Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035271 nr. 6

35 271 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 tot aanpassing van de wettelijke grondslag voor vrijheidsontneming van asielzoekers na afwijzing of niet in behandeling nemen van een aan de grens ingediend asielverzoek

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 10 oktober 2019

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 tot aanpassing van de wettelijke grondslag voor vrijheidsontneming van asielzoekers na afwijzing of niet in behandeling nemen van een aan de grens ingediend asielverzoek (hierna: het wetsvoorstel). Deze leden onderschrijven van harte het doel van onderhavig wetsvoorstel, in de zin dat met grote spoed moet worden voorzien in een wettelijke basis voor grensdetentie na afwijzing van een aan de grens ingediend asielverzoek. Zij onderstrepen ook het belang van spoedige inwerkingtreding van deze wet. De voorgenoemde leden hebben verder alleen de vraag wat de gevolgen zijn indien niet binnen vier weken door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een beslissing is genomen op een asielaanvraag. Wat zijn de gevolgen als de voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep mag worden afgewacht?

De leden van de PVV-fractie vragen of de regering de mening deelt dat het belachelijk is dat wij als soeverein land niet eens in staat zijn te bepalen wie we wel en wie we niet toegang tot ons land verlenen, en dat het de EU-regels zijn die ons verplichten ongewenste vreemdelingen toe te laten. Deelt de regering de mening dat we dan ook zo snel mogelijk van deze gevaarlijke en idiote EU-regels af moeten? Zo nee, waarom niet? Erkent de regering dat zij deze kleine cosmetische veranderingen in dit wetsvoorstel, Nederland nog steeds ernstig belemmerd wordt door EU-regels om haar eigen toelatingsbeleid te voeren en daarmee faalt onze burgers te beschermen tegen criminelen, potentiële terroristen en ander gespuis dat nu zonder problemen Nederland inkomt? Deelt de regering de mening dat gezien alle problemen waar Nederland mee te kampen heeft, als het gaat om illegale migratie, het niet kunnen uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers en overlastgevende en/of criminele vreemdelingen, het hoog tijd is voor een volledige asielstop en volledig in te zetten op gedwongen vertrek, en voor zover dat niet kan, illegalen vast te zetten en alle EU-regelgeving die dit bemoeilijken in het belang van de Nederlandse samenleving per direct af te schaffen? De aan het woord zijnde leden vragen of de regering het niet vreemd vindt dat asielzoekers die via het Schengengebied Nederland binnenkomen niet in grensdetentie kunnen worden geplaatst, ondanks dat de buitengrenzen van Europa zo lek zijn als een mandje. Erkent de regering het risico dat potentiele terroristen en criminelen zich vrij kunnen bewegen in het Schengengebied?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel en hebben daarover nog enkele vragen. Zij lezen in de memorie van toelichting dat voorliggend wetsvoorstel het gevolg is van uitspraken van 5 juni 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt geoordeeld dat voor detentie tijdens de beroepsfase geen wettelijke grondslag bestaat. De Afdeling bestuursrechtspraak komt tot dit oordeel op basis van de jurisprudentie in de zaken Gnandi van 19 juni 2018 en C c.s. van 5 juli 2018 (C-181/16 en C-269/18) van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze leden vragen hoe het komt dat hiervoor in de bestaande Nederlandse wetgeving nooit een wettelijke grondslag is gecreëerd. Tevens lezen de aan het woord zijnde leden dat de regering op een later moment nog andere wetgeving zal voorstellen in reactie op de zaken Gnandi en C c.s. Bovengenoemde leden vragen de regering in te gaan op hetgeen gewijzigd zou moeten worden naar aanleiding van de jurisprudentie in de zaken Gnandi van 19 juni 2018 en C c.s. van 5 juli 2018 (C-181/16 en C-269/18) van het Hof van Justitie van de Europese Unie en welke wetsvoorstellen deze leden nog kunnen verwachten. Zij zijn benieuwd of deze wetsvoorstellen wel ter consultatie zullen worden voorgelegd.

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat in het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie wat betreft de terugkeerrichtlijn de Gnandi-jurisprudentie wordt gecodificeerd. Op dit moment vinden er onderhandelingen plaats over onder andere de terugkeerrichtlijn, en dat het nog niet bekend is hoe de Raad en het Europees Parlement met deze codificatie willen omgaan. Kan de regering uiteenzetten hoe zij verwacht dat de Raad en het Europees Parlement zich zullen opstellen ten opzichte van het codificeren van de Gnandi-jurisprudentie in de terugkeerrichtlijn, en wellicht ook in de andere richtlijnen? In hoeverre verwacht de regering weerstand op dit punt? Wat is de positie van de regering op dit punt en waar zet de regering op in bij deze onderhandelingen en specifiek op dit punt?

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat dit wetsvoorstel niet ter consultatie is aangeboden. Zij hebben begrip voor het gegeven dat spoedige inwerkingtreding van deze wet wenselijk wordt geacht, maar vinden het desondanks spijtig dat daarom is gekozen het wetsvoorstel niet in internetconsultatie te brengen. Bovengenoemde leden vragen of op enige andere wijze advies van experts is ingewonnen en, zo ja, wat daarvan de uitkomst was.

De voorzitter van de commissie, Van Meenen

Adjunct-griffier van de commissie, Tielens-Tripels