De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord. Deze
leden hebben naar aanleiding van de beantwoording enkele aanvullende vragen. In de
antwoorden van de regering staat op p. 2:
«Ook zijn instellingen vrij om, wanneer de instelling dit nodig acht, meer middelen
toe te kennen vanuit de lumpsum aan het mbo-studentenfonds.»
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of deze passage in de kern strijdig
is met de Wet educatie en beroepsonderwijs. Kan de regering hier een toelichting op
geven? De extra middelen boven de 10 miljoen euro worden in dat geval namelijk niet
voor het onderwijs benut. Voorts vragen deze leden of de regering kan garanderen dat
bij overschrijding van de 10 miljoen euro (empirisch vast te stellen) er wordt bijgeplust
door het Ministerie van OCW.
De leden van de fractie van GroenLinks danken de regering voor de verduidelijking ten aanzien van de verschillen tussen
de structuur van de wetstekst betreffende het profileringsfonds voor mbo-studenten
en het profileringsfonds in het hoger onderwijs. Met die verduidelijking is echter
geen antwoord gegeven op de vraag waarom deze verschillen zijn aangebracht. Welke
redenen had de regering om de positie van mbo-studenten anders te regelen dan die
van ho-studenten? Waarom is bij mbo-studenten studievertraging geen criterium voor
toekenning van een vergoeding uit het profileringsfonds (in het geval van bijvoorbeeld
lidmaatschap studentenraad) en bij ho-studenten wel?
Is de regering het met deze leden eens dat het wenselijk zou zijn opzet en criteria
zoveel als mogelijk gelijk te houden in mbo en ho? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is
de regering bereid dat in de toekomst met reparatiewetgeving te verbeteren?
De leden van de fractie van de PvdA danken de regering voor de verhelderende antwoorden. Ze hebben er begrip voor dat
de beantwoording van de regering op de gestelde vragen door de coronapandemie vertraging
heeft opgelopen en dat de mbo-instellingen de afgelopen maanden veel tijd en energie
hebben gestoken in het vormgeven van onderwijs op afstand. De regering geeft aan dat
het handmatig opstellen van mbo-verklaringen de scholen veel tijd zou kosten. Kan
de regering aangeven om hoeveel tijd dit per verklaring zou gaan en hoeveel tijd een
geautomatiseerde verklaring zou vergen?
Waar de aan het woord zijnde leden verbaasd over zijn, is dat de zomerperiode geen
geschikte periode zou zijn om het beleidskader voor het mbo-studentenfonds voor instemming
voor te leggen aan de studentenraad van een instelling. Waaruit blijkt dat studentenraden
niet bereid zouden zijn hier tijd in te steken in de komende drie maanden die voor
de aanvang van het studiejaar 2020–2021 nog resten?
Het wetsvoorstel is bedoeld om een voorziening op elke instelling te creëren om met
name kwetsbare studenten die een beroepsopleiding volgen te ondersteunen en te voorkomen
dat studenten met vertraging door bijzondere omstandigheden vanwege financiële omstandigheden
afhaken. Nu al zijn er signalen dat voorgenoemde studenten extra onderwijsachterstanden
dreigen op te lopen door de coronapandemie. Denkbaar is dat de verslechterde economische
omstandigheden en de beperkte mogelijkheden om bijbaantjes te vervullen de financiële
situatie van juist deze studenten extra verslechtert. Heeft de regering zicht op de
implicaties van de coronapandemie op de groep studenten die gebruik zouden gaan maken
van het mbo-studentenfonds? Welke maatregelen gaat de regering treffen om te voorkomen
dat juist deze studenten verdere vertraging oplopen, dan wel afhaken in het mbo? Welke
mogelijkheden ziet te regering om deze studenten en hun ouders/verzorgers financieel
bij te staan nu het mbo-studentenfonds pas per 1 augustus 2021 ingevoerd wordt?
De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA sluiten zich bij elkaars vragen en opmerkingen aan. Het lid van de OSF-fractie sluit zich bij beide inbrengen aan.
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet de nadere memorie van
antwoord met belangstelling tegemoet en ontvangt deze graag binnen vier weken na vaststelling van dit nader voorlopig verslag.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bikker
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bergman