Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935224 nr. 4

35 224 Wijziging van de Overleveringswet in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-508/18 OG en C-82/19 PPU PI

Nr. 4 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 juni 2019

Bij brief van 28 mei jl. heb ik een wetsvoorstel tot wijziging van de Overleveringswet aangekondigd in verband met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (voortaan: het Hof) van 27 mei jl. in de zaken C-508/18 OG en C-082/19 PPU PI (Kamerstuk 35 000 VI, nr. 120). Uit die uitspraak volgt namelijk dat de Nederlandse officier van justitie niet kan worden aangemerkt als «uitvaardigende rechterlijke autoriteit» die krachtens het Kaderbesluit inzake het Europees aanhoudingsbevel, een Europees aanhoudingsbevel (voortaan: EAB) kan uitvaardigen aan een andere lidstaat, ter aanhouding van een verdachte die zich daar bevindt. De Nederlandse officier van justitie voldoet niet aan de eis van (rechterlijke) onafhankelijkheid die het Hof in de uitspraak stelt aan de «uitvaardigende rechterlijke autoriteit». Gelet op het feit dat in de Overleveringswet thans uitsluitend de officier van justitie is aangewezen als bevoegde autoriteit voor het uitvaardigen van een EAB, dient de Overleveringswet op dit punt te worden gewijzigd.

Tegen deze achtergrond is vandaag een wetsvoorstel tot wijziging van de Overleveringswet bij uw Kamer ingediend (Kamerstuk 35 224). De voorgestelde wijziging houdt in dat de rechter-commissaris in het vervolg zal fungeren als uitvaardigende autoriteit, wanneer ten behoeve van een Nederlandse strafzaak een Europees aanhoudingsbevel wordt gericht aan de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat. Hiermee wordt volledig voldaan aan de eisen die het Hof stelt aan de onafhankelijkheid van de uitvaardigende autoriteit.

Tot deze wijziging van de Overleveringswet in werking treedt, is de overlevering aan Nederland van verdachten die verblijven in andere lidstaten van de Europese Unie problematisch. Immers, in Nederland kunnen EAB’s niet langer worden uitgevaardigd door de officier van justitie, terwijl de uitvoering van reeds uitgevaardigde EAB’s afhankelijk is van de gevolgen die de buitenlandse autoriteiten in de concrete zaak verbinden aan de uitspraak van het Hof. Dit is met het oog op een effectieve criminaliteitsbestrijding een buitengewoon onwenselijke situatie.

Om deze reden wil ik u graag verzoeken de behandeling van dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ter hand te nemen. Als uw Kamer het voorstel voor 27 juni a.s. aanvaardt, zou de Eerste Kamer het wetsvoorstel nog voor het zomerreces kunnen behandelen.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus