
1

Verordening 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie (PbEU 2019, L 325).