Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935271 nr. 5

35 271 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 tot aanpassing van de wettelijke grondslag voor vrijheidsontneming van asielzoekers na afwijzing of niet in behandeling nemen van een aan de grens ingediend asielverzoek

Nr. 5 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 september 2019

Op 2 september 2019 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 bij uw Kamer ingediend (Kamerstuk 35 271). Dit voorstel voorziet in aanpassing van de wettelijke grondslag voor vrijheidsontneming van asielzoekers na afwijzing of niet in behandeling nemen van een aan de grens ingediend asielverzoek.

Op 5 juni 20191 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de nationale wetgeving op dit moment geen geschikte grondslag kent om asielzoekers na afwijzing van hun asielverzoek aan de grens in grensdetentie te houden in de fase dat tegen deze afwijzing een rechtsmiddel kan worden aangewend of wordt gewacht op een beslissing hierop. Deze vreemdelingen verkrijgen alsnog onbedoeld en ongewenst toegang tot Nederland, terwijl is vastgesteld dat geen aanspraak op verblijf bestaat. Het grensbewakingsbelang komt daarmee ernstig in het geding.

Door de beoogde wetswijziging wordt opnieuw een deugdelijke grondslag voor grensdetentie tijdens de beroepsfase geboden. Beoogd wordt te voorkomen dat grensdetentie die om inhoudelijke redenen op zichzelf gerechtvaardigd is, toch opgeheven zou moeten worden. De situatie zoals die gold tot 5 juni jl. wordt hiermee feitelijk hersteld. De doelgroep voor grensdetentie wordt niet uitgebreid.

Gezien de dringende noodzaak weer te voorzien in de vereiste wettelijke basis, wil ik u graag verzoeken de behandeling van dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ter hand te nemen.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol


X Noot
1

ABRvS 5 juni 2019, zaak nr. 201808923/1/V3, ECLI:NL:RVS:2019:1710 en ABRvS 5 juni 2019, zaak nr. 201808670/1/V3, ECLI:NL:RVS:2019:1843.