Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035271 nr. A

35 271 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 tot aanpassing van de wettelijke grondslag voor vrijheidsontneming van asielzoekers na afwijzing of niet in behandeling nemen van een aan de grens ingediend asielverzoek

A VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL/JBZ-RAAD1

Vastgesteld 10 februari 2020

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van fractie van GroenLinks hebben naar aanleiding van het wetsvoorstel nog enkele vragen. De leden van de fractie van PvdA sluiten zich graag bij deze vragen aan.

De leden van de fractie van D66 hebben naar aanleiding van het wetsvoorstel nog enkele vragen. De leden van de fractie van ChristenUnie sluiten zich graag bij deze vragen aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks, waar de leden van de PvdA-fractie zich bij aansluiten

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat met dit wetsvoorstel de regering wil bewerkstelligen dat grensdetentie voor asielzoekers mogelijk blijft in de beroepsfase na de afwijzende beslissing en brengt daarom wijzigingen aan in de artikelen 3 en 6 van de Vreemdelingenwet 2000. Daarnaast schrijft de regering in de memorie van toelichting: «om duidelijk te maken dat grensdetentie ook na de afwijzende asielbeslissing aan de grens mogelijk blijft, vervalt de eerste zin van het huidige zevende (en nieuwe zesde) lid waarin wordt bepaald dat de duur van de grensprocedure ten hoogste vier weken bedraagt.»2 Blijkens de memorie van toelichting zal een asielzoeker in detentie kunnen worden vastgehouden wanneer deze:

  • «a. in afwachting van de beslissing is op de asielaanvraag;

  • b. na afwijzing van die aanvraag totdat de beroepstermijn is verstreken;

  • c. na het tijdig instellen van beroep tot de beslissing op het beroepschrift, indien uitzetting bij of krachtens deze wet achterwege dient te blijven;

  • d. na het tijdig instellen van beroep en indien onderdeel c. niet van toepassing is, tot de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening dat er toe strekt uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het beroep;

  • e. tot de beslissing op het beroepschrift indien het onder d. bedoelde verzoek is toegewezen.»3

Betekent dit wetsvoorstel dat er feitelijk geen maximumgrens bestaat voor het vasthouden van asielzoekers in de grensdetentie? Hoe lang mag een asielzoeker vast worden gehouden in afwachting van de beroepsprocedure? In de memorie van toelichting geeft de regering aan dat de vier weken-termijn geldig blijft voor de beslissing van de IND. Waarom is niet overwogen ook een maximale termijn op te nemen voor het verblijf in een beroepsprocedure in grensdetentie?

Verder schrijft de regering dat met dit wetsvoorstel de situatie van vóór de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt hersteld. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering of zij kan aangeven op basis van ervaring van afgelopen jaren wat de gemiddelde duur is van het verblijf van asielzoekers in de grensdetentie, inclusief de tijd waarin zij de uitkomsten van de voorlopige voorziening en/of de uitspraak van de rechtbank afwachten. Wil de regering op basis van gegevens van afgelopen jaren aangeven of, en zo ja, hoe groot het aandeel van gezinnen en kinderen is die in een grensprocedure belanden? Worden kinderen vastgezet in de grensdetentie? Zo ja, geldt er een maximum periode voor het vastzetten van kinderen? Zijn er specifieke faciliteiten voor kinderen?

Na een mogelijke negatieve beslissing in de beroepsprocedure kunnen de vreemdelingen verder in detentie worden vastgehouden tot een uitzetting. Wat is de gemiddelde duur tot een daadwerkelijke uitzetting, zo vragen de leden van de GroenLinks-fractie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66, waar de leden van de ChristenUnie-fractie zich bij aansluiten

Dit wetsvoorstel corrigeert het ontbreken van de wettelijke grondslag om asielzoekers na afwijzing van hun asielverzoek in de grensprocedure gedurende de rechtsmiddelentermijn een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Om te bewerkstelligen dat grensdetentie mogelijk blijft in de beroepsfase na de afwijzende beslissing, worden door dit wetsvoorstel wijzigingen aangebracht in de artikelen 3 en 6 van de Vreemdelingenwet 2000. De leden van de D66-fractie vernemen graag van de regering wat deze wijziging nu betekent voor de termijnen voor die vrijheidsontnemende maatregel. Zijn hier maximumtermijnen aan verbonden en zo ja, welke termijnen zijn dit?

Verder vragen de leden van de D66-fractie of de genoemde uitzonderingen in de werkinstructie SUA voor de IND4 blijven gelden, zodat deze asielaanvragen niet in de grensprocedure wordt behandeld. De volgende punten worden in de werkinstructie genoemd:

  • Aanvragen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen worden niet behandeld in de grensprocedure (artikel 3:109b, zevende lid, Vb);

  • Gezinnen met minderjarige kinderen gaan in beginsel niet in grensdetentie tenzij uit de screening op de grens contra-indicaties blijken zoals openbare orde, ongeloofwaardige gezinsband etc. (A1/7.3 Vc en TK 2013–2014, 19 637, nr. 1827),

  • Indien grensdetentie voor een vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is, wordt de vrijheidsontnemende maatregel niet opgelegd (KMar) of voortgezet (IND) (artikel 5.1a, derde lid, Vb);

  • Indien is gebleken dat een asielzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, welke niet middels passende steun in de grensprocedure c.q. grensdetentie kunnen worden geboden (artikel 3:108b Vb).5

Overigens lezen de leden van de D66-fractie dat de regering op een later moment nog andere wetgeving zal voorstellen in reactie op de zaken Gnandi en C c.s. Deze leden vragen de regering in te gaan op hetgeen gewijzigd zou moeten worden naar aanleiding van de jurisprudentie in de zaken Gnandi van 19 juni 2018 en C c.s. van 5 juli 2018 (C-181/16 en C-269/18) van het Hof van Justitie van de Europese Unie en zij vragen de regering welke wetsvoorstellen zij nog kunnen verwachten. Graag vernemen deze leden wat de stand van zaken van deze wetsvoorstellen op dit moment is en wanneer de behandeling in de Eerste Kamer wordt verwacht.

Tot slot vernemen de leden van de D66-fractie graag hoe deze wijziging van de Vreemdelingenwet zich verhoudt tot de aanpassing van het wetsvoorstel Regels met betrekking tot de terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring).

De leden van de commissie zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel/JBZ-Raad, Faber-Van de Klashorst

De griffier van de commissies, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling: Kox (SP), Faber-van de Klashorst (PVV), (voorzitter), De Boer (GL), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), Nooren (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Stienen (D66), Teunissen (PvdD), Van Rooijen (50PLUS), Adriaansens (VVD), De Blécourt-Wouterse (VVD), Van der Burg (VVD), Cliteur (FVD), Doornhof (CDA), Gerbrandy (OSF), Huizinga-Heringa (CU), Karimi (GL), Van der Linden (FVD), Nanninga (FVD), (ondervoorzitter), Van Pareren (FVD), Veldhoen (GL), Vos (PvdA) en De Vries (Fractie-Otten).

X Noot
2

Kamerstukken II, 2018–2019, 35 271, nr. 3, blz. 6.

X Noot
3

Idem, blz. 7.

X Noot
4

IND, «Werkinstructie Strategie en Uitvoeringsadvies», Kenmerk 2221331, https://ind.nl/Documents/WI_2018-3.pdf.

X Noot
5

Idem, blz. 6.