Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2019-2020 | 35253 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2019-2020 | 35253 nr. B |
Vastgesteld 24 september2019
In de vergaderingen van de vaste commissies voor Financiën2 en voor Europese Zaken3 van 18 juni 2019 en 2 juli 2019 hebben de leden kennisgenomen van de Mededeling van de Europese Commissie: naar een efficiëntere en meer democratische besluitvorming voor het energie- en klimaatbeleid van de EU -COM(2019)1774 en het BNC-fiche daarover5.
Naar aanleiding hiervan is op 10 juli 2019 een brief gestuurd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
De Minister heeft op 23 september 2019 gereageerd.
De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren
Aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat
Den Haag, 10 juli 2019
In de vergaderingen van de commissies Financiën en Europese Zaken van 18 juni 2019 en 2 juli 2019 hebben de leden kennisgenomen van de Mededeling van de Europese Commissie: naar een efficiëntere en meer democratische besluitvorming voor het energie- en klimaatbeleid van de EU -COM(2019)1776 en het BNC-fiche daarover7. Naar aanleiding hiervan wensen de leden van de fractie van FVD, de leden van de fractie van het CDA en de leden van de fractie van de PvdA enkele vragen aan u voor te leggen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van FVD
Het standpunt van de Europese Commissie om de beslissingsbevoegdheid van de EU uit te breiden door op sommige onderwerpen het mogelijk te maken om met gekwalificeerde meerderheid te beslissen om zo de besluitvorming te versoepelen kan ten aanzien van sommige onderwerpen bij gelegenheid op instemming rekenen van de regering. De leden van de fractie van FVD maken zich hier grote zorgen over. Zulks kan, ondanks dat dit niet in het Verdrag van Lissabon is geregeld, door gebruik te maken van een overbruggingsregeling. De leden van de FVD-fractie achten het onwenselijk de beslissingsmacht van de EU uit te breiden op onduidelijke gronden, zonder dat duidelijk is waar deze institutionele verandering, die eigenlijk in een Verdrag zou moeten worden geregeld en voorgelegd aan beide Kamers, toe kan leiden.
Kunt u aangeven op welke terreinen de regering bereid is de beslissingsmacht over te dragen aan de EU op basis van de in het voorstel genoemde overbruggingsregeling? Stemt u dus in principe in met de opvatting van de Commissie dat de overbruggingsregeling zoals omschreven door de Commissie inderdaad ruimte biedt om zonder Verdragswijzigingen op sommige onderwerpen de vereiste unanimiteit te veranderen in een gekwalificeerde meerderheid bij besluitvorming binnen de EU? En op basis waarvan komt de regering tot deze opvatting? Kunt u enkele concrete voorbeelden noemen waarin u een dergelijke soevereiniteitsoverdracht niet bezwaarlijk zou vinden?
Interpreteert de regering de wens van de Commissie om de mogelijkheden van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid uit te breiden als een volgende stap naar een «ever closer union» en het verlies van soevereiniteit van EU-lidstaten?
Is de regering niet bezorgd dat met een dergelijke gang van zaken de deur wijd open wordt gezet, het zogenaamd «camel nose» effect, voor besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid binnen de EU en dat daarmee de facto Nederland een deel van zijn soevereiniteit afstaat en dus de deur open zet voor besluiten die tegen de belangen van Nederland in gaan?
Welke instrumenten heeft de regering om een stokje voor deze gang van zaken te steken en is de regering bereid deze ook in te zetten?
Is men er in de tijd van de Verdragswijzigingen en de overbruggingsregeling en de instemming hier van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer bewust van geweest dat een dergelijke regeling kon leiden tot verlies van de eis van unanimiteit bij EU-besluitvorming op willekeurige terreinen die door de Europese Commissie of het Europees Parlement als urgent of belangrijk worden gezien? Vindt de regering niet ook dat bij besluitvorming over zaken met mogelijk verstrekkende gevolgen de kwaliteit van besluitvorming boven de snelheid van besluitvorming gaat en dat voor echt urgente zaken er geen nieuwe werkwijze nodig is?
Met name de lidstaten in Oost-Europa verliezen door de uitbreiding van de macht van Brussel hun net verworven zelfstandigheid. Is de regering, net als de leden van de fractie van FVD, bezorgd over de uitwerking die dit kan hebben op de stemming onder de bevolking (toenadering tot Rusland in combinatie met een nog grotere afkeer van Brussel)?
Is de regering het met Tsjechië eens dat het voorstel van de Europese Commissie niet bijdraagt aan een democratischer Europa en de kloof tussen de EU en de Europese burgers zal vergroten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het streven van de regering om vast te houden aan het unanimiteitsvereiste voor fiscale aangelegenheden, ook als het om energiebelastingen gaat. Zij kunnen zich goed vinden in de daarvoor door de regering aangedragen argumenten. Graag vernemen zij de mening van de regering over de stelling dat gelet op het principe «No Taxation Without Representation» zeer terughoudend moet worden omgegaan met het voor fiscale aangelegenheden prijsgeven van het unanimiteitsvereiste ten voordele van een criterium van gekwalificeerde meerderheid, zolang er van een volledig democratisch besluitvormingsproces in de EU, met name op het terrein van belastingen geen sprake is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA
Wat betreft de unanimiteitsstemming wordt de soep niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend, zo merken Prechal en VanDamme op8. Vaak wordt gestreefd naar consensus, ook wanneer unanimiteit niet vereist is. In veel gevallen kan deze al worden bereikt in COREPER, waarna een besluit door de Raad kan worden afgedaan als een zogenaamd «A-Punt». In slechts een klein percentage gevallen wordt daadwerkelijk tot stemming overgegaan. Dit is van belang om te realiseren, aldus Prechal en VanDamme omdat het de gekwalificeerde meerderheidsstemming enigszins relativeert.
Meent de regering dat een overgang naar gekwalificeerde meerderheidstemming een bijdrage levert aan snellere besluitvorming? Zo ja, waarop baseert zij deze mening? Zo nee, waarom niet? En kan de regering voorbeelden gegeven van gevallen waarin op het terrein van energie- en klimaatbeleid van de EU daadwerkelijk tot stemming is overgegaan?
Vanwege de fundamentele rol van belastingen voor een soevereine staat, vindt de regering het belangrijk dat lidstaten uiteindelijk zelf beslissen over welke belasting zij heffen van ingezetenen. Besluitvorming met unanimiteit past daar het beste bij volgens de regering. Dat stelt u in antwoord op vragen9 van leden van de Eerste Kamer naar aanleiding van de Commissiemededeling COM(2019)8: naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU10.
Graag vragen de leden van de PvdA-fractie aan de regering om te reflecteren op de overeenkomsten en verschillen tussen fiscale dossiers en energie- en klimaatbeleid. En graag vernemen zij vervolgens op welke wijze deze verschillen naar de mening van de regering invloed hebben op de geschiktheid van het instrument van gekwalificeerde meerderheidsstemming.
Meer gekwalificeerde meerderheid betekent een verlies aan soevereiniteit en vermindert de mogelijkheden tot democratische controle. Immers, bij unanimiteit kan een parlement van een lidstaat een Minister ter verantwoording roepen als er regelgeving is aangenomen waar dat parlement het niet mee eens is. Gekwalificeerde meerderheid daarentegen zorgt voor een slagvaardigere aanpak. Hierdoor kunnen de uitdagingen van klimaatverandering beter worden aangepakt.
Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie van de regering hoe zij deze voor- en nadelen beschouwt. Tevens verzoeken deze leden de regering te reflecteren op een alternatief waarbij goedkeuring met unanimiteit wordt besloten en uitvoering met gekwalificeerde meerderheid.
De leden van de commissies Financiën en Europese Zaken zien de beantwoording van de gestelde vragen met belangstelling en bij voorkeur binnen vier weken na dagtekening van deze brief tegemoet.
Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, H. Otten
Voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, M.G.H.C. Oomen-Ruijten
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 september 2019
Naar aanleiding van het BNC-fiche11 inzake bovenvermelde mededeling van de Europese Commissie zijn er nadere vragen gesteld. Hierbij treft u de beantwoording aan op de vragen van de leden van de fractie van FVD, de leden van de fractie van het CDA en de leden van de fractie van de PvdA.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes
Vragen van leden van de FVD-fractie:
Kunt u aangeven op welke terreinen de regering bereid is de beslissingsmacht over te dragen aan de EU op basis van de in het voorstel genoemde overbruggingsregeling? Stemt u dus in principe in met de opvatting van de Commissie dat de overbruggingsregeling zoals omschreven door de Commissie inderdaad ruimte biedt om zonder Verdragswijzigingen op sommige onderwerpen de vereiste unanimiteit te veranderen in een gekwalificeerde meerderheid bij besluitvorming binnen de EU? En op basis waarvan komt de regering tot deze opvatting? Kunt u enkele concrete voorbeelden noemen waarin u een dergelijke soevereiniteitsoverdracht niet bezwaarlijk zou vinden?
Onderhavige mededeling van de Europese Commissie gaat overwegend in op de besluitvorming bij fiscale dossiers binnen het energiedomein. Op 15 januari jl. heeft de Europese Commissie ook een mededeling uitgevaardigd over de wijziging van de wijze van besluitvorming bij belastingzaken naar gekwalificeerde meerderheid. Het kabinet heeft in het betreffende BNC-fiche12 aangegeven zeer kritisch te staan tegenover besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid bij fiscale dossiers. Naast Nederland hebben ook veel andere lidstaten aangegeven geen voorstander te zijn van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid bij fiscale dossiers.
Om de wijze van besluitvorming bij fiscale dossiers voor zowel de Raad als het Europees Parlement te kunnen wijzigen dient de Europese Raad daar een unaniem voorstel voor te doen (op basis van de zogenoemde «passerelle»-bepalingen in de Europese verdragen). Vervolgens mag geen van de nationale parlementen hier bezwaar tegen hebben. Dit betekent dus in feite dat alle lidstaten hiermee in moeten stemmen. Gezien het beperkte enthousiasme van de lidstaten voor het wijzigen van de wijze van besluitvorming bij fiscale dossiers naar besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, is het niet voor de hand liggend dat op korte termijn een voorstel wordt gedaan door de Europese Raad. Nederland zal hier in de Europese Raad ieder geval niet mee instemmen.
Buiten fiscale dossiers kan het opportuun zijn om de wijze van besluitvorming nader te beoordelen. Een voorbeeld is de in het BNC-fiche behandelde besluitvorming rondom het Euratom-Verdrag, waarvoor een deskundigengroep op hoog niveau wordt ingesteld.
Interpreteert de regering de wens van de Commissie om de mogelijkheden van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid uit te breiden als een volgende stap naar een «ever closer union» en het verlies van soevereiniteit van EU-lidstaten? Is de regering niet bezorgd dat met een dergelijke gang van zaken de deur wijd open wordt gezet, het zogenaamd «camel nose» effect, voor besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid binnen de EU en dat daarmee de facto Nederland een deel van zijn soevereiniteit afstaat en dus de deur open zet voor besluiten die tegen de belangen van Nederland in gaan? Welke instrumenten heeft de regering om een stokje voor deze gang van zaken te steken en is de regering bereid deze ook in te zetten?
De zittende Europese Commissie heeft meermalen aangegeven veel waarde te hechten aan meer besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid. Er is voor de zittende Commissie echter geen tijd meer om de discussie over de wijze van besluitvorming in fiscale dossiers verder te voeren.
Het kabinet vindt het belangrijk dat lidstaten zelf kunnen bepalen welke belasting zij heffen van ingezetenen. Om dit te kunnen veranderen is allereerst een daartoe strekkend voorstel van de Europese Commissie vereist dat vervolgens na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen door de Raad wordt vastgesteld (unanimiteit). Dit is nu niet aan de orde en Nederland zal hier in ieder geval niet mee instemmen.
Is men er in de tijd van de Verdragswijzigingen en de overbruggingsregeling en de instemming hier van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer bewust van geweest dat een dergelijke regeling kon leiden tot verlies van de eis van unanimiteit bij EU-besluitvorming op willekeurige terreinen die door de Europese Commissie of het Europees Parlement als urgent of belangrijk worden gezien? Vindt de regering niet ook dat bij besluitvorming over zaken met mogelijk verstrekkende gevolgen de kwaliteit van besluitvorming boven de snelheid van besluitvorming gaat en dat voor echt urgente zaken er geen nieuwe werkwijze nodig is?
Een wijziging van besluitvorming bij fiscale dossiers is niet aan de orde, ook niet als gevolg van onderhavige mededeling van de Europese Commissie. Tevens geeft het kabinet nogmaals ter overweging dat unanimiteit niet de besluitvorming in de weg hoeft te staan. Dit blijkt uit de diverse voorstellen die de afgelopen jaren unaniem zijn aangenomen op het terrein van de directe en indirecte belastingen.
Bij de goedkeuring van de verdragswijzigingen hebben de Tweede en Eerste Kamer hun eigen afweging gemaakt. Daarbij is bij de behandeling van het wetsvoorstel voor een Rijkswet houdende goedkeuring van het op 13 december 2007 te Lissabon tot stand gekomen Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met Protocollen en Bijlagen, expliciet aandacht besteed aan deze wijzigingsmogelijkheid.13
Met name de lidstaten in Oost-Europa verliezen door de uitbreiding van de macht van Brussel hun net verworven zelfstandigheid. Is de regering, net als de leden van de fractie van FVD, bezorgd over de uitwerking die dit kan hebben op de stemming onder de bevolking (toenadering tot Rusland in combinatie met een nog grotere afkeer van Brussel)? Is de regering het met Tsjechië eens dat het voorstel van de Europese Commissie niet bijdraagt aan een democratischer Europa en de kloof tussen de EU en de Europese burgers zal vergroten?
Dit kabinet vindt het belangrijk om bij grensoverschrijdende thema’s en grensoverschrijdende problemen gezamenlijk op te trekken in EU-verband. Daarbij erkent het kabinet dat burgers gerechtvaardigde zorgen kunnen hebben over mogelijke wijzigingen in de besluitvormingsprocedures in EU. Het is ook om deze reden dat Nederland, naast veel andere lidstaten, heeft aangegeven geen voorstander te zijn van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid bij fiscale dossiers. Het is aan elke lidstaat om daarover zijn eigen afweging te maken.
Vragen van leden van de CDA-fractie:
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het streven van de regering om vast te houden aan het unanimiteitsvereiste voor fiscale aangelegenheden, ook als het om energiebelastingen gaat. Zij kunnen zich goed vinden in de daarvoor door de regering aangedragen argumenten. Graag vernemen zij de mening van de regering over de stelling dat gelet op het principe «No Taxation Without Representation» zeer terughoudend moet worden omgegaan met het voor fiscale aangelegenheden prijsgeven van het unanimiteitsvereiste ten voordele van een criterium van gekwalificeerde meerderheid, zolang er van een volledig democratisch besluitvormingsproces in de EU, met name op het terrein van belastingen geen sprake is.
Het kabinet is inderdaad van mening dat voor besluitvorming over fiscale onderwerpen de beslissingsbevoegdheid op nationaal niveau essentieel en fundamenteel van aard is. Het kabinet zal zeer terughoudend omgaan met het prijsgeven van het unanimiteitsvereiste bij fiscale dossiers; juist omdat dit kabinet het belangrijk vindt dat landen uiteindelijk zelf dienen te bepalen welke belastingen zij opleggen aan ingezetenen.
Vragen van leden van de PvdA-fractie:
Meent de regering dat een overgang naar gekwalificeerde meerderheidstemming een bijdrage levert aan snellere besluitvorming? Zo ja, waarop baseert zij deze mening? Zo nee, waarom niet?
Zonder een specifiek dossier uit te lichten of te verwijzen naar specifieke lidstaten, kan in zijn algemeenheid gesteld worden dat enkele (fiscale) voorstellen sneller zouden zijn aangenomen als besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid had plaatsgevonden. Dit geldt met name voor de voorstellen waarbij één lidstaat of een klein aantal lidstaten niet kon instemmen.
En kan de regering voorbeelden gegeven van gevallen waarin op het terrein van energie- en klimaatbeleid van de EU daadwerkelijk tot stemming is overgegaan?
Een recent voorbeeld waarbij een stemming in de Raad heeft plaatsgevonden op het terrein van energie- en klimaatbeleid is Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
Graag vragen de leden van de PvdA-fractie aan de regering om te reflecteren op de overeenkomsten en verschillen tussen fiscale dossiers en energie- en klimaatbeleid. En graag vernemen zij vervolgens op welke wijze deze verschillen naar de mening van de regering invloed hebben op de geschiktheid van het instrument van gekwalificeerde meerderheidsstemming. Meer gekwalificeerde meerderheid betekent een verlies aan soevereiniteit en vermindert de mogelijkheden tot democratische controle. Immers, bij unanimiteit kan een parlement van een lidstaat een Minister ter verantwoording roepen als er regelgeving is aangenomen waar dat parlement het niet mee eens is. Gekwalificeerde meerderheid daarentegen zorgt voor een slagvaardigere aanpak. Hierdoor kunnen de uitdagingen van klimaatverandering beter worden aangepakt.
Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie van de regering hoe zij deze voor- en nadelen beschouwt. Tevens verzoeken deze leden de regering te reflecteren op een alternatief waarbij goedkeuring met unanimiteit wordt besloten en uitvoering met gekwalificeerde meerderheid.
Het kabinet vindt het belangrijk om bij grensoverschrijdende thema’s en grensoverschrijdende problemen gezamenlijk op te trekken in EU-verband.14 Dit geldt niet alleen voor het tegengaan van belastingontwijking en het bestrijden van btw-fraude, maar dit geldt ook voor milieubelastingen. Dit omdat uitstoot niet bij de landsgrenzen eindigt. Harmonisatie op het gebied van milieubelastingen past binnen de uitgangspunten zoals die ook door Nederland worden gesteund. Nederland neemt actief deel aan het overleg in EU-verband over de relevante richtlijnen. In dat verband pleit Nederland ook voor een Europese vliegbelasting. Dat Nederland voorstander is van meer harmonisatie betekent volgens dit kabinet niet dat besluiten hierover niet langer met unanimiteit moeten worden genomen.
Dat enkele richtlijnvoorstellen wellicht zouden zijn aangenomen bij besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, rechtvaardigt volgens dit kabinet niet dat besluitvorming daarom niet langer met unanimiteit dient plaats te vinden. Bovendien zijn de afgelopen jaren veel ambitieuze fiscale voorstellen wél unaniem aangenomen. Zie het BNC-fiche15 inzake de mededeling «naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in EU-belastingzaken», waar een weergave wordt gegeven van fiscale voorstellen die afgelopen jaren zijn aangenomen.
De besluitvormingsprocedures over Europese wetgevingshandelingen zoals richtlijnen en verordeningen zijn vastgelegd in de toepasselijke verdragsbepalingen en kunnen niet zonder verdragswijziging aangepast worden, tenzij gebruik wordt gemaakt van de in het verdrag opgenomen mogelijkheid tot overgang van unanimiteit naar gekwalificeerde meerderheid.
Voor maatregelen die dienen ter nadere uitwerking of uitvoering van deze Europese wetgevingshandelingen voorziet het Verdrag reeds in de mogelijkheid van respectievelijk gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen. Deze kennen een afwijkende besluitvorming (zie artikel 290, tweede lid, VWEU en artikel 291 en Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren).
Samenstelling Financiën:
Essers (CDA), Koffeman (PvdD), Backer (D66), Ester (CU), Faber-van de Klashorst (PVV), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Van Apeldoorn (SP), Jorritsma (VVD), N.J.J. van Kesteren (CDA), Schalk (SGP), Van Rooijen (50PLUS), Wever (VVD), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (FVD) (voorzitter), Geerdink (VVD), Gerbrandy (OSF), Van Huffelen (D66), Karimi (GL) (ondervoorzitter), Van der Linden (FVD), Otten (Fractie-Otten), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), Van Wely (FVD)
Samenstelling Europese Zaken:
Essers (CDA), Backer (D66), Faber-van de Klashorst (PVV), Van Apeldoorn (SP) (ondervoorzitter), De Boer (GL), Van Dijk (SGP), Oomen-Ruijten (CDA) (voorzitter), Koole (PvdA), Teunissen (PvdD), De Bruijn-Wezeman (VVD), Van Rooijen (50PLUS), arbouw (VVD), Van Ballekom (VVD), Beukering (FVD), Bezaan (VVD), Cliteur (FVD), Geerdink (VVD), Gerbrandy (OSF), Huizinga-Heringa (CU), Karimi (GL), Rookmaker (Fractie-Otten), Vendrik (GL), Vos (PvdA), Van Wely (FVD)
COM (2019)177, E-dossier E190007. Te raadplegen via https://www.eerstekamer.nl/eu/edossier/e190007_commissiemededeling_naar
COM (2019)177, E-dossier E190007. Te raadplegen via https://www.eerstekamer.nl/eu/edossier/e190007_commissiemededeling_naar
Prechal, S. & VanDamme, T. (2007). «EU besluiten in de Nederlandse rechtsorde op weg naar een draaiboek voor een houdbaar en geïntegreerd wetgevingsproces». Raad van State, versie 29
COM(2019)8, E-dossier E190004. Te raadplegen via https://www.eerstekamer.nl/eu/edossier/e190004_commissiemededeling_naar
Zie bijv. Kamerstu 31 384, nr. 3, memorie van toelichting, paragraaf 2.1.13, eerste alinea; paragraaf 2.6, blz. 82, tweede en derde alinea (onder kopje milieu en klimaatverandering); Kamerstuk 31 384, nr. 7, Nota naar aanleiding van het Verslag, paragraaf 2.1.13, blz. 39.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35253-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.