35 225 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht

Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID VAN NISPEN

Ontvangen 7 mei 2020

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel I, onderdeel T, onder 2, wordt in het voorgestelde onderdeel f «geen beslag kan worden gelegd» vervangen door «het beslag niet geldig is».

II

In artikel I, onderdeel U, wordt in het voorgestelde vierde lid, aanhef, «strekt zich gedurende een kalendermaand niet uit tot een bedrag van» vervangen door «is niet geldig voor zover het de volgende bedragen gedurende een kalendermaand overtreft».

III

Artikel V wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1, onder c, wordt in het met subonderdeel i voorgestelde vijfde lid «strekt zich gedurende een kalendermaand niet uit tot» vervangen door «is niet geldig voor zover het» en wordt na «artikel 475da» ingevoegd «gedurende een kalendermaand overtreft».

2. In onderdeel 2, onder b, wordt in het met onderdeel U voorgestelde vijfde lid «strekt zich gedurende een kalendermaand niet uit tot» vervangen door «is niet geldig voor zover het» en wordt na «artikel 475da» ingevoegd «gedurende een kalendermaand overtreft».

Toelichting

In het voorgestelde artikel 475 Rv wordt, onder verwijzing naar het voorgestelde artikel 475a Rv, gesproken over het bedrag waarop «geen beslag kan worden gelegd» en in het beslagexploot moet worden opgenomen. Hierdoor wordt het «beslagvrije bedrag» bij beslag op bankrekeningen anders behandeld dan de beslagvrije voet (bvv) bij periodieke beslagen. Ook bij het beslag op bankrekeningen zou gesteld moeten worden dat het beslag niet geldig is voor zover het dat «beslagvrije bedrag» betreft. In het wetsvoorstel staat er feitelijk dat het beslag niet wordt gelegd op het «beslagvrije deel». Dat acht de indiener van dit amendement niet handig, omdat de gerechtsdeurwaarder namelijk verplicht is om het «beslagvrije bedrag» op te nemen in het exploot aan de derde. Het kan echter zo zijn dat dat bedrag foutief wordt genoemd. De hoogte van het beslag is immers afhankelijk van de leefsituatie.

Stel: je geeft abusievelijk op bij de bank dat je uitgaat van een «beslagvrij bedrag» dat geldt voor een «gehuwde met kinderen». Dat bedrag is relatief hoog, zodat er weinig geld onder het beslag valt. Achteraf blijkt de persoon echter «alleenstaande» te zijn. Dan zou het «beslagvrije bedrag» plotseling lager zijn en zou derhalve plotseling een hoger bedrag onder het beslag blijken te vallen. Het komt de indiener vreemd voor dat het beslag door een wijziging in inzicht ten aanzien van de leefsituatie iemand plotseling formeel meer of minder zou kunnen treffen. Als ook bij het bankbeslag zou worden uitgegaan van «de geldigheid» van het beslag, wordt dat beter opgelost. Formeel treft het beslag dan immers altijd de gehele rechtsverhouding. «Geldigheid» van een beslag is beter «in- en uit te schakelen» dan de formele omvang van het beslag. De hiervoor beschreven situatie wringt vooral wanneer plotseling een hoger bedrag onder het beslag blijkt te vallen.

Van Nispen

Naar boven