Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035245 nr. F

35 245 Wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet toezicht trustkantoren 2018 in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PbEU 2018, L 156) (Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn)

F MOTIE VAN HET LID OTTEN C.S.

Voorgesteld 21 april 2020

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat het voor het behoud van de Nederlandse werkgelegenheid in de innovatieve Nederlandse blockchain- en cryptosector essentieel is om MKB bedrijven zo veel mogelijk te ontlasten van overbodige en onnodige administratieve praktijken die belemmerend uitwerken op de innovatie;

constaterende, dat het aanvankelijk met de markt geconsulteerde artikel 23(e) – d.w.z. zonder de toevoegingen die het Ministerie van Financiën later heeft aangebracht op advies van DNB – een rechtmatige, passende en proportionele invulling van de verplichtingen onder de wijziging van de vierde anti-witwasrichtlijn (AMLD5) vormde, welke daarnaast ook goed uitvoerbaar is;

constaterende, dat de nadien toegevoegde toezichtregels, ook blijkens het advies van de Raad van State van 3 juni 2019 (W06.19.0080/III), in strijd zijn met de Europese richtlijnen en daarin geen grond vinden en leiden tot overmatig kostbaar toezicht door DNB (en indirect tot verlies van hoogwaardige werkgelegenheid in Nederland);

verzoekt de regering om, alvorens de wet in werking te laten treden, met de toezichthouder DNB en de sector in overleg te treden om vooraf te waarborgen dat de directe toezicht- en nalevingskosten proportioneel zijn en te waarborgen dat de feitelijke handhaving onder wet beperkt blijft tot hetgeen op grond van de Europese richtlijn, indachtig het advies van de Raad van State, strikt noodzakelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

Otten

De Vries